Over het leven van alledag….
Er bestaat tegenwoordig een merkwaardige overtuiging dat men zich permanent boos moet maken om een ernstige burger te zijn.
Wie ’s morgens zijn smartphone opent, krijgt dat gevoel meteen bevestigd. Nog vóór de eerste slok koffie heeft men al drie schandalen, twee geopolitieke crisissen en een discussie over het correcte gebruik van havermelk in cappuccino’s gezien.
De wereld lijkt voortdurend op ontploffen te staan.
En toch gebeurt er op datzelfde moment iets totaal anders in mijn keuken.
Mijn koffieapparaat bromt.
Niet zenuwachtig, niet paniekerig, maar met de rustige overtuiging van een toestel dat al jaren weet dat alles uiteindelijk goedkomt zolang de maling correct is ingesteld.
Dat is relativeren.
Boomagers hebben namelijk een merkwaardig voordeel: wij hebben de geschiedenis al verschillende keren opnieuw zien beginnen.
Wij hebben de Koude Oorlog overleefd.
De oliecrisis.
De fax.
De fax die vastliep.
En later ook de printer die “papierstoring” meldde terwijl er helemaal geen papierstoring was maar wel een existentiële storing in het universum.
Na zulke ervaringen wordt men rustiger.
Men leest tegenwoordig bijvoorbeeld op internet dat de wereld “nog nooit zo gevaarlijk” is geweest. Dat is een interessante stelling, vooral voor mensen die zijn opgegroeid in een tijd waarin twee kernmachten elkaar permanent in het oog hielden en men op school oefeningen deed waarbij men onder de bank moest kruipen alsof een houten lessenaartje bescherming bood tegen een atoombom. Dit in een eeuw waarin twee wereldoorlogen werden uitgevochten, of was dat ook allemaal fake news?
Relativeren is dus geen filosofie. Het is eerder een lichte vorm van vermoeidheid gecombineerd met ervaring.
Boomagers herkennen het moment waarop een debat op sociale media ontspoort. Dat gebeurt meestal rond de zevende reactie, wanneer iemand plots een vergelijking maakt met het Romeinse Rijk, Hitler of de prijs van avocado’s.
Op dat moment weten wij: dit gesprek is verloren.
Wij klikken het venster dicht en gaan kijken of de fietsband nog voldoende lucht heeft.
Dat is een uitstekende strategie. Niet alleen omdat fietsen gezond is, maar ook omdat men onderweg tot grote inzichten komt.
Bijvoorbeeld dat tegenwind altijd precies uit de richting komt waar men naartoe rijdt.
Dat bruggen in Vlaanderen verrassend vaak hellingen blijken te zijn.
En dat men pas op kilometer twaalf ontdekt dat men eigenlijk al tien kilometer had moeten plassen.
Dit soort realisaties brengt de mens dichter bij de essentie van het bestaan.
Relativeren.
De moderne wereld houdt niet van relativeren. Alles moet urgent zijn. Alles moet dramatisch klinken. Elk incident moet minstens de ondergang van de beschaving aankondigen.
Maar boomagers hebben een ander ritme.
Wij hebben al verschillende beschavingen zien ondergaan, en meestal bleek het achteraf gewoon een slechte nieuwsdag te zijn.
Soms ook een woensdag.
Bovendien heeft het ouder worden een aantal onverwachte voordelen.
Men leert bijvoorbeeld dat veel problemen vanzelf verdwijnen.
Andere verdwijnen wanneer men er een nacht over slaapt.
En nog andere verdwijnen wanneer men per ongeluk zijn leesbril niet vindt en daardoor het hele artikel niet kan lezen.
Een onderschatte techniek.
Ik herinner mij een discussie waarin iemand met grote ernst beweerde dat de toekomst van de mensheid zou afhangen van een debat op een sociaal mediaplatform.
Dat kan.
Maar het kan ook dat de toekomst van de mensheid eerder afhangt van iemand die op dat moment rustig een kop koffie zet en besluit vandaag niemand op internet uit te schelden.
Dat zou al een vooruitgang zijn.
Relativeren betekent niet dat men de wereld niet ernstig neemt.
Het betekent dat men beseft dat de wereld soms ook gewoon… raar is.
Neem bijvoorbeeld de volgende vaststelling.
Er bestaan vandaag mensen die met grote overtuiging uitleggen hoe de planeet moet gered worden, maar ondertussen hun oplader niet kunnen vinden.
Er bestaan apps die onze stappen tellen, maar niemand heeft nog een idee waar hij zijn sleutels heeft gelegd. Al bestaan er daar intussen ook alweer apps voor.
En ergens, op dit moment, staat iemand in een keuken te discussiëren met een koffiemachine die weigert schuim te maken omdat er volgens haar “ontkalking nodig is”, wat eigenlijk een beleefde manier is om te zeggen dat het apparaat het leven ook niet meer helemaal ziet zitten.
Dat zijn momenten waarop men moet relativeren.
Men kijkt naar buiten.
De wereld draait nog.
De buurman snoeit zijn haag.
Een merel doet alsof hij eigenaar is van het universum.
En ergens op internet is iemand nog altijd boos.
Dat mag.
Maar ondertussen zet ik nog een koffie.
Want één ding heb ik geleerd in meer dan een halve eeuw rondlopen op deze planeet:
De meeste wereldproblemen lijken een stuk minder dramatisch nadat men eerst even rustig koffie heeft gedronken.
Of een fietstocht heeft gemaakt.
Of per ongeluk een uur naar een documentaire heeft gekeken over Romeinse wegen terwijl men eigenlijk alleen wilde weten hoe laat het was.
Relativeren is dus geen gebrek aan engagement.
Het is een vorm van wijsheid.
Een kalm soort wijsheid.
De wijsheid van iemand die de wereld bekijkt, even knikt en denkt:
“Goed. Maar eerst koffie.”














