HomeMENS & SAMENLEVINGTradities & erfgoedNostalgie maakt me warm en koud

Nostalgie maakt me warm en koud

Ik heb soms last van vroeger, maar gelukkig nog niet in die mate dat ik op zondagochtend wakker word met een onweerstaanbare behoefte aan een bruine ribfluwelen broek, een cassetterecorder en een telefoon met een draaischijf. Toch is er weinig nodig om mij terug te katapulteren naar de jaren zeventig of tachtig. Een oude televisiegeneriek, een geur die ik niet eens meteen kan thuisbrengen, een bepaald automodel, een liedje op de radio en plots schuift het heden even opzij alsof iemand aan een gordijn trekt.

Dat geheugen is trouwens een nogal onbetrouwbare archivaris. Volgens mijn herinneringen scheen in mijn jeugd bijna altijd de zon, duurden de zomers belachelijk lang en lag er in de winter voldoende sneeuw om minstens drie weken per jaar met een slee rond te trekken.

Aangezien ik ook toen al gewoon in Vlaanderen woonde, kan dat statistisch onmogelijk kloppen. Mijn geheugen heeft blijkbaar een eigen toeristische dienst die motregen, verveling en tegenvallende vakantiedagen systematisch uit de brochure houdt.

Neem nu de autoloze zondagen in de jaren zeventig. Door de oliecrisis mochten auto’s op bepaalde zondagen de weg niet op en voor volwassenen was dat wellicht een economische maatregel met internationale oorzaken. Voor ons was het vooral fantastisch nieuws: de straat was plots van ons. We rolschaatsten waar anders auto’s reden, fietsten zonder voortdurend opzij te moeten en konden ons midden op de rijbaan gedragen alsof koning Boudewijn persoonlijk had beslist dat die voortaan voor kinderen was voorbehouden.

Dat mijn rolschaatsen twee metalen marteltuigjes met riempjes waren, die ongeveer dezelfde baanvastheid hadden als een supermarktkar met drie verschillende wielen, laat de nostalgie liever weg. Ze bewaart het gevoel van vrijheid en gooit de schaafwonden in een andere map.

Met televisie gebeurt hetzelfde. Wij hadden maar een paar zenders en vonden dat blijkbaar voldoende. Je keek naar wat er was en als er niets was, dan was er niets. Geen streamingdiensten, geen terugkijkknop, geen keuze uit drieduizend series waarvan je uiteindelijk een uur lang trailers bekijkt om daarna te besluiten dat je eigenlijk te moe bent om nog aan iets te beginnen.

Een jeugdserie kon toen een gebeurtenis zijn. Je wachtte er een hele week op en als je ze miste, had je pech. Niemand zei: “Ik kijk morgen wel.” Morgen bestond niet. De aflevering was geweest en jij had gefaald als televisiekijker.

Dat klinkt vandaag bijna barbaars, maar op een vreemde manier gaf het ook iets bijzonders aan die programma’s. Sommige generieken zitten nog altijd ergens in mijn hoofd opgeslagen. Na drie seconden muziek is plots een heel decor terug, een gezicht, een stem, een kamer waarin ik destijds zat te kijken. Blijkbaar wist mijn brein toen nog niet dat het later ook bankcodes, wachtwoorden en pincodes zou moeten bewaren, dus heeft het maar zoveel mogelijk plaats gereserveerd voor televisiemuziek.

Muziek was sowieso een heel ander avontuur. Wie een nummer graag hoorde, kon het niet onmiddellijk opzoeken. Je moest wachten tot het op de radio kwam en hopen dat je op tijd met de cassette klaarstond. Dan zat je daar met je vinger boven de opnameknop, gespannen alsof je een raketlancering moest uitvoeren, terwijl je vooral bad dat de presentator eens vijf seconden zijn mond zou houden.

Dat deed hij zelden. Hele generaties hebben muziekcassettes gehad waarop hun favoriete lied begon met: “En straks hebben we nog het weerbericht, maar eerst…” waarna eindelijk de muziek inzette.

En dan was er natuurlijk nog het andere drama: het einde van de cassette. Ik kan het nog altijd ervaren wanneer ik Abracadabra van de Steve Miller Band op de radio hoor. Ooit had ik dat nummer opgenomen op een cassette en het stond helemaal aan het einde van een kant. De tape was simpelweg op voor het lied gedaan was. Midden in het nummer: weg. Klaar. Geen Steve Miller meer, geen magie, alleen het droge mechanische einde van de cassette.

