Voor alle duidelijkheid: verwacht van mij hier geen donderpreek van pater Stefaan uit de orde der geheelonthouders, met een opgeheven wijsvinger boven uw glas. Daarvoor ben ik niet alleen slecht geplaatst, ik zou mijzelf ook behoorlijk belachelijk maken. Ik heb in de loop der jaren heel wat boeken en artikels geschreven over wijn, whisky, bier en andere dranken, producenten bezocht, distilleerderijen bekeken, met kenners gesproken en uiteraard ook het een en ander geproefd. Soms zelfs meer dan het een en ander. Er is bovendien een periode in mijn leven geweest waarin ik meer dronk dan achteraf gezien verstandig was, om allerlei redenen die op het moment zelf bijzonder overtuigend leken.
Vandaag hoeft alcohol voor mij niet meer. Niet omdat ik plots moreel verheven boven de rest van de mensheid zweef, maar omdat ik op een bepaald ogenblik besloot dat ik het niet meer nodig had en tot mijn eigen verbazing vaststelde dat het leven daarna gewoon verderging.
Daarom intrigeert mij de heisa rond die paar woorden die voortaan veel nadrukkelijker bij alcoholreclame moeten verschijnen: alcohol schaadt de gezondheid. Niet langer de veel comfortabelere boodschap dat alcoholmisbruik schadelijk is, waarmee wij jarenlang konden denken dat het probleem voornamelijk bij die andere man aan de toog zat die duidelijk één pint te veel had besteld.
En plots staat een deel van Vlaanderen op zijn achterste poten. Want één glaasje kan toch geen kwaad? Een glas rode wijn is toch goed voor het hart? Een pint met vrienden hoort bij het sociale leven? Champagne hoort bij een feest, een whisky helpt ontspannen en zonder een glaasje op een receptie staat iedereen maar wat ongemakkelijk naar zijn schoenen te kijken?
En dan verschijnt onvermijdelijk grootvader ten tonele, of nonkel Andre. U kent hem wel. De gezellige bon vivant die iedere dag twee jenevers dronk, een pak sigaretten rookte, spek met eieren at, al die jaren rijkelijk boter gebruikte in de wetenschap dat cholesterol nog moest worden uitgevonden en toch 94 werd. Die man moet statistisch zowat de meest voorkomende grootvader van België zijn. Over zijn broer die op zijn 58ste overleed en nog meer zoop, horen we merkwaardig genoeg veel minder.
Eén glaasje was vroeger zelfs gezond
We moeten eerlijk zijn: de verwarring hebben we niet helemaal zelf veroorzaakt. Jarenlang werd ook in medische kringen gesuggereerd dat matig alcoholgebruik weinig kwaad kon en dat vooral rode wijn misschien zelfs bescherming bood tegen hart- en vaatziekten.
Daar is de wetenschap veel voorzichtiger over geworden. De Wereldgezondheidsorganisatie stelt tegenwoordig dat er geen hoeveelheid alcohol kan worden aangewezen waarbij het gezondheidsrisico volledig nul is. Alcohol is bovendien door het International Agency for Research on Cancer geklasseerd als een bewezen kankerverwekkende stof en verhoogt onder meer het risico op kanker van mond, keel, slokdarm, lever, darm en borst.
Dat betekent natuurlijk niet dat iemand die vanavond één glas bordeaux drinkt morgenochtend ziek wakker wordt. Risico werkt niet op die manier. Het betekent dat het vroegere simpele onderscheid tussen “gezellig gebruik” en “ongezond misbruik” wetenschappelijk minder netjes blijkt te zijn dan wij graag zouden willen.
En misschien is dat precies wat ons stoort. Niemand komt uw fles wijn in beslag nemen. Niemand sluit het café. Niemand verbiedt champagne op een huwelijk. Er wordt alleen gezegd dat alcohol op zichzelf niet gezond is. Blijkbaar slikken we dat moeilijker dan de alcohol zelf.
Waarom drinken we eigenlijk?
Dat vind ik persoonlijk een veel boeiender vraag dan de zoveelste discussie over wat de overheid op een reclamebord mag zetten. Waarom drinken wij alcohol?
