Dat ik voor een nieuw, elektronisch tijdschrift weer cursiefjes mag schrijven, maakt me blij. Ik was pas op tachtigjarige leeftijd begonnen met die vorm van journalistiek/literatuur, na nochtans een lange loopbaan in de sportpers, rubriek wielrennen. Het beviel mij vanaf de eerste regeltjes die ik op scherm zette, tikte elke week met veel plezier de gevraagde bijdrage in en was zwaar ontgoocheld dat ik daarmee op een bepaald moment niet verder kon, niet omdat ik daar te oud voor geworden was, wel omdat het opzet failliet ging. Ik kwam, echt waar, in een soort geestelijke leemte terecht en was dan ook blij toen ik door de uitgever van mijn romans gesolliciteerd werd om die leuke taak verder te zetten, in een ‘Nieuwsbrief’, die de bedenker ervan in de kortst mogelijke tijd wilde lanceren. Als ‘Boomager’ dus.
Ik pikte de draad van die oh zo leuke belevenis snel weer op, zoals ik even rap bedacht dat ik voor zo’n mooi geschenk snel iets moest terugdoen. Het leek mij al bij al niet zo moeilijk. Om zoiets levend te houden, heeft men uiteraard lezers nodig en ik dacht dat ik wel bekwaam zou zijn er een stevig aantal aan te trekken. Op mijn scherm stond nog altijd de ledenlijst van een ‘Vriendenkring der Flandriens’, gevestigd in het ‘Centrum Ronde van Vlaanderen’ in Oudenaarde, ‘Vriendenkring’ waarvoor ik jaren aan een stuk voorzitter mocht spelen. Ik meende dat de mensen die daarbij aangesloten waren, wel positief zouden reageren op de vraag om (gratis uiteraard) abonnee te worden van het gloednieuwe ‘Boomager’. Ik begon snel met het verzenden van tientallen mails, met de melding dat ze bij manier van spreken maar ‘ja’ te knikken hadden om voortaan ‘Boomager’ te ontvangen en daarin elke week een bijdrage te lezen van een man, die ze als ‘hun voorzitter’ toch wel gewaardeerd hadden, zo denk ik nog altijd. Heel de tijd door hebben we toen, mijn toegewijde bestuursleden en ikzelf, immers mooie zaken in mekaar kunnen knutselen, wat ging van praatavonden tot uitstapjes, allemaal draaiend rond koersen en coureurs.
Achteraf lijkt het onvoorstelbaar dat we, bijvoorbeeld, zoveel heuse ex-vedetten van de fiets op een podium konden krijgen en dat voor niet al te veel geld (of helemaal geen), geld dat de ‘Vriendenkring’ trouwens niet in kassa had. Dat lukte omdat ik met vele toprenners uit vorige generaties tijdens mijn journalistieke loopbaan over het algemeen goede relaties had opgebouwd en zij het prettig vonden nog eens samen te komen, voor een publiek dat enorm veel waardering voor hen manifesteerde. En waarbij dit ook moet gezegd worden: de voorzitter was niet de enige die inspiratie voor die tripjes en die praatavonden had. Collega’s-bestuursleden brachten evenzeer ideeën en gasten aan en zo hield onze ‘Vriendenkring’ met succes stand, zelfs overheen de coronacrisis, periode waar we niks-niemendal mochten opzetten, maar na die nare tijd toch weer snel op gang geraakten. Zeer in tegenstelling tot andere verenigingen van dat genre.
Maar het bleef niet duren.
Bestuursleden en hun president werden ouder, zelfs dat er een paar onder hen en helaas de wereld verlieten. Mettertijd stelden we ook vast dat we stilaan uitgepraat geraakten met- en over die vedetten van toen, waarvoor de mensen van nu helaas niet al te veel belangstelling meer hadden. Terwijl, van hun kant, de mannen die hen op het hoogste niveau van de koers opvolgden nog maar weinig interesse (en ook tijd) hadden voor een opzet als een praatavond, over dit en over dat. Of eventueel wel wilden aanrukken, als daar een mooi sommetje euro’s aan verbonden was.
Dus moesten we, toch al een tijdje geleden, de ‘Vriendenkring’ opdoeken, ‘Vriendenkring’ waarvan nu alleen nog de laatste ledenlijst in mijn laptop zit. Het feit de leden vandaag nog eens aan te schrijven deed mij terugdenken aan al de mooie momenten die we samen beleefden en gaf mij enige zekerheid dat ze ook ’Boomager’ graag op hun scherm zien verschijnen. Ik zou het zo nog leuker vinden aan ‘Boomager’ mee te werken.
Robert Janssens














