Ik moet eerlijk bekennen dat ik geen echt carnavalsbeest ben. Je zal mij nog niet meteen als Voil Jeanet door de straten van Aalst zien strompelen. Ook mijn buurmeisje kan je geen fuifnummer noemen, maar voor een verkleedpartijtje met vriendinnen in Gent maakt ze graag een uitzondering.
Haar bus reed niet omdat er sneeuw was voorspeld, dus bracht ik haar naar het station van Oudenaarde. Ze was uitgedost in een felgekleurde clownsbroek, een paarse pruik en een roze parasol. Ik liep met haar mee tot op het perron, omdat ik nog eens iemand hartelijk uit wilde wuiven. Een klein gelukje, dat ze attent aan mij gunde.
De andere reizigers keken haar met verwondering aan. Onder hen bevond zich een gespierde dertiger, mogelijk een bodybuilder. Of een bokser, dat kon ook. Hij was minstens een hoofd groter dan ik, had een opvallend kort kapsel en in de hals een tatoeage van een runeteken, dat mij verontrustte. In zijn hand hield hij een blikje bier.
Tot mijn verbazing kwam hij naar ons toe en begon mijn buurmeisje uitbundig te feliciteren met haar opvallende kledij. ‘Ik vind dat iedereen voor zichzelf moet opkomen,’ zei hij. ‘Er lopen al genoeg grijze muizen rond.’ Gelukkig was die omschrijving niet op hem van toepassing.
‘Ze zeuren omdat ik ’s morgens meestal een blikje bier drink,’ zei hij. Aan zijn adem te ruiken, een behoorlijk understatement! ‘En omdat ik af en toe drugs neem. En wat dan nog?’
Toen gebeurde het onvoorstelbare: hij ging door de knieën en gaf mijn buurmeisje een handzoen. Even had ik het idee dat ik in een opname van ‘Blind Getrouwd’ was beland. Mijn buurmeisje bedankte hem en complimenteerde hem met zijn tatoeage, waarmee ze haar diplomatieke talenten toonde.
Plots wendde hij zich tot mij. ‘Ben jij ook zo’n saaie piet, die zijn dagen slijt in een kantoortje?’
Ik ontkende en vertelde dat ik misdaadromans schreef.
‘Misdaadromans?! Ik ben dol op misdaadromans!’ klonk het enthousiast. ‘Komt er heel veel bloed in?’
‘Niet al te veel,’ stamelde ik.
Dat vond hij jammer. ‘Maar er wordt toch af en toe iemand in stukken gehakt?’ Hij kwam gevaarlijk dicht bij me staan.
‘Dat gebeurt al eens,’ gaf ik toe.
‘Fijn!’ Hij klapte in zijn handen. ‘Daar haal ik altijd inspiratie uit.’
Dat was nu ook niet de bedoeling en ik voelde me steeds ongemakkelijker.
Hij slurpte zijn biertje uit, staarde me aan en zei: ‘Ik werk in een slachthuis.’ Hij klonk trots. ‘Veel bloed op de werkvloer!’
Hij nam afscheid en stapte gezwind op de trein naar Kortrijk.
Ik wuifde wat later versuft mijn buurmeisje uit, en met de moed in mijn schoenen, nam ik de volgende trein naar Denderleeuw en Aalst, op weg naar de Voil Jeanetten…