Het eerste antwoord is eenvoudig: omdat we het lekker vinden. Dat geloof ik meteen. Wie ooit een mooie wijn, een degelijk gebrouwen bier of een zorgvuldig gerijpte whisky heeft geproefd, weet dat smaak, aroma, vakmanschap en traditie werkelijk bestaan. Ik heb er zelf genoeg over geschreven om dat nu niet plots weg te zetten als collectieve waanzin.
Maar vervolgens komen er opvallend veel andere redenen. We drinken omdat het gezellig is, omdat we ons dan losser voelen, omdat het de tong losmaakt, omdat we gemakkelijker praten met onbekenden, omdat we iets te vieren hebben, omdat we willen ontspannen, omdat een glas bij het eten hoort, omdat iedereen er eentje neemt, omdat we een moeilijke dag achter de rug hebben of omdat het simpelweg vrijdag is.
Psychologisch onderzoek naar drinkmotieven onderscheidt grofweg vier belangrijke redenen: mensen drinken om positieve gevoelens te versterken, om negatieve emoties te verzachten, om sociale contacten gemakkelijker te maken of om zich aan een groep aan te passen. Alcohol als “sociaal smeermiddel” is dus zeker niet volledig verzonnen.
Alleen kunnen we ons afvragen hoeveel van dat effect werkelijk uit de alcohol komt en hoeveel uit verwachting en gewoonte.
Wanneer iemand zegt dat hij op een receptie twee glazen wijn nodig heeft om gemakkelijker met onbekenden te praten, doet de wijn namelijk zelf opmerkelijk weinig aan dat gesprek. De druif kent uw gesprekspartner niet, de fles beschikt niet over sociale vaardigheden en de kurk vertelt bij mijn weten geen goeie mop.
We hebben alleen geleerd dat wijn gezelligheid betekent, bier kameraadschap, champagne feest en whisky ontspanning. Het glas wordt een signaal aan ons eigen brein: nu mogen we loskomen.
En als dat zo is, wordt het toch interessant om eens te proberen of datzelfde brein zich ook met een alcoholvrij glas laat bedotten.
Gezellig zonder promille
Dat blijkt wonderwel te lukken. Mensen blijven ook zonder alcohol praten, lachen, flauwe grappen vertellen, herinneringen ophalen en soms veel te lang aan tafel zitten. Alcoholvrije bieren zijn tegenwoordig in veel gevallen uitstekend, de keuze aan alcoholvrije aperitieven is enorm uitgebreid en niemand verbiedt ons om een mooi glas vast te houden omdat er toevallig geen ethanol in zit.
Toch valt op hoe merkwaardig onze sociale omgang met niet-drinkers soms blijft. Wie zijn derde glas wijn bestelt krijgt zelden de vraag waarom hij drinkt; wie mineraalwater bestelt moet soms uitleggen waarom hij niet drinkt.
“Drink jij niet?”
Dat kan bijna klinken als: “Heb jij geen televisie?”
Misschien zegt dat meer over onze verhouding tot alcohol dan over degene die het glas water bestelt.
De niet-drinker op café
Als niet-drinker voel ik mij op café soms een beetje zoals een gekleurde medemens die per vergissing op een bijeenkomst van de Ku Klux Klan is binnengelopen: vooral in de schaduw blijven, niet te veel bewegen en hopen dat niemand merkt wat er in mijn glas zit. Voor alle duidelijkheid, voor iemand nu van zijn stoel valt: die vergelijking is natuurlijk compleet bij het haar getrokken en historisch van een totaal andere, veel gruwelijker orde. Maar kijk, ik heb nu wel uw aandacht, en daar ging het mij even om.
