HomeACTUEELNog maar eens besparen

Nog maar eens besparen

Over de vele miljarden die alweer moeten gevonden worden

Van de oliecrisis tot de vergrijzing, van Wilfried Martens tot Bart De Wever: de regeringen veranderen, de begrotingsgaten blijven en de rekening is steevast voor morgen. Alleen begint dat morgen verdacht veel op vandaag te lijken.

Ik weet niet hoe het met jullie zit, maar wanneer ik tegenwoordig het woord besparingen hoor, krijg ik een merkwaardig gevoel van herkenning. Geen paniek, geen onmiddellijke aandrang om mijn spaarboekje onder de matras te verstoppen en evenmin de onweerstaanbare behoefte om met een spandoek naar Brussel te trekken. Het is eerder dat vertrouwde gevoel dat je krijgt wanneer een oude kennis onverwacht opnieuw voor je deur staat. Je hebt hem al jaren niet gezien, hij ziet er wat ouder uit, draagt tegenwoordig een ander kostuum, maar nog voor hij zijn mond opendoet weet je precies wat hij komt vertellen.

Er moet bespaard worden. Dringend zelfs. Want als we nu niet ingrijpen, wacht ons later een ramp. Dat hoor ik intussen al ruim een halve eeuw. Ik ben geboren in 1963, behoor dus tot die generatie die tegenwoordig afwisselend wordt aangesproken als babyboomer, boomer, senior, oudere, 60-plusser of, wanneer de betrokken instantie bijzonder weinig fantasie heeft, bejaarde. Zelf voel ik mij het meest thuis bij de boomagers, die merkwaardige soort mensen die al aardig wat kilometers op de teller hebben, maar daarom nog niet bereid zijn zich zonder protest naar de maatschappelijke pechstrook te laten verwijzen.

En wij hebben in ons leven al nogal wat moeten besparen. Tenminste, dat werd ons voortdurend verteld. Wanneer ik alle begrotingsinspanningen die ik sinds mijn jeugd heb meegemaakt bij elkaar zou optellen, zouden we ondertussen toch minstens het rijkste land van het zonnestelsel moeten zijn. Met een staatskas waar de biljetten uitpuilen, een gouden randje aan iedere sociale zekerheid en een minister van Begroting die zich uit verveling bezighoudt met het tellen van de paperclips.

De werkelijkheid is iets minder feestelijk. De Vlaamse regering heeft zopas opnieuw een forse besparingsoperatie aangekondigd en op federaal niveau hangt alweer een stevige begrotingsronde boven onze hoofden. De cijfers zijn ernstig, zeggen de regeringspartijen, en we moeten vandaag onze verantwoordelijkheid nemen om morgen niet in de problemen te komen. Ik zou het graag geloven. Het probleem is alleen dat ik het al zo vaak heb geloofd.

Toen de benzine duur werd en de toekomst begon te kosten

Mijn eerste bewuste herinneringen aan economische rampspoed dateren uit de jaren zeventig. De oliecrisis van 1973 bracht een schok teweeg in een samenleving die gewend was geraakt aan groei, stijgende welvaart en het prettige vooruitzicht dat de kinderen het vanzelf beter zouden krijgen dan hun ouders.

Plots werd energie peperduur, verschenen er berichten over tekorten en werd zelfs de autoloze zondag een begrip. Dat laatste klinkt voor jongere generaties misschien als een sympathiek ecologisch initiatief, maar de aanleiding was destijds een stuk minder vrolijk. De wereld ontdekte dat economische vooruitgang ook afhankelijk was van grondstoffen waarover we zelf nauwelijks iets te zeggen hadden.

Er was voor mij persoonlijk ook een pluspunt, namelijk die fameuze autoloze zondagen. Voor het eerst kon ik zomaar rolschaatsen in het midden van de straat en naar hartenlust fietsen zonder bang te moeten zijn door een wegpiraat omver gemaaid te worden.

Daarna volgde een tweede oliecrisis, aan het einde van de jaren zeventig, met nieuwe economische problemen, werkloosheid en financiële kopzorgen. België kreeg het moeilijk en de politici vertelden ons dat de tering naar de nering moest worden gezet. Een prachtige uitdrukking trouwens, die in politieke kringen zo vaak is gebruikt dat de oorspronkelijke tering intussen vermoedelijk met pensioen is.

