Er zijn ochtenden waarop ik denk dat mijn huis me actief saboteert. Alles lijkt op mysterieuze wijze van plaats te veranderen zodra ik even niet kijk. De sleutels, de gsm, de afstandsbediening — ze spelen een mistroostig makend spelletje verstoppertje. En ik ben het die telkens verliest.
Gisteren bijvoorbeeld. Klaar om te vertrekken, jas aan, humeur behoorlijk, zelfvertrouwen matig maar werkbaar. En toen: paniek. De sleutels! Foetsie.
Ik doorzocht mijn handtas (ja, die heb ik als geëmancipeerde boomager) met stijgende wanhoop. Kassabonnen van jaren geleden, zowaar een verdwaald muntstuk uit de tijd van de Belgische frank dat ik een tijdje terug in een kast gevonden had, een gebruikte pleister met een onbekend verleden — maar geen sleutels. Tot ik ze uiteindelijk vond, in mijn broekzak. De hele tijd al.
Ik zweer het: ik voelde de sleutels in mijn hand schokken van het lachen.
Weet je nog, vroeger? Toen we alle telefoonnummers van onze vrienden kenden, plus hun vaste lijn bij de ouders? En nu… nu ga ik wanhopig op zoek op mijn gsm, zoekend naar “die ene contactpersoon” zonder idee of ik die ooit onder zijn echte naam heb opgeslagen of als “Jos nieuwe buur links”.
Mijn geheugen is als een oude platenspeler: het speelt nog, maar soms slaat het over op het verkeerde nummer. Ik loop naar de keuken om iets te doen — en halverwege heb ik geen idee meer wat. Dan blijf ik daar gewoon even staan, met een volle blik in een leeg hoofd, alsof ik wacht op een intern bericht van mijn brein: “Even geduld, uw herinnering wordt geladen.”
Om de hersenen soepel te houden, heb ik mijn eigen methodes. Geen apps of geheugentrainingen met ingewikkelde scores. Nee, ik lees mijn boodschappenlijstje achterstevoren, zing wat ik moet onthouden op de melodie van Sweet Caroline, of herhaal mijn wachtwoorden alsof het mantra’s zijn. “Koffie!123, Koffie!123…” — dat soort spiritualiteit werkt beter dan yoga.

Soms probeer ik ook mijn vergeetachtigheid gewoon strategisch te kaderen. Als ik iemand tegenkom en hun naam niet meer weet, glimlach ik sereen en zeg: “Ik geef mensen graag de kans zich opnieuw voor te stellen.” Dat klinkt sociaal, terwijl ik innerlijk koortsachtig nadenk of die persoon van het werk is, van vroeger, of van de wandelclub met de rare stokken.
Een vriend van me heeft hetzelfde probleem. Hij vertelde me dat hij tegenwoordig bij elke nieuwe ontmoeting stiekem een selfie maakt met de persoon in kwestie. “Zo kan ik later even spieken,” zei hij trots. Het enige probleem is dat zijn telefoon intussen volstaat met vage selfies van mensen die hij óók niet meer herkent en waarvan hij de naam is vergeten op te slaan.
Soms is het geheugenverlies ook gewoon praktisch. Toen ik laatst vergat waar ik mijn gsm had gelegd, begon ik mijn vaste “zoekroutine”: bellen met de vaste lijn. Alleen… had ik die de week ervoor opgezegd. Uiteindelijk vond ik de gsm terug — in de koelkast, naast de boter. Ik heb geen verklaring, maar ik vermoed dat ik op dat moment multitaskte met koffie, boodschappen en een existentiële crisis.
En toch, hoe frustrerend het soms is, er zit ook schoonheid in. Want ons geheugen vergeet niet alles. Het bewaart wat telt. De geur van vers gemaaid gras in de jaren zestig. De eerste keer dat we Hey Jude meebrulden met de ramen open. De smaak van een tomatensoep die rook naar thuiskomen. Wat we gisteren aten? Geen idee. Maar vraag me wie er in 1974 het Songfestival won, en ik antwoord zonder aarzelen. ABBA natuurlijk.
Dus ja, ik vergeet wel eens wat. Maar zolang ik weet wie ik ben, waar ik vandaan kom, en waarom ik in de keuken sta (zelfs al weet ik het pas vijf minuten later), gaat het eigenlijk best goed. En als het even niet goed gaat, dan verzin ik wel een reden. Dat is óók een vorm van geheugen — creatief geheugenbeheer.














