Grootmoeders en grootvaders beleven met hun kleinkinderen vaak opwindende tot aandoenlijke momenten, ook al zijn die kleinkinderen… groot geworden. Belangrijk daarbij is natuurlijk dat de oma en de opa nauw contact onderhouden met de generatie die volgt op de eigen nakomelingen, wat voor mijn eega en mezelf het geval was en nog is. Nadrukkelijk zelfs, vermits we vaak hebben ingestaan voor hun opvoeding, van bij de geboorte tot aan het einde van de lagere school in elk geval, en later ook, om bijzondere redenen, voor de oudste uit het duo. Die oudste heet Zoë en woonde vanaf haar 15 of 16 jaar bij de omi en de opi, zoals ze ‘haar oudjes’ noemde.
Dat verliep allemaal in een aandoenlijke sfeer van intense liefde, die ook de tweede nakomeling, die dan weer Zenna heet, op haar eigen, speciale manier betoonde.
Het leverde voor ons beide speciale momenten op, meestal warmhartige, maar af en toe ook eens angstwekkende, momenten die dus nog dieper in het gemoed knaagden dan dat destijds het geval was met de eigen kinderen. Dat werd geïllustreerd op die ene, bijzondere dag in de herfst van het jaar, de huidige of de pas voorbije, al naargelang het moment waarop deze bijdrage verschijnt.
Ik, de opi dus, ben al sinds jaren de voornaamste boodschapper in het gezin, omdat zo’n taak de eega niet zint en destijds dus met veel begrip overgenomen werd door de echtgenoot.
De aankoop van vlees, groenten en fruit doe ik bij een Delhaize, ver genoeg van huis om er met de auto heen te moeten, auto waarmee de vrouw nooit in haar leven heeft leren rijden, wat het nog vanzelfsprekender maakt dat de man ervoor zorgt dat er altijd voldoende eten en drinken in huis is.
Die Delhaize biedt de klanten een grote parking aan, die toegang geeft langs twee inritten, gesitueerd aan elke kant van de grote ruimte. Wat aan fietsers, vooral studenten, gelegenheid geeft heel wat tijd te winnen door langs daar de oversteek te maken, eerder dan via de verder gesitueerde baan. En dat detail zorgde ervoor dat ik een kort, maar zo intens-hartelijk evenementje meemaakt, dat, figuurlijk gezegd dan, de zon deed schijnen over mijn dag, die in werkelijkheid alleen maar een grijze lucht te bieden had.
Ik deed mijn toertje zoals gewoonlijk in de shop, vulde mijn kar, betaalde aan de kassa en dacht bij het buitenrijden nog eens goed na of ik al het gevraagde wel mee had. En dan, plots, dook daar iemand voor mij op, redelijke wild springend en met een glimlach die zelfs het hart van een robot zou ontdooien. Het was Zenna, onze jongste, die mij vertelde dat ze zoals velen en met de fiets, de binnenweg van de parking genomen had, mijn auto zag staan en besloot mij te verrassen. Ze deed dat met een geestdrift die we van haar niet direct gewoon zijn en mij de rest van de dag een gevoel van warme vreugde bezorgde.
Is Zenna, een knappe juffrouw met een bijzondere persoonlijkheid, niet direct de meid die spontaan haar gevoelens uit, dan doet zuslief Zoë dat wel, vooral als het om vrolijke zaken gaat. En net die Zoë zou er, aan het einde van dezelfde dag nog – ongewild – voor zorgen dat haar opi niet de beste nacht van zijn leven doorbracht, wat dan vooral… zijn eigen schuld was.
De vrouw en ik, wij wisten dat Zoë, die nu ‘op kot zit’, met een hardnekkige bronchitis niet in de beste fysieke conditie verkeerde, maar ook dat ze zichzelf verzorgde zoals een mens dat moet doen. En net in zo’n situatie dacht ik er niet aan toch eens de kijken of er niemand getracht had mij te bereiken, van in de namiddag tot laat in de avond. En wat stelde ik vast: dat de arme, zieke Zoë mij verzocht had, zowel via een sms-je als met een oproep, haar te komen ophalen, omdat ze het beter vond, zoals ze het zelf schreef, bij ons te ‘komen zieken’, eerder dan op haar eentje in het geciteerde ‘kot’.
Het kwam bij mij aan als een serieuze klap en ik bracht de nacht door met in mijn hoofd niks dan zwarte gedachten. Over een kleindochter die zwaar ziek en heel alleen lag af te zien ‘omdat ik haar in de steek gelaten had’.
Het is zeker dat wie dat allemaal niet gelooft, geen grootmoeder of grootvader is, grootvader die dan wel, na vele uren van nachtelijke onrust, ’s anderendaags gerustgesteld werd, met de melding erbij dat enige beterschap eerder zou gemeld zijn, mocht de jonge dame niet met een platte batterij in haar telefoon en laptop gezeten hebben. En dus niet kon horen dat de opi tot laat in de nacht, wanhopige oproepen had afgeleverd.
Robert Janssens














