Toen berichten de ronde deden dat de postbodes aan het staken gingen omdat ze niet akkoord waren met een nogal stevige aanpassing van de diensturen, kwam bij mij de herinnering op aan mijn eerste professionele ambitie. Toen ik bijna 14 jaar jong was, koos ik ervoor om later facteur te worden en informeerde al eens hoe ik aan die job kon geraken. Het leek mij een leuke bezigheid, waarvan ik links en rechts hoorde dat ze lang niet slecht betaa
ld werd en ook zekerheid verstrekte voor de rest van je professioneel leven. Het was een ‘job bij de staat’ en daar zat je voor immer in vast. Je moest al ongeveer een misdaad begaan hebben om van bij ‘de post’ buiten gezwierd te worden.
Het was niet zomaar dat ik, gedurende een korte tijd, voor dat beroep opteerde en zeker niet omdat de uniform die je dragen moest als je met de correspondentie van de mensen op gang trok, wel enige indruk maakte op de prille jeugd, of tenminste op een gedeelte daarvan.
Ik was een knaap die, meer dan zeven decennia geleden, al hield van contact met mensen, van kletsen met gelijk wie, oud of jong, arm of rijk.
Ik ervoer dat in de stadswijk waar ik woonde en in de dorpen waarnaar ik, als het zomer was, met vakantie gestuurd werd. Trips naar zuiderse landen waren toen alleen bestemd voor rijke mensen, voor mij waren Sint-Kathelijne-Waver en Wespelaar de klassieke bestemmingen, vanzelfsprekend omdat daar familieleden woonden, die nogal graag het zoontje of het dochtertje van broer of zus voor een paar dagen op bezoek kregen. En ik merkte, zowel in de eigen omgeving als op ‘de boerenbuiten’ dat vooral postbodes daar door de mensen voor wie ze correspondentie in de tas hadden zitten, op de meest hartelijke manier ontvangen werden. Ze belden aan, zagen onveranderlijk de vrouw des huizes (die toen zo goed als nooit uit werken ging) de deur openen om op een vrolijk ‘ha, dag facteur’ onthaald te worden. En verder nadrukkelijk uitgenodigd te worden om toch maar even ‘binnen te komen’. Ik hoorde dan links en rechts vertellen dat de afgegeven brief of gazet of zelfs een rekening wel een druppeltje waard waren, wat tot gevolg had dat de heren in uniform op het einde van hun ronde al eens met minder vaste benen door de straten stapten. Het feit dat elk bezoek bijna een feestje werd, inspireerde mij geweldig, het andere dat al eens ter sprake kwam, was voor mij moeilijker te beoordelen. Af en toe werd wel eens gefluisterd dat een of andere postbode wat langer dan ‘de tijd voor een borrel’ binnenbleef, gewoon omdat de huisvrouw nog wat anders dan correspondentie van hem verwachtte. Maar daar had ik op dat moment nog te weinig levenskennis voor om er over te oordelen, maar het heeft mij er in geen geval toe aangezet redelijk rap af te zien van mijn ambitie om mee de post te gaan verdelen. En weer wat anders te ambiëren. Trouwens, die job bleef ook niet wat ze geweest was, mettertijd moest er altijd maar meer en meer verdeeld worden en werd van de mannen-in-dienst geëist dat ze het binnen de gestelde uren afhandelden. Het drankje en wie weet nog wat anders, verdween uit hun dagelijks leven, waarin het werk toch nog een zekere aantrekkingskracht behield. Oke, de postbodes moesten vroeg beginnen om alles op tijd af te leveren, maar dat betekende ook dat ze er vroeg in de namiddag mee gedaan hadden en er heel wat vrije tijd overbleef om het dagelijks leven ook zonder borrels en eventueel opgewonden gastvrouwen aantrekkelijk te houden.
Maar nu zou dat helemaal veranderen, met latere starturen zodat er na het afwerken van de opdracht niet heel veel meer te beleven valt. Bij het vernemen daarvan besefte ik zo’n verandering ook niet als een cadeau zou ervaren hebben en het dus waard zou geweest zijn om mee te staken.
Wat natuurlijk allemaal onzin is.
Ook bij de post zou ik vandaag al sinds vele, vele jaren gepensioneerd zijn.