In de jaren tachtig kregen we Wilfried Martens, jarenlang premier en het gezicht van regeringen die met zware economische problemen worstelden. Er kwamen besparingen, loonmatiging, indexsprongen en ingrepen die voor veel mensen behoorlijk voelbaar waren. De Belgische frank werd in 1982 gedevalueerd en de bevolking kreeg te horen dat offers noodzakelijk waren om onze concurrentiekracht te herstellen en de economie opnieuw gezond te maken.

Laten we eerlijk zijn: sommige maatregelen waren nodig en hebben ook resultaten opgeleverd. België had ernstige structurele problemen en zomaar verder doen was geen optie. Het zou bijzonder gemakkelijk zijn om vanuit 2026 alle vroegere regeringsleiders voor onbekwame knoeiers uit te maken, maar daarmee zouden we de geschiedenis onrecht aandoen.

Alleen bleef één merkwaardig verschijnsel overeind. Na iedere zware sanering kwam vroeg of laat een nieuwe sanering, met nieuwe verklaringen waarom de vorige inspanning nog niet voldoende was geweest. De economie groeide, België werd welvarender, de levensstandaard ging er voor velen op vooruit en toch bleek er op gezette tijden opnieuw een gapend gat in de begroting te zitten.

Van Martens tot De Wever: de begroting slaat regelmatig tilt

In de jaren negentig moesten we onze overheidsfinanciën op orde brengen om mee te kunnen stappen in de Europese muntunie. Maastricht werd een begrip en het begrotingstekort een cijfer waar zelfs mensen die nog nooit vrijwillig een economisch rapport hadden opengeslagen een mening over kregen.

Onder Jean-Luc Dehaene werden stevige maatregelen genomen om België klaar te stomen voor de euro. Later kregen we Guy Verhofstadt, de financiële crisis van 2008, de moeilijke regeringsvorming onder Elio Di Rupo, de hervormingen van Charles Michel, de coronajaren onder Alexander De Croo en inmiddels de regering van Bart De Wever.

Iedere periode had haar eigen problemen, die we zeker niet allemaal op één hoop mogen gooien. Een bankencrisis is geen oliecrisis, een pandemie is geen klassieke economische recessie en een oorlog die de energieprijzen opdrijft laat zich niet oplossen met een wat zuiniger begrotingsboekje.

Maar toch. Ik zou vandaag graag eens een politicus horen uitleggen waarom we, na al die decennia waarin we zo geregeld onze verantwoordelijkheid hebben genomen, nog altijd worden aangesproken als een gezin dat dringend moet leren omgaan met zijn huishoudgeld.

En dan is er nog iets dat mij bijzonder fascineert. De regeringspartijen leggen ons uit dat de problemen veel te lang zijn blijven liggen en dat er nu eindelijk moeilijke maar noodzakelijke beslissingen moeten worden genomen. Dat klinkt ferm, daadkrachtig en verantwoordelijk. Alleen hebben nogal wat van die partijen, of hun politieke voorgangers, ook in vroegere regeringen gezeten.

Dus mag een gewone burger toch vragen waarom ze destijds niet wat doortastender zijn geweest?

Dat betekent uiteraard niet dat iedere huidige minister persoonlijk aansprakelijk is voor alles wat zijn partij de afgelopen veertig jaar heeft gedaan. Politieke verantwoordelijkheid kent grenzen en de omstandigheden veranderen. Maar een beetje historisch geheugen zou de politieke geloofwaardigheid geen kwaad doen.

Wie vandaag zegt dat de problemen jarenlang werden doorgeschoven, zou er best ook even bij vertellen wie er al die jaren mee aan het stuur zat.

De meerderheid waarschuwt, de oppositie roept en de burger betaalt

Het politieke schouwspel is ondertussen bijna zo voorspelbaar geworden als de jaarlijkse aankomst van Sinterklaas, al bestaat er bij de begrotingsonderhandelingen beduidend minder zekerheid dat er iets in onze schoen zal liggen.

De meerderheid waarschuwt voor de dramatische gevolgen van nietsdoen. Onze kinderen en kleinkinderen zullen de prijs betalen, de schulden lopen op, de financiële markten worden zenuwachtig en Europa kijkt streng over onze schouder mee.

De oppositie spreekt over sociale afbraak, onrechtvaardige maatregelen en gezinnen die opnieuw het gelag betalen. Vakbonden kondigen protestacties aan, werknemers vrezen voor hun koopkracht, ondernemers klagen over de lasten en gepensioneerden kijken met argusogen naar alles wat met hun pensioen of gezondheidszorg te maken heeft.

