Mijn aandachtsspanne werd nog volledig ingenomen door zingende duo’s. Spooky & Sue, Mouth & MacNeal, Sandra & Andres, Greenfield & Cook, Simon & Garfunkel, Sonny & Cher, Gert & Hermien, Crimson & Clover. Voor triootjes stond de maatschappij, en ik dus, nog niet open. Major Tom, Aladdin Sane (A lad insane !) en David Bowie stonden nog geen van allen op mijn radar.
Tot ik op een maandagavond neergevlijd lag op de tapis plain in mijn ouderlijk huis. De nieuwe salonzetels zaten zedig onder een wit laken verstopt. De stoelen met hoge leuning en bekleed met groene velours (‘schijtgroen’) moesten rond de eikenhouten tafel van onze living onberispelijk blijven staan. Ad Visser kondigde een wezen van een ander stelsel aan met een nieuwe song getiteld Heroes. Just for one day. Al mijn voelsprieten kwamen rechtop. Iedereen stopte met zijn liedje te zingen na 2’59” of toch zeker na 3′, maar deze in kostuum geklede roker deed er meer dan vijf minuten over.
We could be heroes. Forever and ever. Dat zou ik van iemand anders nooit geloofd hebben. Ik realiseerde me bij zijn verschijnen niet dat de wereld vijf minuten later onomkeerbaar anders zou zijn. Omdat Ad Visser het ook presenteerde, had ik al het Hilversum 3-programma Superclean Dream Machine ontdekt tussen 11 elf uur en middernacht. Ik had daar al eens een volledige b-zijde van een plaat met de titel Low gehoord, maar het was niet doorgedrongen dat het dezelfde was.
Nog meer verrast was ik, toen ik mijn onderzoek verder zette – ik was ondertussen op kot in Leuven beland – in de Mediatheek op het Ladeuzeplein. Rebel Rebel. The Jeans Genie. Ook dat was van dezelfde. Hij was zelfs – ongehoord – twee keer in de muzikale actualiteit gekomen met het ruimtevaartliedje Space Oddity. Ground control to Major Tom en daarna volgde een space odyssey in fast forward.
Star. Starman. Life on Mars. Dat laatste bleek, naar ik veertig jaar later ontdekte, geen liedje over een verblijf in de ruimte te zijn, maar gewoon over twee geliefden te gaan. Alles klonk me als euh muziek in de oren. Toch nog maar eens terug luisteren naar die – voor mij – eerste Bowie platen. Het bleek om een trilogie te gaan. Low. Heroes. Lodger. Boys Keep Swinging werd mijn favoriet, want ik zocht ondertussen – de punk was gepasseerd – naar de hardste song met de jankendste gitaren op elke plaat.
Zoals het altijd gaat met mij vond ik echter de vierde plaat pas echt mindblowing. Ashes To Ashes, funk to funky. Hè, zit ie nu weer in space en is daar ook gewoon een strand met zand? En wat doet junkie Major Tom daar opeens weer? Het bleek echter gewoon een bad trip, en van voorbijgaande aard.
Wat bleef, was mijn adoratie voor Ashes To Ashes. Ik speel de laatste tijd meestal de ultraversie van elf minuten en dertig seconden. Gemaakt voor de dj die even naar het toilet moet. Dan moet ik al die tijd geen mindere muziek aanhoren. Zelfs niet van Bowie.
Met uitzondering van This Is Not America, Absolute Beginners en Under Pressure lustte ik jarenlang alles van Bowie. Ook – zij het in het begin aarzelend – Fame en Golden Years. Dat laatste werd zelfs een favoriete Bowie van mij. Zoals zo vaak bij hem groeide het per luisterbeurt.
Zelfs als Bowie ging coveren, bleef hij typisch Bowie. Altijd anders dus. Ook Wild Is The Wind, van weer een andere Bowie, kwam bovenaan mijn aparte jaarlijst van Bowie-nummers te staan. Gecoverd van Nina Simone, die het op haar beurt weer gecoverd had van Johnny Mathis ! Op 9/12, de dag na 9/11, coverde de Britser dan Britse Bowie zelfs America van Simon & Garfunkel. Dat greep bij de keel.
Een meester op het klavier moest hij niet zijn om het nummer op een verbijsterende manier met oerbritse tongval te zingen. Zijn stem alleen volstond. Zoals dat ook het geval was op de maxi singles vol covers van het duo Kurt Weil en Bertold Brecht.
Nog één link naar één cover. Bowie kende ook zijn klassiekers, die hij kon zingen alsof het zijn eigen songs waren. Omdat vergelijken met Jacques Brel toch geen zin had.
Het moet gezegd. Mijn levenslange liefde kende toch wel degelijk een onderbreking. Dik tien jaar lang gingen onze wegen uit elkaar. Tot Bowie rond 2010 het noorden terugvond. De jaren voordien was hij zijn publiek ontrouw geweest met Iman, veronderstel ik. Ik volgde hem niet meer. En was muziek een hobby geworden. Dat kon ik begrijpen toen ik de foto’s met Iman zag.

Maar; alhoewel hij op het thuisfront en op de beurs goed belegd had en goed geboerd, had hij zijn boeltje nog niet bij elkaar. Bowie had nog wel één en ander te vertellen, met enige urgentie.
Dringend werd het pas echt toen Bowie zijn dichtste vrienden op trommelde, waaronder Tony Visconti maar ook de Belgische theatermaker Stijn Devillé, voor de grand finale. Blackstar was een perfect geregisseerd testament. Hoe kan iemand naar wie de wereld al 45 jaar verbaasd luistert, je alsnog met open mond achterlaten.
Mijn odes aan generatieoverschrijdende helden bevat ook altijd een opvallende cover van een andere hoogstaande artiest, die beïnvloed was. Muzikanten die niet beïnvloed zijn door Bowie zijn moeilijk te vinden. Muzikanten met de ballen om hem te coveren wel. Maar St. Vincent heeft ballen. Naast mooie covers van Nirvana en Kate Bush maakte ze het trio van haar idolen vol met Young Americans.
Aan vrienden die op citytrip naar Berlijn gaan, vertel ik altijd dat er een David Bowie tour is die je meteen ook naar de restanten van de Berlijnse muur brengt. Bowie woonde er in een appartement ver weg van de verleidingen aangeleverd door zijn drugsleveranciers. Hij keek op zeker ogenblik uit zijn raam en zag zijn producer buiten tijdens een rookpauze met diens nieuwe vriendin. Met zijn tweeën stonden ze een sigaret te roken en te kussen aan de muur van Berlijn. Zij zijn de personages van Heroes. Je loopt mee naar Bowie’s favoriete bruine kroeg. Alle kroegen waren bruin in Berlijn. Dus ook zijn favoriet. Het is een unieke gidsbeurt. Heb ik me laten vertellen, want tot mijn grote schaamte ben ik twee keer in Berlijn geweest zonder aan Bowie te denken. Maar de volgende keer …..
Voor wie dacht dat Bowie bloedernstig was, en op cloud nine zit tijdens zijn muzikale trip, think again, en kijk als digestief naar de akoestische versie van Heroes.
Eric Kenis














