Er zijn van die berichten waarbij ik spontaan nog eens naar mijn geboortejaar kijk, niet omdat ik vergeten ben wanneer ik geboren ben, maar omdat ik wil weten in welke categorie de samenleving mij vandaag precies heeft ondergebracht. Begin augustus liet Vincent Mahieu, topman van de Federale Pensioendienst, optekenen dat volgens hem vroeg of laat ook in België de pensioenleeftijd van 70 jaar op tafel zal komen. Voor alle duidelijkheid: dat betekent niet dat de regering heeft beslist dat we binnenkort allemaal tot onze zeventigste moeten werken, maar het zegt wel iets over de richting waarin het debat zich beweegt. We leven langer, de verhouding tussen werkenden en gepensioneerden verandert, de pensioenen moeten betaalbaar blijven en dus klinkt steeds nadrukkelijker het argument dat ook onze loopbanen langer zullen moeten worden.
Daar valt rationeel best iets voor te zeggen, alleen zit er een praktisch detail in die redenering waar ik nog niet zo vaak een overtuigend antwoord op heb gehoord: wanneer we mensen langer willen laten werken, zullen we er ook voor moeten zorgen dat er werk voor hen is.
Dat lijkt evident, maar ergens tussen de beleidstekst en het sollicitatiegesprek gebeurt iets merkwaardigs. Dezelfde vijftiger die volgens de pensioenlogica nog vijftien tot twintig productieve arbeidsjaren voor zich heeft, kan op de arbeidsmarkt plotseling tot de categorie oudere werknemer behoren. Op maandag vernemen we dat we allemaal langer actief moeten blijven en op dinsdag lezen we een vacature waarin wordt gezocht naar een “jong en dynamisch profiel”, liefst met twintig jaar ervaring, uitgebreide vakkennis, digitale vaardigheden, leiderschapscapaciteiten en uiteraard de souplesse om zich voortdurend opnieuw uit te vinden.
Dat laatste wordt meestal niet als leeftijdseis geformuleerd, want dat mag natuurlijk niet, maar de formulering is soms zo kunstig dat je bijna bewondering krijgt voor degene die ze heeft bedacht.
Toch mogen we één ding niet uit het oog verliezen: oudere werknemers hébben de voorbije kwarteeuw al massaal gedaan wat van hen werd gevraagd. Volgens Statbel werkte in 2000 amper 26,3 procent van de Belgen tussen 55 en 64 jaar. In 2025 was dat 61,5 procent. Het aandeel werkenden in die leeftijdsgroep is dus in vijfentwintig jaar meer dan verdubbeld. Bij de 20- tot 54-jarigen bedraagt de werkgelegenheidsgraad vandaag 76,2 procent, zodat er nog altijd een kloof bestaat, maar die is enorm verkleind: van 47,6 procentpunt in 2000 naar 14,7 procentpunt in 2025.
Dat zijn cijfers die het cliché van de oudere werknemer die alleen nog naar zijn pensioen aftelt toch enigszins onderuithalen. Integendeel, de generatie die vandaag vijftig en zestig is, blijft veel langer aan het werk dan dezelfde leeftijdsgroep een kwart eeuw geleden. We hebben met andere woorden al een behoorlijke pensioenrevolutie achter de rug zonder dat iemand er een fanfare voor heeft besteld.
Toch blijft leeftijd een merkwaardige eigenschap op een cv. Wanneer iemand 32 is, noemen we hem veelbelovend. Op 42 heeft hij ervaring. Op 52 verschijnt geregeld het woord “senior”, wat zeer indrukwekkend klinkt zolang het over een functieomschrijving gaat, maar een iets andere bijklank krijgt zodra er een geboortedatum naast staat. Tegen 58 kan een sollicitant soms het gevoel krijgen dat men niet alleen zijn competenties beoordeelt, maar ook probeert in te schatten of investeren in die persoon nog voldoende rendement zal opleveren.
‘Vroeger was alles beter’
En nee, dat is niet alleen een gevoel van een generatie die graag denkt dat vroeger alles beter was. Uit onderzoek van Unia blijkt dat meer dan 20 procent van de ondervraagden leeftijdsdiscriminatie op het werk rapporteert, onder meer bij sollicitaties, tijdens de loopbaan en bij ontslag. Over de hele samenleving zegt minstens één op de drie Belgen in het voorafgaande jaar een vorm van leeftijdsdiscriminatie te hebben ervaren. Het merkwaardige daarbij is overigens dat zowel jongeren als ouderen ermee te maken krijgen; leeftijd blijkt een buitengewoon handig etiket wanneer we iemand graag snel in een vakje willen stoppen.