Iedereen heeft wel ergens een punt. En precies daardoor is het zo ingewikkeld.

Een regering die waarschuwt voor oplopende schulden verkoopt niet noodzakelijk bangmakerij. Een oppositiepartij die vraagt wie de zwaarste lasten draagt, doet evenmin per definitie aan goedkoop populisme. Er bestaat een wezenlijk verschil tussen noodzakelijke hervormingen en maatregelen waarvan de rekening vooral bij de zwakste schouders terechtkomt.

Maar de manier waarop de discussie wordt gevoerd, doet soms vermoeden dat onze politici over twee verschillende landen spreken. In het ene land staan we aan de rand van het financiële ravijn en is ieder uitstel onverantwoord. In het andere land is er eigenlijk voldoende geld, zolang we het maar bij de juiste mensen gaan halen.

De werkelijkheid zal, zoals wel vaker, een stuk ingewikkelder zijn. We hebben zowel een probleem met de beschikbare middelen als met de manier waarop we die verdelen, uitgeven en soms verspillen.

Zelf zou ik graag wat minder horen over wie de grootste ramp kan voorspellen en wat meer over hoe we die ramp gezamenlijk kunnen vermijden. Maar dat levert vermoedelijk minder spannende televisie op.

De vergrijzing: een complete verrassing die al zeventig jaar onderweg is

Een van de belangrijkste argumenten die tegenwoordig telkens weer opduiken, is de vergrijzing. Er komen meer ouderen, de mensen leven langer, de pensioenen en gezondheidszorg kosten almaar meer en de verhouding tussen werkenden en gepensioneerden wordt ongunstiger.

Allemaal waar. En allemaal belangrijk.

Maar mag ik toch even iets vragen? Sinds wanneer is de vergrijzing eigenlijk een verrassing?

De babyboom na de Tweede Wereldoorlog staat al decennialang in de geschiedenisboeken. Die kinderen werden jongeren, vervolgens volwassenen, daarna vijftigers en zestigers, en vandaag bereiken steeds meer leden van die omvangrijke generatie de pensioenleeftijd of zijn ze al gepensioneerd.

Dat is een demografische evolutie die je ongeveer een mensenleven vooraf kunt zien aankomen. Je hoeft daarvoor niet over de voorspellende gaven van Nostradamus te beschikken. Een geboorteakte, een rekenmachine en enig elementair inzicht in de menselijke levensloop volstaan ruimschoots.

Toch wordt de vergrijzing geregeld voorgesteld als een naderende tsunami die ons plotseling overvalt. Politici reageren soms met de verbazing van iemand die op zijn zeventigste verjaardag ontdekt dat hij niet langer vijfentwintig is.

We hadden dit toch kunnen plannen?

En eerlijkheidshalve moet ik daaraan toevoegen dat er ook wel degelijk over is nagedacht. België richtte al in 2001 een Studiecommissie voor de Vergrijzing op, die sindsdien jaarlijks de financiële en sociale gevolgen onderzoekt. We hebben pensioenmaatregelen genomen, de wettelijke pensioenleeftijd verhoogd en verschillende hervormingen doorgevoerd.

Het probleem is dus niet dat niemand iets heeft zien aankomen of dat er nooit iets is gebeurd. De veel interessantere vraag is of we voldoende hebben gedaan, of we tijdig de juiste keuzes hebben gemaakt en waarom we blijkbaar zo moeilijk politieke overeenstemming bereiken over problemen waarvan iedereen weet dat ze niet vanzelf verdwijnen.

Misschien is dat wel de grootste zwakte van ons politieke systeem. Een legislatuur duurt enkele jaren, een pensioenstelsel moet generaties meegaan. En een politicus die vandaag iets onaangenaams beslist om over dertig jaar een probleem te vermijden, kan er vrij zeker van zijn dat zijn opvolger met de complimenten gaat lopen.

Minder baby’s, meer tachtigplussers en een rekening zonder einddatum

En net wanneer we beginnen te begrijpen hoe de vergrijzing onze samenleving verandert, dient zich een volgend vraagstuk aan. Er worden minder kinderen geboren dan vroeger.

Volgens de Belgische statistiekdienst Statbel werden in 2025 iets meer dan 108.000 kinderen geboren. Dat waren er ongeveer 4.400 minder dan het gemiddelde van de vier voorgaande jaren. Het aantal geboorten bleef tegenover 2024 wel vrijwel stabiel, maar de langere ontwikkeling is duidelijk: we krijgen gemiddeld aanzienlijk minder kinderen dan nodig zou zijn om de bevolking zonder migratie op peil te houden.

