HomeHET TWEEDE HOOFDSTUKLeeftijd & identiteitWanneer je plots ouder bent dan de mensen die alles beslissen

Wanneer je plots ouder bent dan de mensen die alles beslissen

Jarenlang was ik overal het piepkuiken. Vandaag zijn de dokters, managers, experts en digitale wonderkinderen steeds vaker jonger dan ik. Een merkwaardige omkering — en eigenlijk best een interessante.

Er was een tijd dat ik bijna overal de jongste was. Mijn eerste betaalde artikel schreef ik op mijn zestiende, geplaagd door een mengeling van faalangst en arrogantie. Het ging over veldrijder Albert Van Damme uit Laarne, waar ik toen woonde. Achteraf bekeken was dat het begin van een lange periode waarin ik voortdurend tussen mensen terechtkwam die ouder waren dan ik, meer ervaring hadden en daardoor ook vanzelfsprekend gezag uitstraalden. Als student aan de universiteit schreef ik al voor een krant, later begon ik als freelancejournalist en opnieuw was ik vaak het piepkuiken van het gezelschap. Op redacties, persconferenties, interviews en vergaderingen zat ik tegenover mensen die al jaren of decennia langer meedraaiden. Ook als auteur begon ik relatief jong te publiceren. Ik keek dus lange tijd vooral omhoog.

Misschien is dat precies waarom het zo merkwaardig voelt wanneer je op een bepaald moment merkt dat de beweging de andere richting uitgaat. Dat gebeurt niet op één dag. Niemand waarschuwt je dat je stilaan de leeftijd hebt bereikt waarop een groot deel van de mensen die je adviseren, behandelen, beoordelen of toespreken jonger is dan jij. Het sluipt binnen. Eerst valt het nauwelijks op, daarna steeds vaker. Je zit tegenover een arts en realiseert je plots dat hij qua leeftijd je zoon had kunnen zijn. Iemand aan de bank legt je met veel overtuiging uit hoe je verstandig met geld moet omgaan, terwijl jij al leningen afbetaalde toen hij nog op de lagere school zat of zelfs nog niet geboren was. Een jonge ambtenaar vertelt je zuchtend hoe een procedure werkt, een twintiger legt uit hoe een digitale toepassing functioneert en een manager van vijfendertig spreekt je toe met de zelfverzekerdheid die vroeger bijna exclusief hoorde bij mannen met grijze slapen en zware bureaus.

Dat laatste is op zichzelf al interessant, want onze verhouding tot gezag is sterk veranderd. Toen ik jong was, leek ouder zijn bijna vanzelfsprekend verbonden met autoriteit. De directeur van de school was iemand tegen wie je automatisch wat rechter ging zitten. Een dokter sprak en je luisterde. Een hoofdredacteur hoefde zijn gezag niet uit te leggen, dat zat ingebouwd in de functie en vaak ook in zijn leeftijd. De politieman, de professor, de notaris of de burgemeester waren in onze beleving geen gewone voorbijgangers met toevallig een bepaald beroep, maar vertegenwoordigers van een onbereikbare wereld die hogerop lag, een wereld van volwassenen die het blijkbaar allemaal al hadden uitgevogeld. Als jongere kreeg je voortdurend het gevoel dat kennis, macht en ervaring zich ergens verder op de levenslijn bevonden en dat je daar wellicht nooit zelf zou aankomen.

Intussen weet ik natuurlijk dat dit beeld veel te eenvoudig was. Oudere mensen hadden vroeger evenmin automatisch gelijk als jonge mensen vandaag automatisch ongelijk hebben. Het is misschien zelfs een van de nuttigste correcties die je onderweg meekrijgt: leeftijd en deskundigheid zijn twee totaal verschillende zaken. Ik ontmoet jonge mensen die bijzonder goed zijn in wat ze doen, die een technische, medische of wetenschappelijke kennis hebben waar ik alleen maar bewondering voor kan opbrengen. Daar luister ik graag naar. Maar je ontmoet ook mensen die vooral de kunst beheersen om overtuigend te klinken. En daar komt ervaring wel om de hoek kijken, want na tientallen jaren leer je het verschil wat sneller herkennen tussen iemand die werkelijk iets weet en iemand die voornamelijk heel goed geleerd heeft hoe je moet klinken alsof je iets weet.

Dat heeft niets met minachting voor jongeren te maken. Integendeel. Misschien herken ik bepaalde trekjes juist omdat ik ze vroeger zelf had. Als jonge journalist wilde ik ernstig genomen worden, dus deed ik waarschijnlijk geregeld alsof ik veel zekerder was dan ik werkelijk was. Ik wist toen ook niet hoeveel ik nog niet wist. Dat is een merkwaardige eigenschap van jong zijn: je kunt onmogelijk beseffen welke kennis je mist, precies omdat je ze nog niet hebt. Pas jaren later begrijp je hoeveel van je zogenaamd zekere overtuigingen gewoon voorlopige versies waren.

