Het moet mei 1965 geweest zijn. Op Hemelvaartsdag, mijn ouders noemden dat ietwat oneerbiedig Tsiezeke Klimop, mocht ik mijn eerste communie doen. Zo’n communie is hier in Vlaanderen intussen een uitstervend ritueel geworden. Tegenwoordig verkiest men lentefeesten, groeifeesten en weet ik wat nog allemaal. Alleen op ‘den buiten’ zijn de traditionele communiefeesten nog nipt in de meerderheid.
In mijn vroegste herinneringen was dat feest het hoogtepunt van mijn gelovige jonge leventje. Ik herinner me die dag nog alsof het gisteren was. Ik moet fier als een gieter geweest zijn. Mijn volledige outfit kwam vers van de naaimachine van ons moe. Voor één keer was ik niet verplicht de kleren van mijn broer ‘af te dragen’.
Het resultaat mocht gezien zijn: een kraakwit hemdje met zwart vlinderdasje, een jasje van tergal en een kort broekje van terlenka (meen ik mij te herinneren). En natuurlijk witte sokken, zo hoog mogelijk opgetrokken.
Ik had het geluk dat ik bij de kleinsten van de klas hoorde en dus op de eerste rij mocht plaatsnemen. De dienst duurde nogal lang maar vond ik desalniettemin prachtig. We zongen de echte klassiekers die meester Marcel ons al maandenlang had ingepompt.
‘Evenals een moede hinde naar het klare water smacht,
schreeuwt mijn ziel om God te vinden,
die ik ademloos verwacht.’
Niet dat er één kind wist wat een ‘moede hinde’ was, maar dat gaf niet, want het klonk mooi.
Tijdens de consecratie zongen we een echte kerkhit:
‘Wij dekken de tafel met brood en met wijn,
maar laat Uwe liefde ons voedsel zijn.’
Vooral het refrein werd door de gelovigen uit volle borst meegezongen:
‘Heer, Heer, neem het aan.
Neem mijzelf, neem mijn hart, mijn verstand,
want in wijn en in brood kom ik los van de dood,
reikt de hemel de aarde de hand.’
Toen vond ik dat schone, beeldschone woorden. Nu besef ik dat de auteur van die psalm serieus aan de fles moet hebben gezeten toen hij die zinnen op papier zette.
Naast mij zat Joske Vermaercke, en die zong als een geit die met haar kop tussen de spijlen van een hek geklemd zat. Na het eerste liedje fluisterde ik hem in het oor: ‘Ge moet niet wenen, straks krijgt ge uw papfleske wel.’ Maar hij had niet door wat ik bedoelde.
Ik was al bij al content dat die mis afgelopen was, want we moesten driekwart van de dienst op onze knieën zitten en dat begon na een tijd serieus pijn te doen. De ribbels van de gevlochten stoelzittingen stonden achteraf nog meer dan een uur zichtbaar in mijn jeugdige knieën.
Daarna begon de tournée générale. Ik moest mij gaan tonen aan mensen die je doorgaans toch al drie keer per week zag, en overal speelde zich hetzelfde ritueel af: eerst een zantje afgeven. Het moet gezegd: het mijne was prachtig. Een gekartelde rand met een gouden biezeke, een kelk waarin de letters PX gegraveerd stonden, met daarboven een stralende hostie. Achteraan, in sierlijke letters:
Op 8 mei 1965 deed ik mijn eerste heilige communie in de kerk van Sint-Vincentius à Paulo. Kindje Jezus klein, houdt mijn hartje rein, laat toch nimmer toe dat ik zonden doe.
Dat laatste is, achteraf bekeken, jammerlijk mislukt.
Overal kregen we van alles te eten en te drinken: sandwiches en pistolets met goeie boter, kaas en gekookte ham, patékes met crème au beurre, Colibri-limonade uit geribbelde flesjes, melk met Ovomaltine en zelfs bier van Piedboeuf. Voor de mannen was er Export en Peterman-jenever; voor de vrouwen Elixir d’Anvers.
Dat ‘gaan tonen’ was voor de volwassenen misschien een feest (mijn vader wist op het einde van de rit niet meer van welke parochie hij was), maar voor de gevierde zelf was het een ware martelgang. Braaf in de schoonste plaats vanuit de zetel gesprekken zitten beluisteren waar je geen bal van begreep, terwijl er geen enkele aandacht was voor de feesteling zelf, die er voor spek en bonen bijzat.
