Flexijobs worden vaak voorgesteld als een slimme en eenvoudige manier om mensen flexibel aan het werk te zetten. Het systeem is helder, fiscaal aantrekkelijk en bedoeld om drempels te verlagen. Toch valt één groep steeds vaker uit de toon in dat verhaal: 50-plussers.
Niet omdat ze niet willen werken. Integendeel. Veel Boomagers willen net actief blijven, bijverdienen, hun ervaring inzetten of gewoon verbonden blijven met de werkvloer. En toch botsen ze vaker op een onzichtbare barrière.
Die barrière is zelden expliciet. Er staat nergens dat Boomagers niet welkom zijn in flexijobs. Maar in de praktijk ontstaat er iets subtiels: een voorkeur voor studenten of jonge bijverdieners wanneer werkgevers snel flexibele hulp zoeken. Niet uit uitgesproken vooroordeel, maar uit gewoonte en uit een vastgeroest beeld van wat “flexibel” betekent.
Flexibel wordt vaak onbewust vertaald als snel inzetbaar, licht, tijdelijk en zonder veel context. En precies daar wringt het. Want ervaring wordt in dat beeld niet altijd gezien als een troef, maar soms als iets wat minder goed past in een systeem dat gebouwd is op snelle rotatie.
Neem bijvoorbeeld Marie, 63. Ze werkte haar hele leven in de retail en wilde na haar pensioen nog twee dagen per week actief blijven in een winkel. Niet uit noodzaak, maar omdat ze het contact met mensen mist. Toch kreeg ze meer dan eens te horen dat men “iemand zocht die meteen mee in het ritme zat”. Uiteindelijk koos de zaak voor een student die enkel in het weekend beschikbaar was.
Of Paul, 66, voormalig technisch medewerker. Hij wilde via een flexijob kleine onderhoudstaken doen in een bedrijf in zijn buurt. Hij stelde zich flexibel op, kende het materiaal door en door en kon zelfstandig werken. Toch haakte de werkgever af vanuit de inschatting dat men liever iemand wilde die als “meer voorspelbaar inzetbaar” werd gezien.
En dan is er Rita, 60, die na een burn-out in haar latere carrière bewust voor rust en zinvol werk kiest. Ze solliciteerde voor een flexijob in een lokale evenementenhal. De reactie was vriendelijk, maar duidelijk: men koos toch voor “jongere krachten die we sneller kunnen inzetten op wisselende uren”.
Het zijn geen uitzonderlijke verhalen. Ze tonen geen bewuste uitsluiting, maar wel een patroon dat zich stilletjes herhaalt.
Daar komt nog iets bij. Het statuut van flexijobs is op zich eenvoudig, maar wordt in de praktijk complexer zodra mensen verschillende loopbaanfases doorlopen hebben. Gepensioneerd of niet gepensioneerd, actief of gedeeltelijk actief, het zijn nuances die voor werkgevers soms onzekerheid creëren. En onzekerheid leidt vaak tot één ding: kiezen voor het meest vertrouwde profiel.
Zo ontstaat er geen expliciete uitsluiting, maar een stille voorkeur. Niet omdat Boomagers minder geschikt zouden zijn, maar omdat het beeld van wie een flexijobber is niet is mee geëvolueerd met de realiteit van vandaag.
En die realiteit zal de komende jaren nog verder veranderen. Door recente aanpassingen in het pensioenbeleid wordt langer werken geleidelijk sterker gestimuleerd, onder meer doordat men na de wettelijke pensioenleeftijd jaarlijks aan bepaalde voorwaarden moet blijven voldoen om in aanmerking te komen voor een beperkte toeslag op het wettelijk pensioen. Dat zal er in de praktijk waarschijnlijk toe leiden dat meer mensen ervoor zullen kiezen om hun pensioen anders te structureren: niet als een volledige stop, maar als een combinatie van pensioen met aanvullend flexibel werk, bijvoorbeeld via een flexijob.
Net dat maakt de huidige blinde vlek nog opvallender. Want terwijl de beleidscontext mensen richting een meer hybride invulling van pensioen duwt, blijft het arbeidsmodel van flexijobs nog grotendeels denken in klassieke profielen: student of jong bijverdienmodel.
En dat is opmerkelijk, want net de realiteit van vandaag is anders. Boomagers zijn niet de stille afbouwers van vroeger. Het zijn mensen die langer gezond blijven, langer actief willen blijven en vaak net op zoek zijn naar zinvolle, flexibele vormen van werk. Ze brengen ervaring, stabiliteit en een andere vorm van betrokkenheid mee die in veel contexten net een meerwaarde kan zijn.
Maar zolang flexibiliteit vooral wordt geassocieerd met jong en tijdelijk, blijft een deel van dat potentieel onderbenut.
Misschien ligt het echte probleem dus niet bij de 50-plussers zelf, maar bij het beeld dat we blijven hanteren van wat “flexibel werken” betekent. Want flexibiliteit gaat niet alleen over beschikbaarheid. Het gaat ook over aanpasbaarheid, ervaring en het vermogen om snel in te schakelen in verschillende contexten.
En net daar zouden Boomagers vandaag een veel grotere rol kunnen spelen dan we hen nu toekennen.
Zolang we blijven denken in vaste beelden over leeftijd en werk, blijven we kansen missen aan beide kanten: werkgevers die ervaren krachten zoeken, en mensen die nog lang niet klaar zijn om aan de zijlijn te staan.
Misschien is het tijd om flexijobs niet alleen flexibeler te maken in naam, maar ook in ons denken.
Arthur Scherpereel