Want zodra aan de toog ontdekt wordt dat ik geen alcohol drink, begint het ritueel. “Wat? Helemaal niets?” Nee. “Ook geen wijntje?” Nee. “Geen pintje?” Nog altijd nee. Vervolgens komen de klassieke dooddoeners, stuk voor stuk zo versleten dat ze waarschijnlijk samen met de eerste Belgische caféstoel werden geleverd. “We mogen toch nog plezier hebben?” Zeker, en ik hoop zelfs uitbundig, maar ik wist niet dat daarvoor een minimumpromillage gold. “Eentje kan toch geen kwaad?” Misschien niet, maar dat lijkt mij nog geen dwingende reden om hem op te drinken. “Je moet toch érgens aan doodgaan.” Absoluut. Ik heb alleen nooit begrepen waarom ik daar zelf haast achter zou moeten zetten.
En dan mijn favoriet: “Doe niet zo ongezellig.” Dat blijft merkwaardig, want niemand vraagt aan degene die zijn vierde Duvel bestelt waarom hij dat nodig vindt, terwijl mijn bruiswater — of, nog erger voor de traditionele drinkebroer, een behoorlijk ingewikkelde mocktail met limoen, verse munt, gember, een scheut passievrucht, wat granaatappelpitten, crushed ice, een halve botanische tuin als garnering en bovenop een takje rozemarijn dat eruitziet alsof het speciaal voor Instagram is gekweekt — plots een maatschappelijke kwestie wordt.
Je ziet dan soms zelfs een lichte jaloezie in de ogen van de man die al twintig jaar zonder enige variatie “nog een pintje” bestelt. Eigenlijk zou hij ook wel zo’n kleurrijk bouwwerk willen proberen, alleen durft hij het niet goed te vragen omdat drie collega-drinkebroers naast hem dan waarschijnlijk meteen willen weten of er iets met hem scheelt. Dus bestelt hij toch maar weer dezelfde pils, werpt nog één verlangende blik op mijn glas en doet alsof hij vooral medelijden met míj heeft.
Ik probeer intussen vooral vriendelijk te glimlachen. Niet omdat ik bang ben dat ze mij buitenzetten, maar omdat ik alle argumenten inmiddels ken en weet dat er na “ééntje kan toch geen kwaad” meestal nog minstens drie rondes discussie volgen. Het goede nieuws is dat ik zonder alcohol nog steeds kan lachen, zeveren, te lang blijven hangen en mij de volgende ochtend zelfs herinneren waarom het zo laat en zo gezellig geworden is.
Stoppen met drinken is verschrikkelijk moeilijk
Al moeten we natuurlijk ernstig blijven. Voor mensen die werkelijk alcoholafhankelijk zijn kan stoppen bijzonder moeilijk zijn en bij zware lichamelijke afhankelijkheid zelfs medische begeleiding vereisen. Afhankelijkheid los je niet op met de mededeling dat iemand zich maar wat sterker moet houden.
Maar voor iemand zonder lichamelijke afhankelijkheid zit er toch een grappige logica in het begrip “stoppen”. Alcohol drinken vraagt namelijk behoorlijk wat inspanning. Je moet naar de winkel of de bar, iets kiezen, betalen, de fles openen, een glas nemen, inschenken, het glas naar je mond brengen en slikken. Niet drinken is technisch veel eenvoudiger: je hoeft gewoon NIETS te doen.
Het moeilijke is dus niet het niet-drinken. Het moeilijke is wat zich intussen tussen onze oren afspeelt: zin, gewoonte, verwachting, het ritueel, de gedachte dat we het verdiend hebben en dat ene verraderlijke zinnetje: “Eentje kan toch geen kwaad?”
Daarom vind ik “ik kan stoppen wanneer ik wil” eigenlijk minder interessant dan een andere vraag. Waarom zou ik het vervelend vinden als ik het vandaag eens niet doe?
En dan komt de rekening
Tot zover het glas. Nu even de rekenmachine.
Belgische huishoudens besteedden in 2023 ongeveer 4,25 miljard euro aan alcoholische dranken. Dat is de uitgavenpost voor alcohol zelf; drank die in cafés en restaurants wordt geserveerd, zit in de nationale statistieken voor een belangrijk deel onder horeca en maakt een exacte totaalsom dus lastiger.
