* Voor de flaminganten onder ons: er bestaat geen echt synoniem voor ‘grumpy’ in het schoon Vlaams. Ik probeer het te omschrijven: iemand die met zichtbaar genoegen op alles en iedereen moppert.
Ik vind dat er aan ouder worden veel te weinig voordelen verbonden zijn. Je krijgt rimpels zonder dat je ze besteld hebt, haren verdwijnen op plaatsen waar je ze graag had gehouden en duiken vervolgens op uit neusgaten, oren en andere locaties waar niemand erom gevraagd heeft. Je moet ineens weten wat je cholesterol is, je krijgt reclame voor trapliften terwijl je nog perfect drie treden tegelijk kunt nemen en wanneer je ergens vertelt hoe oud je bent, zegt iemand gegarandeerd overdreven beleefd: “Maar dat zou ik u echt niet geven.”
Daarom vind ik dat wij boomagers eindelijk eens wat rechten mogen opeisen. En ik begin met een heel belangrijk recht: het recht om af en toe behoorlijk pissig te zijn. Niet permanent. We moeten niet veranderen in oude mannen en vrouwen die vanachter de gordijnen de nummerplaten noteren van iedereen die verkeerd geparkeerd staat. Maar af en toe eens lekker grumpy zijn, zonder schuldgevoel, dat lijkt me een volkomen redelijke compensatie voor bewezen diensten.
Want wij hebben tenslotte al een en ander meegemaakt. Wij hebben telefoons gekend die aan een draad hingen. Televisies zonder afstandsbediening. Auto’s zonder gps. Bankkantoren met bedienden van vlees en bloed erin die je met raad en daad bijstonden, echt waar, het heeft ooit bestaan. Winkels waar je gewoon iets kon kopen zonder eerst een klantenkaart, account, wachtwoord, verificatiecode en toestemming voor cookies te moeten geven.
Wij hebben het recht verworven om daar af en toe wat knorrig en knarrig* over te doen. Het mooiste is dat je ouderdom ook strategisch kunt inzetten.
Ik heb ontdekt dat jongeren namelijk een merkwaardige opvatting hebben over mensen boven een bepaalde leeftijd. Ze denken dat wij technologisch ergens rond 1997 zijn blijven steken. Dat moeten we vooral zo houden.
Wanneer ik ergens aan een digitale zuil sta en dat ding vraagt mij om een QR-code te scannen, kan ik bijvoorbeeld mijn meest hulpeloze gezicht opzetten.
“Een wat?”
“Een QR-code, meneer.”
“Is dat iets met de telefoon?”
“Ja.”
“Mijn telefoon?”
“Ja.”
“Moet die dan aanstaan?”
Op dat moment verschijnt bij de jongere tegenover mij een blik van vertedering die normaal gereserveerd is voor puppy’s en hoogbejaarde lama’s. Heerlijk. Wat die jongere niet weet, is dat ik vijf minuten eerder op diezelfde telefoon met AI een tekst heb laten analyseren, een foto heb bewerkt, mijn bankrekening heb gecontroleerd, een boek online heb gezet en ondertussen via WhatsApp drie mensen heb geantwoord.
Maar dat hoeft hij niet te weten. Ik ben oud. Help mij (met perfect hulpeloze blik in de ogen)! Daar moeten we veel meer gebruik van maken. In de supermarkt bijvoorbeeld aan de zelfscan. Fantastische uitvinding, tot het apparaat beslist: ONVERWACHT ARTIKEL. Dan verschijnt er een medewerker van ongeveer negentien met een zielige poging tot baardgroei die met één tik op het scherm alles oplost.
“U moet eerst hier drukken, meneer.”
Dan kijk ik aandachtig.
“Hier?”
“Nee, daar.”
“Daar?”
“Ja.”
“En dan?”
“Dan kunt u betalen.”
“Met mijn kaart?”
“Ja.”
“Welke kant moet die erin?”
Intussen heb ik allang contactloos betaald. Zogenaamd per ongeluk natuurlijk.
“O! Hij heeft het gedaan!”
Dat is acteren, en geen hulpeloosheid. Method acting voor gevorderde boomagers.
Ook bij telefonische helpdesks kunnen we onze leeftijd eindelijk laten renderen.
“Hebt u de app al geïnstalleerd?”
“De wat?”
“De app.”
“Waar staat die?”
“Op uw smartphone.”
“O, dat ding.”
