Ik heb onlangs een schouderklopje gekregen. Niet figuurlijk, maar letterlijk. Het gebeurde na een signeersessie in een boekhandel. Ik was na afloop nog wat aan het praten met twee lezers toen plots de boekhandelaar achter mij stond en joviaal zijn hand op mijn schouder legde. Doortastend genoeg om het te voelen, maar niet zo hard dat het pijn deed.
In die boekhandel had ik mezelf laten verleiden door een glas alcohol. Vanzelfsprekend uitsluitend om de gastvrijheid van de boekverkoper niet te beschamen. Voor mijn vertrek had ik bovendien enkele flessen champagne gekocht bij een bekende drankenzaak in de buurt, bestemd voor een kerstfeestje met de familie. Veiligheidshalve had ik ze binnen handbereik in mijn auto gelegd.
Was ik beneveld door de aanblik van die godendrank naast mij? Lag het aan de poëtische landschappen in de Vlaamse Ardennen? Feit is dat ik op de terugweg naar huis te laat een politiecontrole opmerkte. Zo kwam ik met gierende banden tot stilstand op een tijdelijke verkeersdrempel, bedoeld om doodrijders, drugsdealers en ander tuig te ontmoedigen.
Een grijnzende agent kwam naar me toe gelopen. ‘Zo, manneke, heb je ons niet gezien?’
Nu moet ik eerlijk toegeven dat het een eeuwigheid geleden was dat iemand me zo had aangesproken. In meer onschuldige omstandigheden zou dat me zelfs een sobere glimlach ontlokt hebben. Soms schuilt geluk in een kleine hoek.
‘Een verstrooide professor?’ informeerde de agent. ‘Of misschien gewoon dronken?’
‘Ik drink alleen water, meneer de agent.’ De herinnering aan de boekhandelaar deed me oprecht blozen. ‘Wel ja, behalve dat ene glaasje in de boekhandel. Er was nog een auteur en ook…’
‘… Hugo Claus wellicht?’ Meende ik daar enige spot in zijn stem te horen? Een pijnlijke blik in mijn auto ontnam me echter alle moed. ‘Sinds wanneer verkopen ze water in champagneflessen? Stap maar uit, manneke, en blaas eens.’
Van nature wil ik mensen niet teleurstellen. Ook die agent wilde ik niet ontgoochelen. Maar die vroege vooravond blies ik zo hard ik kon, en met enig genoegen zag ik zijn teleurstelling. ‘Je hebt echt maar één glas gedronken,’ zei hij enigszins triest.
‘Trek je er niets van aan. Volgende keer beter,’ troostte ik en gaf hem grootmoedig een schouderklop. Doortastend genoeg, maar niet te hard.
Stefaan Desmet
