Daarbij komt nog iets wat onze generatie op een bijzondere manier heeft meegemaakt. Wij zijn niet alleen ouder geworden, we zijn onderweg ook telkens nieuwe maatschappelijke realiteiten binnengestapt. Mijn jeugd was grotendeels analoog. Niet theoretisch analoog, maar echt: brieven, vaste telefoons, papieren kranten, filmrolletjes, platen en cassettes. Wie iets wilde opzoeken, trok naar een bibliotheek of sloeg een encyclopedie open. Dat was de wereld waarin ik begon te werken. En toch ben ik vrij vroeg de digitale wereld ingerold, al was dat aanvankelijk vooral met vallen en opstaan.

Ik had een van de eerste vaste computers in mijn omgeving. Dat toestel bezat een geheugen van 40 megabyte en de verkoper verzekerde mij met zichtbare trots dat ik dat waarschijnlijk mijn hele leven niet zou kunnen vol krijgen. Niemand lachte daarmee, want het klonk toen volkomen aannemelijk. Het scherm had geen kleur, een muis was nog geen vanzelfsprekend onderdeel van de computer en van Word zoals we dat vandaag kennen was nog geen sprake. Ik werkte met WordPerfect. Het toestel zelf had iets futuristisch en tegelijk iets onhandelbaars. Ik weet nog goed dat buren speciaal kwamen kijken. Een computer thuis, dat was toen bijna een curiosum. Ik zette hem met enige fierheid aan en aan hun gezichten kon je zien wat ze dachten: indrukwekkend misschien, maar zo’n onding komt er bij ons nooit in. Wat moest een normaal mens in godsnaam met een computer thuis?

Net daarin zit voor mij een van de interessantste paradoxen van ouder worden. Vandaag worden mensen van onze leeftijd soms behandeld alsof technologie ons per definitie overkomt, terwijl velen van ons de hele digitale omwenteling van dichtbij hebben meegemaakt. We hebben niet één keer moeten leren omgaan met iets nieuws, maar ons telkens opnieuw aangepast: eerst aan de computer en nieuwe software, vervolgens aan modems, e-mail en internet, daarna aan laptops, mobiele telefoons, smartphones, sociale media en cloudopslag en inmiddels aan artificiële intelligentie. Dat was geen keurig uitgestippelde digitale snelweg waarop we gewoon rechtdoor konden rijden, maar een traject waarbij voortdurend nieuwe afslagen verschenen en hele stukken weg achter ons weer werden opgebroken.

Ook het internet zelf had in zijn beginjaren iets bijna ceremonieels. Je besloot niet zomaar even iets op te zoeken. Je moest eerst verbinding maken en die verbinding kostte geld. Dat beroemde gekrijs van de modem was de auditieve aankondiging dat je even de digitale wereld mocht betreden, maar liefst niet te lang, want de telefoonrekening liep intussen mee. Bovendien was er nog verrassend weinig te vinden. We zaten dus niet doelloos uren te surfen zoals later gebruikelijk werd. Je ging online met een doel, zocht wat je nodig had en verbrak de verbinding weer. Het internet was geen permanente omgeving waarin je leefde, maar een plaats die je tijdelijk bezocht.

E-mail was al even fascinerend. Vandaag verdwijnt een bericht na één tik op het scherm en lijkt het onmiddellijk overal ter wereld beschikbaar. In het begin kon je bijna letterlijk volgen hoe zo’n bericht zich moeizaam een weg naar zijn bestemming baande. Voor mijn werk werd dat nog spectaculairder toen ik van de krant mijn eerste draagbare computer kreeg. Laptop is achteraf bekeken een wat genereuze benaming. Het was een zwaar toestel waarmee je desnoods iemand ernstige lichamelijke schade kon toebrengen. Het geheugen was zo beperkt dat er amper een paar krantenartikels op konden. Wie vandaag met gigabytes en terabytes werkt, moet zich dat bijna als een archeologische toestand voorstellen.

Een artikel versturen was bovendien een onderneming op zich. Je maakte verbinding, hoorde opnieuw dat verschrikkelijke elektronische lawaai en vervolgens begon het bestand zich uiterst langzaam naar de redactie te verplaatsen. Daar kon je gerust iets anders bij doen. Koffie zetten bijvoorbeeld, of naar het toilet gaan. Wanneer je terugkwam, hoopte je dat op het scherm de verlossende melding stond dat de transfer geslaagd was. Helaas verscheen er ook geregeld: transfer aborted. Dan kon je opnieuw beginnen. En zelfs wanneer alles uiteindelijk gelukt leek, belde ik voor alle zekerheid naar de redactie om te vragen of mijn artikel werkelijk was aangekomen. Iemand keek dan even en zei: ja, we zien iets binnenkomen. Waarna soms bleek dat alleen de eerste helft aanwezig was en de rest ergens in de digitale mist was verdwenen.

Het absurde was dat ik op nauwelijks enkele kilometers van de redactie woonde. In theorie kon ik mijn artikel dus op een floppy disk zetten, op de fiets springen en het persoonlijk afleveren. Dat was niet zelden sneller en betrouwbaarder dan de zogenoemde digitale snelweg. Al moest je uiteraard hopen dat de diskette onderweg niet op miraculeuze wijze beschadigd raakte. Ook dat was toen een reëel risico. Een floppy kon ’s morgens perfect functioneren en een paar uur later besluiten dat ze voortaan liever nutteloos was.