De cadeaus vielen grotendeels tegen.
Kleurpotloden van Caran d’Ache, die ik alleen op school mocht gebruiken, een cadeau waar je thuis dus niets aan had.
Een Parker die nooit geschreven heeft. Hetzelfde gold trouwens voor de porte-plume van Waterman: schoon om naar te kijken, nutteloos in de praktijk.
Dan drie boeken van Artis Historia: Afrika (woestijn, steppe en oerwoud), Dieren uit alle landen en Rozen. Schone prentjes, dat wel, maar je moest ze er zelf nog inkleven.
Gelukkig was er ook nog een View-Master, met vijf ronde schijfjes dia’s: Tereseke van Lisieux, Het Licht der Bergen (Zwitserse landschappen met bergen, veel bergen), het Keukenhof met zijn indrukwekkende tulpen, de Expo 58 en het koningshuis.
Als kers op de taart kreeg ik een melodica. Zo’n groen geval met witte en zwarte toetsen. Ik moet toegeven: verder dan de eerste noten van Broeder Jacob ben ik nooit geraakt. Maar in één onderdeel was ik bijzonder bedreven: het verwijderen van mijn zever, letterlijk, uit het toestel. Achteraan zat een klein knopje, en als je daarop drukte, kwam de nattigheid via een rond sponsje naar buiten. Een technisch wonder voor zijn tijd.
Dat was het dan. Nee, ik zou liegen. Mijn moeder had mij nog een missaal gegeven. Een boek vol volstrekt onbegrijpelijke liturgische teksten. Een schitterend cadeau voor een jongen van zeven.
De calvarietocht van die dag werd beëindigd bij een oude tante van mijn moeder. Wij noemden ze tante Letter-cijfer, dat verwees naar haar voornaam, L4 ofte Elvire. Ik had schrik van dat mens. Om het plastisch uit te drukken: als we op bezoek gingen, deed de kaken van mijn gat bravo van schuwte.
Een lelijker mens heeft er, van tien negen, nooit bestaan. Een geluk voor haar dat er geen jacht meer gemaakt werd op heksen, of ze zou op de eerste rij gestaan hebben wanneer het vuur werd aangestoken. Ze was zó mager dat ze twee keer moest binnenkomen om haar één keer te zien. Mijn vader zei dat ze kasseistenen in haar zakken moesten steken, anders waaide ze zo de vaart in. Daarbij was ze ook nog heel klein. Mijn ervaring leert mij dat de kleinsten de ergsten zijn. Ze zijn vaak laag bij de grond. Je mag ze niet onderschatten.
Op haar linkerkaak stond een pukkel met drie onbuigzame, rechtopstaande haren. Je moest ten allen prijze vermijden dat tante L4 je embrasseerde; zoniet waren de bloederige gevolgen niet te overzien.
Ze had ook haar gebit tegen. Dat leek op een afgebrand Afrikaans dorp. Ik heb het over een gebit, maar feitelijk had ze nog maar één tand: een donker geval, midden in de onderste tandenrij.
Een kam had ze ook niet meer nodig. Zeven haartjes stonden er nog op haar hoofd; voor de rest reikte haar voorhoofd tot aan haar nek.
Gierig was ze ook. Meestal kregen we daar rien du tout met mosterd. En als we al iets kregen, was het net genoeg om een tand mee te vullen. Tante Elvier was precies geopereerd aan haar geefklieren. Een cadeautje zat er nooit in. Eén keer heeft ze een feest gegeven voor de hele familie. Voor het diner had ze vijf broden en twee vissen gekocht, in de hoop dat die zich zouden vermenigvuldigen. Tevergeefs.
Wonder boven wonder had ze voor de gelegenheid wel voor sandwiches gezorgd. Die moest ze nog gaan smeren in haar piepkleine keukentje. Mijn ouders zaten met hun rug naar haar, maar ik kon haar bezig zien. De goeie boter zal nog te hard geweest zijn, want ze stak die in haar tandeloze mond om ze op te warmen voor ze de broodjes smeerde. Een vreselijk zicht.
Ze bekeek me vuil toen ik zei dat ik geen honger meer had. Ik vond het verschrikkelijk om te zien hoe mijn ouders hun belegde broodjes smakelijk naar binnen speelden.
Mijn eerste communie, ik zal deze prachtige dag nooit meer vergeten. Amen.