Het merkwaardige is dat mijn hoofd dat ruim veertig jaar later nog altijd niet heeft gecorrigeerd. Wanneer ik Abracadabra vandaag op de radio hoor, zit ergens in mijn brein nog steeds een klein mannetje te wachten op het moment waarop het lied zal stoppen. Ik ken intussen natuurlijk de volledige versie, ik heb ze ontelbare keren gehoord en desnoods kan ik ze binnen tien seconden opzoeken, maar mijn geheugen verwacht nog altijd dat ergens halverwege de band op is.

Dat vind ik eigenlijk veel mooier dan wanneer ik destijds een cassette van zestig minuten extra had gehad.

Zo werkt nostalgie. Ze zit niet alleen in grote herinneringen, maar vooral in dat soort onnozele afwijkingen die niemand anders begrijpt. Een nummer dat in jouw hoofd op de verkeerde plaats eindigt. Een televisieserie waarvan je je niet meer herinnert waarover ze ging, maar wel hoe laat ze begon. De geur van een auto-interieur. Het geluid van een fietsdynamo. Het gekraak wanneer je een elpee uit zijn hoes haalde en vervolgens de naald net naast het begin van de plaat liet vallen.

Over die platen kunnen we trouwens ook wel iets zeggen. Tegenwoordig wordt vinyl opnieuw verkocht als een soort verfijnde culturele ervaring waarbij kenners ernstig praten over warm geluid. Wij herinneren ons vooral dat platen oversloegen wanneer iemand te enthousiast door de kamer liep.

Dat detail wordt minder vaak vermeld in de nostalgische documentaires. Net zoals niemand bij “de gezelligheid van vroeger” spontaan begint over autoritten in juli zonder airco. Met vier mensen in een auto waarin de achterbank langzaam dezelfde temperatuur bereikte als een frituurpan, terwijl iemand vooraan zei: “Doe het raampje een beetje open.”

Een beetje. Want helemaal open gaf tocht.

Ook de telefoon was vroeger zogezegd gezelliger. Hij stond thuis op één vaste plaats en als iemand belde terwijl je weg was, dan wist je daar niets van. Geen gemiste oproep, geen voicemail, geen berichtje met “ik probeerde je te bellen”. Je kwam thuis en de wereld had zich eventueel twee uur lang zonder jou verder ontwikkeld. Dat had beslist voordelen.

Al moet ik toegeven dat ik vandaag toch liever weet dat iemand mij probeerde te bereiken dan dat ik drie dagen later van mijn moeder hoor: “Er heeft zondag iemand voor u gebeld.” Eigenlijk zou ik het met hoofdletters moeten schrijven: ‘Er Heeft Zondag Iemand Voor U Gebeld’, zo plechtig en gewichtig klonk het toen want je telefoneerde in die tijd niet zomaar.

“Wie?”

“Dat weet ik niet meer.”

“Wat wilde die?”

“Dat heeft hij niet gezegd.”

Fantastisch communicatiesysteem.

En toch kan ik met warmte aan die tijd terugdenken, terwijl ik tegelijk voor geen goud alles opnieuw zou willen beleven. Want daar zit natuurlijk de valkuil van nostalgie. We monteren graag een greatest hits-versie van ons verleden en laten de mindere nummers weg.

Ook in mijn eigen jeugd gebeurden kleine en grote dingen die helemaal niet mooi waren. Verdriet, ruzies, angsten, mensen die ziek werden, dingen die je als kind niet goed begreep maar wel voelde, situaties waarvan ik vandaag weet dat ik ze niet opnieuw hoef mee te maken. Sommige herinneringen zijn zacht geworden aan de randen, andere blijven hard.

Daarom krijg ik het een beetje benauwd wanneer mensen zeggen dat vroeger alles beter was. Nee, sommige dingen waren beter. Andere waren slechter. Veel dingen waren gewoon anders.

We hadden geen sociale media, maar dat betekende niet dat er niet geroddeld werd. We hadden geen cyberpesten, maar kinderen konden elkaar op de speelplaats ook behoorlijk deskundig het leven zuur maken. We hadden geen smartphones, maar we konden wel urenlang onbereikbaar zijn terwijl onze ouders geen flauw idee hadden waar we uithingen. Dat laatste vertellen we tegenwoordig graag als bewijs van onze fantastische vrijheid, maar ik vermoed dat onze ouders daar soms een ander woord voor gebruikten.

