In het naburige dorp Elst bakt men traditioneel van januari tot begin maart – maar tegenwoordig ook langer – geutelingen. Dat zijn dikke, malse koeken die worden gebakken in een houtoven. Op mistige ochtenden knotten gespierde mannen en vrouwen de bomen die de weiden en de wandelpaden afzomen. Het hout wordt later gebruikt om de ovens warm te stoken. Een ‘geute’ deeg wordt uitgegoten op de kleitegels in de bloedhete oven. De geuteling zwelt, wordt uit de oven gehaald en op een rooster gekoeld. Later verslindt men de geutelingen meestal met boter en suiker, net zoals pannenkoeken.
Dit typische Oost-Vlaamse streekproduct inspireerde mij ooit tot een kortverhaal. Nu denken mensen soms dat ik mij eveneens aan poëzie waag, en een enkele keer geloof ik dat zelf ook. Daarom heb ik lang geleden een ode aan de geuteling geschreven. Het waren karamellenverzen: van geuteling tot leuteling, en meer van dat fraais. Menig charmezanger zou er terecht voor bedankt hebben.
Tijdens de duistere wintermaanden ontving ik een soort poëtische kettingmail. Ik moest een lievelingsgedicht doorsturen en zou naderhand zelf overstelpt worden door een waterval van zoetgevooisde woorden. Een sympathiek initiatief dat die donkere dagen een tedere glans wilde geven.
Een hele tijd speelde ik met het idee om mijn ode aan de geuteling aan de vergetelheid te onttrekken en door te mailen. Ik zou er wat mist omheen spuiten. Dat het gedicht geschreven was door een onbekende volksdichter, geïnspireerd door de heilige Apollonia, de patroonheilige van Elst. Elke mythe heeft immers een duwtje in de rug nodig.
Uiteindelijk ben ik hiervoor toch teruggeschrokken. Ik koos een gedicht van reiziger-schrijver Johan de Boose. Het was een beladen gedicht over het Mijnwerkerspad in de Vlaamse Ardennen, een soort fietssnelweg avant la lettre. Veel vroeger reden treinen volgeladen met mijnwerkers vanuit het zuiden van Oost-Vlaanderen naar de diepe steenkoolmijnen in de Borinage. De schrijnende herinneringen behoren tot het collectieve erfgoed van mijn streek.
Goedgemutst controleerde ik de weken en maanden nadien mijn mailbox. Ik keek uit naar de bloemlezing van prachtige gedichten die ik mocht verhopen. Helaas, geen enkel gedicht werd naar mij gestuurd. In dezelfde periode ontving ik tientallen reclamemails en vier phishingmails. Blijkbaar ben ik populairder bij hackers dan bij minnaars van het mooie woord. Enige tragiek is mij nu eenmaal niet vreemd.