Met een Belgische bevolking van ongeveer 11,7 miljoen inwoners komt 4,25 miljard euro ruwweg overeen met zo’n 360 euro per inwoner per jaar, kinderen en mensen die helemaal niet drinken inbegrepen. Onder de mensen die werkelijk alcohol kopen, ligt het gemiddelde vanzelfsprekend hoger.
En ja, de overheid drinkt fiscaal een glaasje mee. Volgens de gerealiseerde federale ontvangsten brachten de verschillende alcoholaccijnzen in 2023 samen ongeveer 773 miljoen euro op: accijnzen op bier, niet-mousserende wijn en andere gegiste dranken, mousserende dranken, tussenproducten en ethylalcohol.
Daarnaast betaalt de consument op alcohol 21 procent btw. Wanneer we puur rekenkundig vertrekken van 4,25 miljard euro aan consumentenuitgaven waarin die btw inbegrepen zit, vertegenwoordigt het btw-gedeelte ongeveer 738 miljoen euro.
Samen komen we dus in de orde van grootte van anderhalf miljard euro per jaar aan btw en alcoholaccijnzen.
Dat is geen exact bedrag dat we als “winst van de staat op alcohol” mogen presenteren, omdat de statistieken niet perfect dezelfde markt afdekken. Alcohol in de horeca zit bijvoorbeeld anders geregistreerd en de overheid ontvangt daarnaast ook nog belastingen en sociale bijdragen uit brouwerijen, handel en horeca. Maar als orde van grootte kunnen we wel zeggen dat alcohol de Belgische schatkist rechtstreeks zeer veel geld oplevert.
Daar staat alleen nog een andere rekening tegenover.
Wat kost dat glas ons daarna?
De meest uitgebreide Belgische studie naar de gezondheidsgerelateerde maatschappelijke kosten van alcohol becijferde voor 2012 ongeveer 906 miljoen euro aan directe kosten, vooral ziekenhuiszorg, artsencontacten en andere medische uitgaven. Daarbovenop kwamen ongeveer 643 miljoen euro aan indirecte kosten, onder andere door arbeidsongeschiktheid en vroegtijdig overlijden.
Samen: ongeveer 1,55 miljard euro. En zelfs daarmee was de rekening niet volledig. De onderzoekers berekenden dat alcohol in datzelfde jaar verantwoordelijk was voor ongeveer 157.000 verloren gezonde levensjaren. Wanneer ook dat verlies aan levenskwaliteit economisch wordt gewaardeerd, kwamen zij nog op ongeveer 6,3 miljard euro aan zogenaamde immateriële maatschappelijke kosten. Dat laatste bedrag is uiteraard geen rekening die letterlijk door de ziekenkas wordt betaald, maar een economische waardering van ziekte, beperkingen en vroegtijdig overlijden.
We moeten hier wel twee dingen uit elkaar houden. De kostencijfers dateren van 2012 en kunnen dus niet zonder meer tegenover belastinginkomsten uit 2023 worden gezet. Bovendien zijn maatschappelijke kosten iets anders dan federale overheidsuitgaven: ook werkgevers, gezinnen, patiënten en de economie dragen een deel.
Maar één populaire redenering wordt hierdoor toch moeilijk vol te houden: dat alcohol zichzelf via belastingen wel terugbetaalt. Zelfs in de Belgische studie bedroegen de directe medische kosten alleen al 906 miljoen euro. Voeg je ziekteverzuim en vroegtijdige sterfte toe, dan zat men toen al op meer dan anderhalf miljard euro, nog vóór verloren levenskwaliteit werd meegerekend.
Het glas betaalt dus een stevige bijdrage aan de schatkist.
Maar de rekening verdwijnt daarmee niet.
Een merkwaardig dier, die mens
We moeten alcohol niet als een absoluut en boosaardig kwaad voorstellen. De mens is bijzonder bedreven in dingen doen waarvan hij perfect weet dat ze niet ideaal zijn maar die toch om een of andere reden aangenaam kunnen zijn.