Niemand zal tijdens een sollicitatiegesprek tegenwoordig nog vriendelijk zeggen: “Mijnheer, uw ervaring is indrukwekkend, maar u hebt helaas te lang geleden het levenslicht gezien.” Het gaat subtieler. Men informeert of je nog voldoende flexibel bent, hoe je tegenover verandering staat, of je goed functioneert in een jong team, hoe vlot je bent met nieuwe technologie en of je nog ambitie hebt voor de komende jaren.
Op zich zijn dat volkomen legitieme vragen, maar dan mogen we ze wat mij betreft ook aan iemand van 28 stellen. Flexibiliteit staat niet vermeld op een geboorteakte, net zomin als nieuwsgierigheid, werklust, creativiteit of het vermogen om met nieuwe technologie overweg te kunnen. Ik ken zestigers die zonder handleiding nieuwe software installeren en dertigers die hun printer pas weer aan de praat krijgen nadat er telefonisch ouderlijk advies is ingewonnen. Leeftijd zegt iets over het aantal jaren dat iemand hier rondloopt, maar verrassend weinig over de manier waarop hij die jaren heeft gebruikt.
Daarmee komen we bij een veel interessantere vraag dan de discussie of de pensioenleeftijd uiteindelijk 66, 67 of ooit misschien 70 jaar moet bedragen. De echte vraag is hoe we een arbeidsmarkt organiseren waarin mensen daadwerkelijk langer kunnen blijven werken.
Want op dit ogenblik bedraagt de wettelijke pensioenleeftijd in België 66 jaar. Voor wie geboren is vanaf 1 januari 1964 wordt dat 67 jaar. Een wettelijke algemene pensioenleeftijd van 70 jaar bestaat vandaag niet; die hoort voorlopig thuis in het debat over hoe ons pensioenstelsel er in de verdere toekomst zou kunnen uitzien.
Ondertussen heeft België zichzelf nog een andere ambitieuze doelstelling opgelegd: tegen 2029 moet 80 procent van de bevolking tussen 20 en 64 jaar aan het werk zijn. In 2025 bedroeg die werkgelegenheidsgraad 72,8 procent. Volgens Statbel betekent die ambitie dat er ongeveer 530.000 extra werkenden nodig zijn. In Vlaanderen bedraagt de werkgelegenheidsgraad momenteel 77,3 procent, in Wallonië 67,9 procent en in Brussel 63,9 procent.
Een half miljoen extra werkenden vinden is geen klein boodschappenlijstje. We kunnen daarvoor uiteraard naar jongeren kijken, naar mensen die vandaag niet beroepsactief zijn, naar werkzoekenden, nieuwkomers en andere groepen die moeilijk hun weg naar de arbeidsmarkt vinden, maar het zou merkwaardig zijn om tegelijkertijd een enorme groep ervaren vijftigers en zestigers over het hoofd te zien.
Misschien ligt daar zelfs een van de interessantste kansen voor de komende jaren. Bedrijven vertellen dat ze in tal van sectoren moeilijk geschikte medewerkers vinden, terwijl er tegelijkertijd ervaren mensen zijn die nog jarenlang willen en kunnen werken. Niet iedereen wil op zijn 60ste de agenda leegmaken en voortaan uitsluitend bezig zijn met fietsen, tuinieren en controleren of de buurman zijn haag wel op de correcte hoogte heeft gesnoeid. Veel mensen willen blijven werken, alleen misschien niet noodzakelijk nog tien jaar op precies dezelfde manier als toen ze 35 waren.
Daar zit volgens mij een essentieel onderdeel van het debat dat veel meer aandacht verdient. Langer werken betekent niet automatisch dat iedereen tot zijn 67ste of 70ste exact dezelfde job, hetzelfde uurrooster en dezelfde werkdruk moet volhouden. Voor iemand die veertig jaar zwaar lichamelijk werk heeft gedaan, betekent werkbaar werk iets heel anders dan voor iemand die een kantoorfunctie heeft. Een goede arbeidsmarkt voor oudere werknemers vraagt dus aangepaste functies, mogelijkheden om minder uren te werken, permanente opleiding, interne mobiliteit en vooral werkgevers die niet pas over de inzetbaarheid van 55-plussers beginnen na te denken wanneer de helft van hun personeelsbestand bijna met pensioen kan.
Generatieanalyse
Ook wij boomagers mogen daarbij niet in de gemakkelijke val lopen om iedere afwijzing aan onze leeftijd toe te schrijven. Soms krijgt een vijftiger een baan niet omdat een andere kandidaat gewoon beter was. Soms moet iemand van 60 inderdaad nog iets bijleren, en natuurlijk bestaan er oudere werknemers die al geruime tijd mentaal met pensioen zijn terwijl hun toegangspasje iedere ochtend nog trouw het kantoor registreert. Alleen vind je diezelfde houding ook bij mensen van 37, en daar maken we zelden een complete generatieanalyse van.
