“Steeds meer Belgen willen vroeger stoppen met werken.”
Het klinkt als een alarmsignaal. Alsof onze arbeidsethos afbrokkelt, alsof we massaal op zoek zijn naar een snelle exit uit het systeem. Maar wie dieper kijkt, ziet iets anders. Geen luiheid, maar een duidelijke verschuiving in hoe mensen naar werk en leven kijken.
De cijfers liegen er niet om. Vandaag geeft maar liefst 92% van de Belgische werknemers aan dat ze liefst vóór de wettelijke pensioenleeftijd willen stoppen. Twee jaar geleden was dat nog ongeveer 80%. Vooral jongeren vallen op: meer dan de helft van twintigers en dertigers droomt ervan om zelfs vóór hun zestigste af te haken. Tegelijk blijft men realistisch: minder dan de helft denkt dat dit effectief haalbaar is.
Dat spanningsveld zegt veel. Mensen willen vroeger stoppen, maar verwachten daarentegen wel dat ze langer zullen moeten werken.
De meeste mensen willen nochtans nog steeds actief blijven. Ze willen zich nuttig voelen, bijdragen, betekenis ervaren. Wat ze steeds minder willen, is jarenlang vastzitten in werk dat energie wegneemt, autonomie beperkt en weinig ruimte laat voor een leven daarnaast. De roep om vroeger te stoppen met werken is dan ook geen afwijzing van werk op zich, maar van een manier van werken die niet langer past bij wat mensen nodig hebben.
We hebben werk decennialang centraal geplaatst in ons leven. Het bepaalde wie we zijn, gaf structuur, status en zekerheid. Vandaag zien we dat die vanzelfsprekendheid begint te wankelen. Steeds meer mensen stellen zich vragen die vroeger zelden hardop werden uitgesproken: is dit het nog waard, wil ik dit blijven doen tot mijn 66 of zelfs 67, wat kost dit mij op vlak van energie, gezondheid en tijd?
Opvallend is dat vooral jongere generaties aangeven dat ze vroeger willen stoppen. Dat wordt soms weggezet als gemakzucht, maar misschien zijn zij gewoon eerlijker. Ze hebben gezien wat het klassieke model heeft opgeleverd: lange carrières met een hoge tol op mentaal en fysiek welzijn, dromen die uitgesteld worden tot een later moment dat niet altijd komt.
De echte vraag is dan ook niet waarom mensen vroeger willen stoppen, maar waarom ze het gevoel hebben dat ze dat moeten willen. Want als werk energie geeft, autonomie biedt en ruimte laat voor een leven ernaast, dan wordt langer werken geen verplichting maar een keuze.
Vandaag proberen beleidsmakers dat gedrag te sturen met financiële prikkels, zoals een pensioenbonus of -malus. Maar ook daar tonen de cijfers een duidelijke realiteit: ongeveer 70% van de werknemers is gekant tegen een malus voor wie vroeger stopt. Met andere woorden, verplichten werkt niet. Motivatie laat zich niet afdwingen.
Vanuit de Boomager-filosofie zie je dat mensen daar op verschillende manieren mee omgaan. Sommigen willen blijven creëren, anderen kiezen bewust voor levenskwaliteit, zingeving of rust. Wat hen verbindt, is niet de wens om niet meer te werken, maar vooral de behoefte om anders te werken.
Daar zit ook de spanning waar we vandaag als samenleving tegenaan lopen. We leven langer en dus moeten we economisch gezien ook langer actief blijven. Tegelijk groeit het verlangen om het anders aan te pakken. Die spanning proberen we vaak op te lossen met regels en cijfers. Maar in essentie gaat dit over iets anders: hoe werk aanvoelt, en welke plaats het inneemt in een mensenleven.
Als we willen dat mensen langer betrokken blijven, dan moeten we stoppen met hen te overtuigen en beginnen met luisteren. Niet langer de vraag stellen hoe we mensen langer aan het werk houden, maar hoe we werk opnieuw de moeite waard maken.
Misschien is het dus geen probleem dat mensen vroeger willen stoppen met werken. Het is misschien net een kans. Een kans om werk opnieuw uit te vinden, om leven en werken beter op elkaar af te stemmen en om eerlijker te worden over wat mensen vandaag nodig hebben.
Want uiteindelijk wil niemand stoppen met leven. Alleen met een manier van werken die daar niet meer bij past.
(bron: Acerta-onderzoek)