Het gemiddelde bedraagt ongeveer 1,4 kinderen per vrouw. Dat is geen tijdelijke afwijking van een paar maanden, maar een ontwikkeling die de toekomstige samenstelling van onze bevolking ingrijpend kan veranderen.

En daar zit voor mij misschien wel de meest interessante vraag van allemaal. Wanneer de huidige vijftigers, zestigers en zeventigers ouder worden, zal de samenleving meer middelen moeten besteden aan pensioenen, gezondheidszorg en ouderenzorg. Tegelijk groeit het aantal jonge mensen dat de arbeidsmarkt betreedt niet vanzelf mee.

Ons pensioenstelsel steunt voor een belangrijk gedeelte op solidariteit tussen generaties. De bijdragen van wie vandaag werkt, helpen de pensioenen van wie vandaag met pensioen is te financieren. Dat is geen verborgen truc en ook geen systeem dat gisteren door een vergeetachtige minister werd uitgevonden. Het is de basis van een sociaal contract waar we als samenleving bewust voor hebben gekozen.

Alleen wordt dat contract lastiger wanneer de verhouding tussen actieve werknemers en gepensioneerden verandert.

Betekent dit dat onze kleinkinderen straks geen pensioen meer zullen krijgen? Neen, dat is veel te kort door de bocht. De financiering hangt ook af van de werkgelegenheid, de productiviteit, de economische groei, de bijdragen, belastingen en de keuzes die we als samenleving maken.

Maar het betekent wel dat we opnieuw verder moeten kijken dan de eerstvolgende begrotingscontrole. Kinderen die vandaag geboren worden, zullen pas ergens rond het midden van deze eeuw volop bijdragen aan de arbeidsmarkt. De gevolgen van de huidige geboortecijfers worden dus nog tientallen jaren voelbaar.

En dan stel ik mij de vraag of we straks opnieuw zullen moeten vaststellen dat we al die tijd wisten wat eraan kwam, maar niet voldoende hebben gedaan.

Ik zie de krantenkop van 2055 al voor me: Regering kondigt historische besparingen aan om toekomstige generaties te beschermen.

Ergens in een woonzorgcentrum zal dan een inmiddels hoogbejaarde boomer glimlachen en mompelen dat hij dat verhaal toch al eens eerder heeft gehoord.

Zijn wij boomers eigenlijk het probleem?

Over de generaties gesproken: er wordt tegenwoordig nogal gemakkelijk met etiketten gegooid. Babyboomers zouden jarenlang van de welvaart hebben geprofiteerd, goedkope huizen hebben gekocht, vaste banen hebben gehad en nu met hun pensioenen een zware rekening presenteren aan jongere mensen.

Daar zit voor een deel een kern van waarheid in. Sommige leden van onze generatie hebben kunnen profiteren van stijgende vastgoedprijzen, economische groei, relatief gunstige pensioenvoorwaarden en kansen die vandaag minder vanzelfsprekend zijn.

Maar wie daaruit besluit dat alle boomers rijk zijn, royaal gepensioneerd worden en hun tijd doorbrengen op een terras aan de Spaanse kust, heeft dringend behoefte aan een wandeling door de echte samenleving.

Er zijn ook mensen van zestig, zeventig en tachtig die het financieel moeilijk hebben, die huren, die nauwelijks spaargeld bezitten, die na een lange loopbaan een bescheiden pensioen ontvangen of die nog moeten werken omdat het anders eenvoudigweg niet lukt.

En er zijn jongere mensen die wel degelijk kansen krijgen waar hun grootouders alleen maar van konden dromen.

Het generatieconflict is verleidelijk voor wie graag eenvoudige schuldigen aanwijst. De jongeren zouden te veel eisen, de ouderen te veel kosten, de vijftigers niet flexibel genoeg zijn en de dertigers geen geduld hebben. Op die manier kun je de hele bevolking netjes in vakjes verdelen en vervolgens iedereen een beetje kwaad maken op iedereen.

Misschien moeten we daar bij Boomager maar niet aan meedoen. Wij noemen ons graag boomagers omdat we willen benadrukken dat een leeftijd niet bepaalt wie je bent, wat je nog kunt of wat je nog wilt betekenen. De ene 65-jarige fietst dagelijks tientallen kilometers, de andere zorgt voor zijn partner, een derde begint een onderneming en nog iemand anders geniet eindelijk van een welverdiende rust.