We zullen dus misschien moeten ophouden leeftijd te behandelen als een competentie op zichzelf, zowel in positieve als in negatieve zin. Een werknemer van zestig is niet automatisch wijzer, betrouwbaarder of trouwer omdat hij zestig is, maar hij wordt evenmin automatisch trager, duurder of minder vernieuwend. Het zou bijzonder verfrissend zijn wanneer we mensen opnieuw wat meer beoordelen op wat ze kunnen, wat ze nog willen leren en wat ze nog willen bijdragen.
Daar zit uiteindelijk ook de vrolijkere kant van het verhaal. Dat zoveel 55-plussers vandaag nog werken, betekent dat een groot deel van deze generatie niet aan de zijlijn staat, maar volop deelneemt aan de samenleving. Er wordt gewerkt, ondernomen, omgeschoold, bijgeleerd en soms zelfs opnieuw begonnen. Een loopbaan hoeft op zestig geen lange rechte weg naar de uitgang meer te zijn.
Ik heb dan ook niet principieel iets tegen het idee dat we gemiddeld langer zullen werken wanneer we gemiddeld langer leven. Alleen hoort bij die redenering een tweede zin die minstens even belangrijk is: wie mensen vraagt langer beschikbaar te blijven voor de arbeidsmarkt, moet ervoor zorgen dat die arbeidsmarkt hen ook daadwerkelijk wil.
Misschien kunnen we de vacature van de toekomst daarom heel eenvoudig houden: gezocht wordt iemand die het werk aankan, het graag doet, bereid is bij te leren en nog voldoende goesting heeft om eraan te beginnen. De geboortedatum mag ergens onderaan staan voor de personeelsadministratie.
Dat zou zowaar vooruitgang zijn.
Langer werken in cijfers
De discussie over langer werken is niet alleen een pensioenverhaal. Ze heeft rechtstreeks te maken met de manier waarop de Belgische arbeidsmarkt verandert en met de vraag wie de komende jaren al dat werk moet doen.
61,5% van de 55- tot 64-jarigen werkt. In 2000 bedroeg dat aandeel nog maar 26,3 procent. In vijfentwintig jaar tijd is de werkgelegenheid onder oudere werknemers dus meer dan verdubbeld.
76,2% van de 20- tot 54-jarigen werkt. Er blijft daarmee een verschil van 14,7 procentpunt tegenover de groep van 55 tot 64 jaar. In 2000 bedroeg die kloof nog 47,6 procentpunt.
57,7% van de 55- tot 65-jarigen werkt. Statbel volgt sinds de verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd ook deze ruimere leeftijdsgroep. In 2000 ging het om slechts 24,4 procent.
72,8% is de Belgische werkgelegenheidsgraad bij 20- tot 64-jarigen. De federale ambitie bedraagt 80 procent tegen 2029.
Ongeveer 530.000 extra werkenden zijn nodig om die doelstelling van 80 procent te bereiken, op basis van de huidige bevolkingscijfers.
77,3% van de 20- tot 64-jarigen werkt in Vlaanderen. In Wallonië is dat 67,9 procent en in Brussel 63,9 procent.
Meer dan 20% rapporteert leeftijdsdiscriminatie op het werk. Volgens het onderzoek van Unia gebeurt dat onder meer bij sollicitaties, tijdens het werk en bij ontslag.
Minstens één Belg op drie zegt leeftijdsdiscriminatie te hebben ervaren gedurende de voorafgaande twaalf maanden. Leeftijdsdiscriminatie treft overigens niet alleen ouderen; ook jongeren rapporteren ze opvallend vaak.
66 jaar is vandaag de wettelijke pensioenleeftijd voor wie geboren is tussen 1 januari 1960 en 31 december 1963. Wie geboren is vanaf 1 januari 1964 heeft volgens de huidige wetgeving een wettelijke pensioenleeftijd van 67 jaar.
70 jaar is géén huidige wettelijke pensioenleeftijd. Het cijfer dook recent opnieuw op in het maatschappelijke pensioendebat, maar er is vandaag geen beslissing genomen om de Belgische wettelijke pensioenleeftijd tot 70 jaar te verhogen.
Bronnen
Statbel, Belgisch statistiekbureau: Het percentage werkende 55-64-jarigen is meer dan verdubbeld tussen 2000 en 2025, gepubliceerd op 24 maart 2026.
Statbel — bekijk het volledige artikel en de cijfers
Unia: Onderzoek: leeftijdsdiscriminatie in België (2025).
Unia — onderzoek leeftijdsdiscriminatie in België
Federale Pensioendienst: informatie over de wettelijke pensioenleeftijd in België.
Federale Pensioendienst — wanneer kan ik met pensioen gaan?


