Laat vervolgens een stilte vallen, een lange stilte, en zucht eventueel. Vraag daarna of zij het niet gewoon voor je kunnen doen. En terwijl de helpdeskmedewerker zich mentaal voorbereidt op een gesprek van 47 minuten met een digitale analfabeet, kun je ondertussen op je laptop zijn volledige LinkedIn-profiel hebben gevonden.
Wij zijn niet hulpeloos, wij zijn undercover.
Maar het recht om grumpy te zijn gaat verder. Ik eis ook het recht op om te zeggen dat muziek soms te luid staat.
Vroeger lachten wij daarmee.
“Die ouwe mensen altijd met hun lawaai.”
Nu begrijp ik hen.
Waarom moet er in een kledingwinkel muziek spelen die thuishoort op Tomorrowland terwijl ik gewoon een broek zoek? Ik wil geen dj, maar een broek in mijn maat.
En waarom moet ik in een restaurant tegenwoordig soms een QR-code scannen om te weten wat ik kan bestellen? Geef mij een kaart, op papier, ik beloof dat ik ze niet zal opeten.
Nog zoiets: wachtwoorden. Daar mogen boomagers onbeperkt kwaad om worden.
Je wachtwoord moet minstens twaalf tekens bevatten, één hoofdletter, één cijfer, één leesteken, één hiëroglief, de meisjesnaam van je overgrootmoeder en een emotionele verwijzing naar je eerste vakantieliefde.
Je bedenkt iets.
Dit wachtwoord werd eerder gebruikt.
Natuurlijk werd het eerder gebruikt! Ik ben zestigplus. Ik héb een verleden. En wanneer je eindelijk een nieuw wachtwoord hebt bedacht, sturen ze een verificatiecode naar je telefoon.
Die ligt boven, ergens. Tegen de tijd dat je het rotding gevonden hebt terug beneden bent, is de code verlopen. Dat is geen cybersecurity maar cardio.
Maar we moeten eerlijk blijven. Want precies daar zit het grappige aan ons grumpy boomagerschap. We klagen over technologie terwijl we er zelf verslaafd aan zijn.
We vinden dat iedereen voortdurend op zijn smartphone zit, maar wanneer wij ons toestel vijf minuten niet vinden, ontstaat er thuis een crisissituatie waarvoor vroeger de Civiele Bescherming werd opgeroepen.
“Heb jij mijn telefoon gezien?”
“Nee.”
“Bel mij eens.”
En dan blijkt hij in onze broekzak te zitten.
We klagen over Facebook en zitten er zelf op. We wantrouwen AI en vragen het vervolgens hoe lang we een zachtgekookt ei moeten koken. We zeggen dat jongeren niet meer zonder technologie kunnen, terwijl wij met de auto terugkeren wanneer we na vier kilometer ontdekken dat we onze smartphone thuis hebben laten liggen. Want stel dat er onderweg iets gebeurt zoals een rood licht, of drie minuten verveling.
Nee, beste boomagers, wij zijn geen slachtoffers van de digitale wereld. Wij zijn opportunisten.
We beheersen genoeg technologie om mee te kunnen en zijn oud genoeg om te doen alsof we er niets van begrijpen wanneer dat beter uitkomt.
Ik noem dat geen achterstand maar een superkracht.
Daarom stel ik voor dat we een nieuw maatschappelijk statuut invoeren. Vanaf een bepaalde leeftijd krijg je jaarlijks een officieel Grumpy Boomager-tegoed. Twaalf pissige dagen per jaar, vrij op te nemen.
Op zo’n dag mag je zeggen dat vroeger de tomaten beter smaakten. Je mag sakkeren omdat er zes mensen achter de toonbank staan en toch maar één kassa open is. Je mag vragen waarom een koffie tegenwoordig €4,20 kost terwijl er vooral schuim in het glas zit. Je mag “Dat kan toch niet moeilijk zijn?” mompelen wanneer een website vastloopt, ook al heb je zelf geen flauw idee hoe een website werkt.
En minstens één keer per maand mag je tegen een jongere zeggen: “Laat maar, jongen. Ik ben daar te oud voor.”
Waarna je naar huis gaat, ChatGPT opent, je slimme thermostaat twee graden hoger zet, online een reis boekt, een foto naar de cloud uploadt, met je smartwatch je hartslag controleert en via een app een elektrische fiets reserveert. Maar vertel dat vooral niet verder.
Wij hebben jarenlang ons best gedaan om bij te blijven. Nu mogen we eindelijk af en toe doen alsof dat niet gelukt is.
Ik vind dat we dat verdiend hebben.
*Nee, dit woord bestaat eigenlijk (nog niet).

