Dat geldt trouwens evengoed voor vijftigers, senioren, ouderen en mensen die het woord bejaarde zonder persoonlijke belediging weten te verdragen.

Wat ons verbindt, is niet dat we allemaal dezelfde belangen hebben. Wel dat we oud genoeg zijn om te beseffen dat een samenleving alleen behoorlijk functioneert wanneer verschillende generaties bereid blijven verantwoordelijkheid voor elkaar te dragen.

Wie zijn hele leven sociale bijdragen en belastingen heeft betaald, mag verwachten dat gemaakte afspraken ernstig worden genomen. Wie vandaag als jonge werknemer aan zijn loopbaan begint, mag op zijn beurt verwachten dat er straks ook voor hem of haar een fatsoenlijke sociale bescherming bestaat. Dat zijn geen tegenstrijdige verlangens.

Misschien moeten we ook eens over de inkomsten praten

De begrotingsdiscussie gaat opvallend vaak over wat er moet verdwijnen, verminderen, uitgesteld of beperkt worden. Minder uitgaven, minder subsidies, minder overheidsdiensten en strengere voorwaarden voor wie een beroep doet op collectieve voorzieningen.

Daar kunnen goede argumenten voor bestaan. Een overheid moet zorgvuldig omgaan met belastinggeld en mag zich best geregeld afvragen of bepaalde uitgaven nog verantwoord zijn.

Maar waarom spreken we niet even enthousiast over de andere kant van het verhaal?

Een land dat meer mensen aan het werk krijgt, een hogere productiviteit ontwikkelt, ondernemerschap stimuleert en de beschikbare talenten beter benut, kan ook meer inkomsten verwerven. Een efficiënter overheidsapparaat hoeft niet uitsluitend te betekenen dat mensen verdwijnen; het kan evengoed betekenen dat ingewikkelde procedures eindelijk worden vereenvoudigd en middelen verstandiger worden ingezet.

En dan zijn er natuurlijk de belastingen. Wie moet hoeveel bijdragen? Hoe rechtvaardig is het dat arbeid in België zwaar wordt belast? Hoe vermijden we dat fiscale achterpoortjes vooral aantrekkelijk zijn voor wie voldoende geld heeft om een specialist te betalen die ze kan vinden?

Dat zijn geen eenvoudige vragen, maar ze horen wel degelijk thuis in het debat.

Evenmin mogen we vergeten dat niet iedere overheidsuitgave louter een kost is. Goed onderwijs, behoorlijke kinderopvang, degelijk openbaar vervoer en toegankelijke gezondheidszorg kunnen op lange termijn ook economische en maatschappelijke voordelen opleveren.

Wie vandaag bespaart op een voorziening die morgen grotere problemen voorkomt, heeft misschien zijn begroting opgepoetst maar niet noodzakelijk verstandig bestuurd.

En omgekeerd: wie iedere uitgave tot heilige verworvenheid verklaart en nooit wil onderzoeken of het efficiënter kan, helpt de toekomstige generaties evenmin vooruit.

Besparen is geen doel op zich. Het is hoogstens een middel om iets anders mogelijk te maken.

En wie denkt er eigenlijk aan de kinderen die nog geboren moeten worden?

De discussie over de dalende geboortecijfers raakt volgens mij aan een veel fundamenteler vraagstuk. We kunnen wel vaststellen dat er minder kinderen geboren worden, maar daarmee hebben we nog niet verklaard waarom jonge mensen andere keuzes maken.

Kinderen krijgen is gelukkig geen opdracht van de staat. Niemand moet zich verplicht voelen om voor het evenwicht van de pensioenbegroting drie nakomelingen op de wereld te zetten. Ik zie de campagne al voor me: Maak een baby, red de begroting. Het zou vermoedelijk de merkwaardigste overheidscommunicatie sinds de invoering van de autoloze zondag worden.

Toch mogen we ons afvragen of jonge gezinnen voldoende mogelijkheden krijgen om kinderen op te voeden zonder voortdurend financieel en praktisch onder druk te staan.

Een betaalbare woning vinden is voor veel jonge mensen niet eenvoudig. Kinderopvang is niet overal beschikbaar, de combinatie van werk en gezin vergt organisatorisch talent en wie onzeker is over zijn inkomen of toekomst, zal soms heel bewust beslissen om het ouderschap uit te stellen.