Wanneer een jonge medewerker mij vandaag dus uitlegt hoe ik een toepassing moet gebruiken, kan ik daar best om glimlachen. Niet omdat hij of zij niets zou weten, maar omdat de veronderstelling soms is dat onze generatie pas recent kennismaakte met technologie. In werkelijkheid hebben wij de evolutie ervan in realtime meegemaakt. Dat maakt ons niet automatisch deskundiger, maar wel ervaren in verandering. Misschien is dat zelfs een onderschatte vorm van digitale geletterdheid: niet alleen weten hoe een toestel vandaag werkt, maar ook al talloze keren hebben meegemaakt dat een compleet systeem verdwijnt en door iets nieuws wordt vervangen.

En daarmee komen we opnieuw bij dat vreemde kantelpunt van leeftijd en gezag. Wie jong is, kijkt vooral vooruit. Daar bevinden zich de oudere mensen met meer ervaring, meer macht en meer status. Later sta je zelf ongeveer op die plek en merk je dat je niet alleen achterom kijkt naar mensen die jonger zijn, maar ook nog altijd vooruit naar mensen die ouder zijn dan jij. Het leven wordt daardoor minder hiërarchisch. Je ziet dat wijsheid niet netjes per generatie wordt uitgedeeld en dat iedereen een combinatie is van kennis en blinde vlekken.

Soms zie ik jonge mensen worstelen met problemen die me bijzonder bekend voorkomen. Werk, ambitie, relaties, onzekerheid, de drang om zichzelf te bewijzen: de verpakking verandert, maar heel wat van wat zich daaronder afspeelt blijft opvallend herkenbaar. Je ziet iemand zich druk maken over iets waarvan je inmiddels weet dat het waarschijnlijk vanzelf voorbijgaat, of hemel en aarde bewegen voor een doel waarvan later misschien zal blijken dat het nauwelijks belangrijk was. Dat kan iets vertederends hebben, maar het is gevaarlijk om daar te snel wijsheid van te maken. De neiging om iemand twintig of dertig jaar jonger te waarschuwen voor een fout is groot, maar meestal werkt dat niet. Wij luisterden vroeger ook niet altijd wanneer iemand zei dat we iets beter niet konden doen. Een mens blijkt sommige lessen persoonlijk te willen leren.

Wat wel verandert, is het ontzag. Je bent minder snel onder de indruk van een titel, een functie of een zelfverzekerde stem. Niet omdat je cynischer wordt, maar omdat je intussen genoeg varianten hebt gezien. Je weet dat een directeur ook maar iemand is die soms twijfelt, dat een expert zich kan vergissen en dat een jonge specialist iets kan weten wat jij onmogelijk zelf kunt weten. Dat maakt de verhoudingen eigenlijk gezonder. Autoriteit wordt minder automatisch en moet meer verdiend worden.

Misschien is dat uiteindelijk een van de aangenaamste kanten van ouder worden. Je moet niet langer voortdurend bewijzen dat je volwassen genoeg bent om ernstig genomen te worden. Tegelijk hoef je ook niet te doen alsof je overal verstand van hebt. Je kunt luisteren naar iemand van vijfentwintig omdat die iets weet wat jij niet weet, en vijf minuten later denken dat diens grote levenswaarheid nog een paar revisies nodig heeft.

En zo zit ik tegenwoordig soms tegenover iemand die qua leeftijd mijn kind had kunnen zijn en die mij vertelt hoe iets moet. Misschien komt er zelfs een moment waarop die persoon mijn kleinkind had kunnen zijn. Dat blijft eigenaardig, maar het stoort me steeds minder. De rollen draaien nu eenmaal door. Zij brengen nieuwe kennis en nieuwe ideeën mee, wij brengen context en herinnering aan hoe snel systemen en zekerheden kunnen veranderen.

En ergens in mij loopt nog altijd die zestienjarige rond die zijn eerste betaalde artikel schreef over veldrijder Albert Van Damme. Die jongen keek toen naar volwassenen alsof zij allemaal precies wisten waarmee ze bezig waren.

Dat geloof ik inmiddels niet meer.

En vreemd genoeg is dat een geruststellende gedachte.

Vorig artikel
Volgend artikel

NIEUW! KOERSKLAP

- ONZE EXCLUSIEVE REEKS -spot_img

Abonneer je op ons Gratis Magazine en ontvang iedere woensdag de beste info, tips en leuke acties in jouw mailbox

Leestips

Zon en water in de Sabijnse bergen

Castel di Tora ligt op een uitloper boven het meer. Het is erkend als één van de 'mooiste dorpen van Italië.'

Middelkerke – Dijk

spot_img
Rechtvaardige-Rechters retabel

11 april 1934 – De Rechtvaardige Rechters, het mysterie ontrafeld

In 1934 pleegde men een van de grootste kunstdiefstallen in de Belgische geschiedenis: de diefstal van "De Rechtvaardige Rechters", een paneel van het wereldberoemde...