We beleefden dit jaar een heuse meidag in februari, die meestal kille wintermaand. Ik plande natuurlijk een langere wandeling dan ik tot dan toe afgewerkt had, om een toch wel rare, een beetje komische vaststelling te doen. Ik zag mensen rondlopen met nog een redelijk warm jasje aan, anderen hadden de jeansbroek al vervangen door een short en de pullover door een hemd met korte mouwen. Maar dat bleek allemaal best te verklaren. Zij die nog tamelijk ‘winters’ rondliepen waren al van in de ochtend op gang en hadden nooit kunnen vermoeden dat tot meer dan twintig graden buitentemperatuur zou gehaald worden. Mensen die het deden met een polootje, kwamen pas op gang toen de zon al op volle sterkte straalde.
Aan het einde van mijn dagelijkse toer, besloot ik van mijn even dagelijks glas witte wijn op een of ander terras te genieten, wat ik tot dan toe nog niet gedaan had, hoewel we in diezelfde maand februari eerder ook al leuke dagen beleefd hadden. Als man die graag ‘op café komt’ is het normaal dat ik het even fijn vind als dat buiten kan, wat voor mij alleen maar geldt als het echt warm is, wat we tot dan toe nog niet meegemaakt hadden en dat op die ene dag wel zouden doen.
Uiteraard werd ik ter zake met een klein probleempje geconfronteerd. Wie al eens in Gent rondloopt, merkt snel dat de stad vele terrasjes te bieden heeft en kon zich best voorstellen dat die bij geciteerde ‘twintig graden en meer’, stormenderhand zouden ingenomen worden. Wat mij verplichtte toch wat rond te kijken om finaal nog een stoeltje-zonder-iemand-er-op te vinden. De vier anderen rond de tafel waren ingenomen door twee oudere koppels. Zij waren duidelijk geen kennissen, want ze zaten niet eens met de gezichten naar mekaar gekeerd. De reden daarvoor was duidelijk: zo kregen ze volop de heerlijke zonnestralen in de snoet.
Toen ik vroeg of ik er nog bij kon, knikten ze redelijk opgewekt van ja, waarna het duo van de voorste rij zich omkeerde om nu echt bij de anderen aan te sluiten. Zij deden dat zeker en vast niet voor mij, wel omdat ze de stralende zon pal in de ogen, stilaan hinderlijk begonnen te vinden.
En meteen werden, wat men noemt, ‘de gesprekken geopend’. Ik leerde dat de ene man een gepensioneerde radioloog was en de tweede, eveneens op rust gesteld, bezig was met een opleiding tot gids in de stad. De vrouwen lieten zich ook horen, zonder te verklappen wat ze tot dan toe in het leven gedaan hadden. Dat werd wel gevraagd aan mijn eega Liliane, toen die na een tijdje en terug van haar toertje in de winkelstraten als zesde aan tafel aansloot. Zoals steeds aarzelde ze om te bekennen dat ze lange tijd de kost verdiend had als poetsvrouw en kreeg daarmee een haast uitbundige sympathie van de toevallige gezellen mee. ‘Neen, zo werd met nadruk gezegd, neen, daarvoor moet je niet gegeneerd zijn, wel in tegendeel.’
We bleven samen nog een glaasje meer drinken dan voorzien en geraakten zo tevreden over wat we het laatste uur beleefd hadden, dat er toch iemand voorstelde om het daarbij niet te laten en eventueel een afspraakje voor een volgende samenkomst te maken. Het was de radioloog die stelde dat zoiets niet noodzakelijk moest. Hij schreef ons zo geslaagd samenzijn toe aan een gelukkig toeval, dat men als dusdanig respecteren moest. Want niemand kon voorspellen wat een volgende ontmoeting te bieden had. Dus leek het beter het allemaal te laten zoals het verlopen was en verder met het nodige plezier te teren op de herinnering daaraan. Het leek mij verstandig en gepast, maar ik dacht er toch aan in de verdere toekomst en bij het zoeken naar een plaatsje op een of ander zonnig terras er een eentje te kiezen aan een tafel waar al andere, vrolijk lijkende mensen rond zaten. Misschien kon dat wel meer dan die ene keer leiden naar een even warme namiddag, niet alleen door de zon maar ook door de aard van de gezellen-voor-een-keer.
Robert Janssens