Dat betekent niet dat een betere kinderopvang automatisch tot een nieuwe babyboom leidt. De kinderwens is persoonlijk en wordt door veel meer factoren bepaald. Maar het lijkt me verstandig dat een samenleving die zich zorgen maakt over haar demografische toekomst, ook onderzoekt hoe ze jonge gezinnen meer zekerheid kan bieden.

Daarnaast zal immigratie een rol blijven spelen, hoe gevoelig dat onderwerp politiek ook ligt. Nieuwe inwoners kunnen bijdragen aan de arbeidsmarkt en de financiering van onze sociale bescherming, op voorwaarde dat opleiding, erkenning van diploma’s, taalverwerving en integratie ernstig worden aangepakt.

Ook langer werken, meer kansen voor oudere werknemers en nieuwe technologie kunnen helpen. Alleen mogen we niet de illusie koesteren dat één enkele maatregel alle demografische problemen zal oplossen.

De toekomst laat zich nu eenmaal niet netjes samenvatten in een begrotingstabel met drie kolommen en onderaan een vetgedrukt positief saldo.

Ik wil gerust besparen, maar vertel mij eens waarop we uiteindelijk uitkomen

Ik vind het helemaal niet verkeerd dat regeringen moeilijke beslissingen nemen. Een overheid die voortdurend meer uitgeeft dan ze op een duurzame manier kan financieren, zadelt vroeg of laat anderen met de gevolgen op.

Ook mijn generatie heeft er belang bij dat de Belgische overheidsfinanciën beheersbaar blijven. We hebben kinderen, kleinkinderen, familieleden en jonge collega’s voor wie we een samenleving willen achterlaten die niet uitsluitend bestaat uit schulden, achterstallig onderhoud en goede bedoelingen.

Maar na meer dan vijftig jaar berichten over crisissen, hervormingen, ingrepen en noodzakelijke offers, zou ik graag eens iets anders horen dan de bekende boodschap dat het nu werkelijk vijf voor twaalf is.

Ik zou een regering willen horen zeggen waar we over tien, twintig en dertig jaar willen staan, wat we daarvoor concreet gaan doen en hoe we onderweg kunnen nagaan of de gekozen maatregelen werkelijk werken.

En ik zou willen dat de oppositie niet alleen uitlegt waarom bepaalde besparingen verkeerd zijn, maar ook welke geloofwaardige alternatieven ze zelf zou uitvoeren wanneer ze morgen mee moet regeren.

Dat laatste is misschien wat veel gevraagd. In België lijkt de overgang van oppositie naar meerderheid soms een wonderbaarlijke verandering in het economisch wereldbeeld te veroorzaken. Wat gisteren een schandalige aanval op de koopkracht was, kan morgen plotseling een moedige structurele hervorming blijken. En wat vandaag een absolute noodzaak heet, wordt na een verkiezingsnederlaag soms weer onaanvaardbaar sociaal onrecht.

Politiek blijft een bijzonder beroep. Toch wil ik niet vervallen in het gemakkelijke cynisme dat alle politici hetzelfde zijn en niets ooit verandert. Er zijn wel degelijk verschillen tussen partijen, tussen beleidskeuzes en tussen de gevolgen die maatregelen voor mensen hebben. Er zijn ook politici die moeilijke dossiers ernstig aanpakken, compromissen sluiten en tegen de publieke opinie in beslissingen durven verdedigen.

Maar vertrouwen moet je verdienen. En dat lukt beter met eerlijke uitleg, controleerbare resultaten en de bereidheid om ook eigen vroegere fouten onder ogen te zien dan met de zoveelste apocalyptische waarschuwing.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

NIEUW! KOERSKLAP

- ONZE EXCLUSIEVE REEKS -spot_img

Abonneer je op ons Gratis Magazine en ontvang elke woensdag de beste info, tips en leuke acties in jouw mailbox

Leestips

Vreugdevuur van de Murdochs

We gaan weer op stap met Johan Dhaene door het boekenlandschap. Dit keer vertel hij ons over het boek Vreugdevuur van de Murdochs' van...

Onuitgesproken

spot_img
Rechtvaardige-Rechters retabel

11 april 1934 – De Rechtvaardige Rechters, het mysterie ontrafeld

In 1934 pleegde men een van de grootste kunstdiefstallen in de Belgische geschiedenis: de diefstal van "De Rechtvaardige Rechters", een paneel van het wereldberoemde...