We weten dat roken ongezond is en steken toch een sigaret op. We weten dat zeven pralines niet noodzakelijk beter zijn dan drie, maar eten nummer acht omdat die anders alleen in de doos achterblijft. We weten dat bewegen gezond is en nemen de auto om vijfhonderd meter verder brood te halen. We weten dat voldoende slaap belangrijk is en beginnen om kwart voor twaalf toch nog aan één aflevering.
En vervolgens heffen we een glas alcohol en zeggen: “Op uw gezondheid!” Mocht ooit een buitenaardse beschaving onze soort bestuderen, dan lijkt mij dat toch een van de moeilijkere gebruiken om uit te leggen.
Moet dat glas dan weg?
Van mij helemaal niet. Wie vanavond een mooie fles wijn wil openen, een speciaalbier met vrienden wil drinken of champagne wil schenken omdat er iets te vieren valt, moet dat vooral zelf beslissen. Ik ga niet naast iemand aan de toog zitten met een WHO-folder in de hand om te vragen of zijn Tripel Karmeliet werkelijk noodzakelijk was.
Het lijkt mij zelfs een bijzonder treurig leven wanneer iedere menselijke genoegdoening eerst door een medisch kosten-batenmodel moet.
Een praline hoeft niet gezond te zijn om lekker te mogen zijn. Frieten dienen geen superfood te worden. En een glas wijn moet al evenmin tot vitaminepreparaat worden uitgeroepen voordat iemand ervan mag genieten.
Misschien zit precies daar de volwassen benadering. We moeten onszelf niet wijsmaken dat alcohol gezond is om het te mogen drinken. We kunnen perfect zeggen: ik weet dat dit mijn gezondheid niet verbetert, maar ik kies ervoor om af en toe een glas te drinken omdat ik ervan geniet. Dat is iets heel anders dan onszelf overtuigen dat twee glazen rode wijn eigenlijk een soort vloeibare cardioloog zijn.
Zelf heb ik intussen genoeg wijn, bier, whisky en andere dranken gezien, geproefd en beschreven om te weten wat er allemaal voor moois in een glas kan zitten. Ik heb interessante mensen ontmoet dankzij die wereld en er met plezier boeken en artikels over geschreven.
Maar voor mij hoeft het vandaag niet meer. En het opmerkelijke is dat gezelligheid nog altijd gezellig blijkt te zijn, een goed gesprek niet plots stilvalt omdat mijn glas geen alcohol bevat en een mooie avond de volgende ochtend zelfs enkele voordelen blijkt te hebben wanneer je hem nog volledig kunt reconstrueren.
Dat is mijn keuze. Een ander mag gerust een andere maken. Misschien is dat uiteindelijk vrijheid: niet eisen dat alles wat we graag doen gezond wordt verklaard, maar weten wat de gevolgen kunnen zijn en daarna zelf beslissen.
Dus ja, alcohol schaadt de gezondheid. Dat is geen pretbederver maar objectieve informatie. U kunt daar boos over worden, u kunt er een glas op drinken of u kunt er eens over nadenken. En misschien kunnen we daarbij af en toe best wat dieper in het glas kijken en ons afvragen waarom we er eigenlijk zo graag naar grijpen.
Alleen niet té diep.
Voor je het weet val je erin.
De rekening in één oogopslag
Voor wie na al dat drinken van cijfers nog nuchter genoeg is om mee te rekenen: Belgische huishoudens besteedden in 2023 ongeveer 4,25 miljard euro aan alcoholische dranken. De federale alcoholaccijnzen brachten dat jaar ongeveer 773 miljoen euro op. Het theoretische btw-aandeel in 4,25 miljard euro consumentenuitgaven bedraagt bij 21 procent btw ongeveer 738 miljoen euro. De rechtstreekse en indirecte maatschappelijke gezondheidskosten werden in de uitgebreidste Belgische studie, met 2012 als referentiejaar, op ongeveer 1,55 miljard euro geraamd; inclusief de economische waardering van verloren levenskwaliteit liep de geschatte schade nog vele miljarden hoger op.
Het glas is dus niet goedkoop.
Niet aan de kassa, niet voor de schatkist en soms ook niet daarna.


















