Het zal veel mensen blij maken dat de uitspraak, geciteerd in bovenstaand titeltje, sinds een korte tijd weer overal ter wereld schalt. Het is een bijzondere kreet, die duizenden en duizenden mensen met drang aanzet naar de kant van de weg te snellen om daar reikhalzend uit te kijken naar wat een wel bijzonder fenomeen is in de sportwereld. Korte tijd nadat die oproep door de geluidsversterkers ging, vliegen de coureurs voorbij die rijen en rijen mensen die mekaar verdringen om toch maar iets te zien waarvoor ze gekomen zijn, soms zelfs van heel ver. In een paar seconden tijd is dat voorbij en gaan de koersliefhebbers onder mekaar discuteren en met mekaar pinten drinken en verder te raden naar de mogelijke afloop. En gelukkig zijn omdat ze hun helden amper gezien-, maar op zijn minst waargenomen hebben. Dat ze hun favoriete kampioen niet terugvonden in die wriemelende bende, lijkt dan niet eens meer van het grootste belang.
Als dit artikel verschijnt kan het koersseizoen 2026 al wel enkele weken bezig zijn, maar dat zal niets afdoen aan de vreugde van de honderdduizenden liefhebbers, die vinden dat gedurende enkele maanden tot weken wachten op het nieuwe bedrijf van hun geliefde sport al ruim te veel is.
Het is wel zo dat er heel de winter door nog wel wat koers te bekijken valt. Vroeger was er een hele rits baanmeetings en zesdaagsen, maar daar blijft er helaas niet veel meer van over. In feite enkel nog ‘de six’ van Gent, maar die duurt zoals de titel het zegt niet heel lang en biedt, behalve op TV, maar plaats aan zes maal zesduizend gelukkigen. Soms komen daar nog internationale kampioenschappen bij, die de amateur dan wel op de televisie kan volgen. Om vast te stellen dat pistewedstrijden (of het merendeel ervan) niet bepaald de geschiktste sport vormen om op boeiende wijze op het scherm weer te geven.
En er is dan natuurlijk ook nog veldrijden, dat op zich mag beschouwd worden als fysiek een van de meest waardevolle sporten ter wereld, waarin van de atleet en vaak op de meest onwaarschijnlijk paden, een totale inzet wordt vereist, met gedurende een uur continu de hoogste hartslag die de mens kan opbrengen. Alleen is het aantal kandidaat winnaars zo beperkt dat de spanning met de weken afneemt, vooral als er meneer van der Poel, Matthieu met voornaam, aan de start verschijnt.
In de grote wegraces dagen ook en telkens weer de grote kampioenen op, kampioenen die qua talent een eindje boven de anderen uitsteken. Diezelfde van der Poel om te beginnen, en verder Pogacar én Evenepoel én Vingegaard én zelfs van Aert. Maar die lopen toch altijd weer het risico door een of andere ‘collega’ voorbij gestoken te worden, omdat die net op die dag en voor enkele uren in de vorm van zijn leven verkeert. Verder kan de koers evolueren naar situaties, waarin zelfs een Pogacar eens niet kan tonen dat hij gewoon en ruim de beste is.
Dus laat de grote koersen nu maar komen, we zullen ervan genieten, ook al omdat je vaak tot op korte afstand van de streep niet kunt raden wie met de hoogste onderscheiding (lees eerste prijs) gaat lopen. Of moet men hier ‘gaat rijden’ zeggen?
Robert Janssens