En toch betrap ik mezelf er net zo goed op dat ik denk dat kinderen vandaag iets missen. Ze zitten achter schermen, kijken geen gewone televisie meer, gamen, sturen elkaar filmpjes waarvan ik na drie keer kijken nog altijd niet weet waarom ze grappig zijn en luisteren naar muziek die soms klinkt alsof drie computerprogramma’s ruzie hebben gekregen.

Maar wanneer ik wat beter kijk, zie ik eigenlijk precies hetzelfde als vroeger. Kinderen die volledig opgaan in iets. Die weken kunnen uitkijken naar een nieuwe game, een nieuw seizoen, een concert of een filmpje. Die idolen hebben waar volwassenen niets van begrijpen. Die woorden gebruiken waarvan ik vermoed dat ze Nederlands zijn, maar waarvoor ik toch graag ondertitels zou hebben. Wij deden precies hetzelfde.

Onze ouders vonden onze muziek ook te luid, onze haren te lang of te kort, onze kleren belachelijk en onze idolen verdacht. Elke generatie lijkt toevallig de laatste generatie te zijn die nog weet wat echte muziek is, wat echte televisie was en hoe kinderen werkelijk horen te spelen. Dat zou op zichzelf al voldoende reden moeten zijn om niet te streng te worden.

Misschien missen jongeren van vandaag inderdaad een paar dingen die wij hadden. Maar ze krijgen er ook een hele wereld voor terug die voor ons sciencefiction zou zijn geweest. Ze kunnen praten met iemand aan de andere kant van de wereld, alles opzoeken wat ze willen weten, muziek beluisteren die vroeger onvindbaar was, zelf filmpjes maken, programmeren, gamen met vrienden die kilometers verder wonen en hun interesses delen met mensen die ze anders nooit zouden ontmoeten.

Wij keken met grote ogen naar een kleurentelevisie. Zij zetten een virtualrealitybril op en vinden dat normaal. Het belangrijkste verschil is waarschijnlijk niet de technologie, maar het feit dat zij nog jong zijn en wij niet meer.

Misschien verlangen we daarom uiteindelijk minder naar een tijdperk dan naar de versie van onszelf die daarin rondliep. Naar dat kind dat een lege straat zag en niet dacht aan oliecrisissen, geopolitiek of economische recessie, maar alleen: ik kan hier rolschaatsen.

Naar de tiener die een liedje op de radio hoorde en voldoende geduld had om drie dagen te wachten tot het opnieuw werd gedraaid. Naar iemand voor wie een cassette die midden in Abracadabra stopte een daadwerkelijk probleem kon zijn.

En misschien maakt nostalgie mij precies daarom warm en koud tegelijk. Warm omdat ik bepaalde momenten nog altijd moeiteloos kan oproepen en omdat ik blij ben dat ik ze heb meegemaakt. Koud omdat ik ook weet dat ik helemaal niet terug wil, en al zeker niet naar alles wat toen bij het pakket hoorde.

Ik kijk dus graag achterom, zolang niemand mij verplicht opnieuw te gaan wonen in 1974. Want ergens zit nu waarschijnlijk een kind achter een scherm een game te spelen waarvan ik niets begrijp, met exact dezelfde concentratie waarmee ik ooit boven een cassetterecorder hing. Over vijftig jaar hoort dat kind misschien toevallig een muziekje uit 2026 en wordt het zonder waarschuwing teruggekatapulteerd naar vandaag.

Dan zal het vertellen hoe fantastisch eenvoudig alles vroeger was, hoe goed de muziek nog klonk en hoeveel vrijheid kinderen toen nog hadden.En ergens daarnaast zit ongetwijfeld een jongere uit 2076 die denkt: Daar heb je ze weer.

NIEUW! KOERSKLAP

- ONZE EXCLUSIEVE REEKS -spot_img

Abonneer je op ons Gratis Magazine en ontvang iedere woensdag de beste info, tips en leuke acties in jouw mailbox

Leestips

28 Mei 1934 – Derde afpersingsbrief

Bisschop Coppieters ontvangt vandaag een derde afpersingsbrief. Op de omslag staat alweer duidelijk de initialen “d u a” vermeld, eveneens de vermelding “Personelle”… De brief,...
koffieplantages wereldwijd

Van bodem tot boom

spot_img
Rechtvaardige-Rechters retabel

11 april 1934 – De Rechtvaardige Rechters, het mysterie ontrafeld

In 1934 pleegde men een van de grootste kunstdiefstallen in de Belgische geschiedenis: de diefstal van "De Rechtvaardige Rechters", een paneel van het wereldberoemde...