Liliane, de eega, bleek er even niet goed van te zijn. Zij had, terwijl ik afwezig was, het bezoek gekregen van een man, die haar een verzoek/bevel overhandigde, gericht aan haar man (ik dus) om voor de politierechtbank te verschijnen. Reden: ik was op een bepaalde dag en in Gent door een rood licht gereden, enkele seconden maar nadat het nog toegestaan was.
Vooral rekening houdend met mijn leeftijd, of beter gezegd ouderdom, joegen de meest pessimistische gedachten door haar hoofdje, waarin niet altijd plaats gemaakt werd en wordt voor optimisme. Uit haar verklaringen kon ik klaar en duidelijk opmaken wat ze als vonnis voorzag: een zware boete uiteraard en het definitieve verlies mijn rijbewijs. Het zou mij vanzelfsprekend beletten ooit nog achter een stuur te kruipen, wat zij trouwens nog nooit in haar leven gedaan had, met een auto rijden dus. Het betekende dat het ‘over en out’ was om overal naar toe te trekken waar dat wenselijk was om een comfortabel en aangenaam leven te leiden. Ik deed dat zo goed als elke dag, zij het dan dat het aantal kilometers, daarvoor afgelegd, met de tijd gevoelig verminderde. Niet omdat ikzelf dat niet meer aankon, wel omdat zij mettertijd zo bang geworden was dat meerijden niet altijd meer een leuke ervaring betekende. Dat mijn manier van gasgeven en sturen daartoe leidden, ontkende ze met klem. Voor haar en voor anderen die al eens met mij de baan opgingen, bleef ik nog altijd een veilige aanvoelende chauffeur.
In een eerste tijd had ze die angst, niet langer meer te mogen beschikken over een plaatsje in mijn ‘Mazda 3’, naar mij overgedragen, maar redelijk snel besefte ik dat het allemaal zo’n vaart niet zo lopen. Waarmee ik de geliefde vrouw toch enigszins kon geruststellen.
De ochtend dat ik naar de politierechtbank trok, wenste ze me toch nogal nadrukkelijk succes toe, succes waaraan ik al sinds lang niet meer twijfelde.
Omdat ik intussen ook te weten gekomen was dat je in de rechtszaal niet zo al te snel aan de beurt komt, had ik een leuk boek meegenomen en gelukkig maar. De voorspelling bleek te kloppen en luisteren naar wat er in de voorafgaande zaken allemaal bekend en gepleit werd, zou in geen geval tijddodend gewerkt hebben. Van alles wat er gezegd werd, door aanklager, rechter en beschuldigde, verstond je maar de helft in die grote zaal, die trouwens rap volgelopen was door mensen die in alle stilte deden wat ik ook deed. Dat wil zeggen: wachten op de verlossende beurt.
Wat mij, tussen het lezen door, wel opviel was dat zo’n rechtszaak overheerst werd door vrouwen. De rechter was er eentje, de aanklager ook, alleen de griffier was een man. En van alle advocaten, talrijk present, bleken er maar weinig van wat soms nogal onjuist ‘het sterke geslacht’ genoemd wordt.
Toen het mijn beurt was en ik onmiddellijk de gelegenheid kreeg mezelf te verdedigen, meldde ik dat het zowaar en ondanks mijn hoge leeftijd nu maar de eerste keer was dat ik voor de rechter moest verschijnen. Die sprak mij onmiddellijk tegen, met de melding dat dit eerder nog eens gebeurd was, zij het… veertig jaar geleden en in Vilvoorde dan. De dame scheen begrip op te brengen voor het feit dat ik me dit niet meer herinnerde en stelde daarbij nog dat ik de oudste beklaagde bleek, die ze voor zich zag verschijnen. Of dit allemaal nu gunstig was voor het bepalen van de ‘straf’, weet ik op dit moment nog niet.
Het komt vonnis komt er pas over enkele dagen aan. Maar dat het allemaal niet zo slecht zou uitvallen, leidde ik af uit het feit dat de rechter mij vroeg wat voor mij nogal hinderlijk zou uitvallen. Ik zei eerlijk dat een – zij het korte – schorsing als chauffeur mij niet al te blij zou maken, maar of daar rekening mee gehouden wordt of werd, weet ik dus nu nog niet. Geduld dus, eega van mij!
Robert Janssens














