Misschien moeten we eerst nog eens uitleggen wat een boomager eigenlijk is, want hier bij Boomager.be gebruiken we dat woord intussen zo vanzelfsprekend dat we soms vergeten dat niet iedere toevallige passant meteen weet over wie we het hebben. Een boomager is voor ons iemand uit de generatie van de babyboomers die wel in jaren ouder wordt, maar daarom nog lang niet van plan is zich stilletjes naar de zijlijn van het leven te laten begeleiden.
We werken nog, reizen, schrijven, sporten, ondernemen, helpen kinderen en kleinkinderen, proberen onze ouders zo lang mogelijk bij te staan, boeken reizen via internet, gebruiken onze smartphone voor zowat alles en hebben intussen zelfs artificiële intelligentie ontdekt. We zijn dus geen hulpeloze oudjes die vertwijfeld naar een afstandsbediening zitten te staren, al komt er af en toe een moment waarop zelfs de meest digitaal onderlegde boomager zich afvraagt waarom iets wat vroeger eenvoudig was vandaag eerst langs drie apps, twee wachtwoorden en een verificatiecode moet passeren.
wij boomagers bevinden ons in een merkwaardige tussenfase waarin we jong genoeg worden geacht om overal mee te draaien, maar oud genoeg zijn om ons te herinneren dat sommige dingen vroeger werkelijk eenvoudiger waren.
Te oud om jong te zijn, maar te jong om oud te mogen worden
De samenleving heeft tegenwoordig nogal hoge verwachtingen van mensen van onze leeftijd. We moeten langer werken, flexibel blijven, nieuwe technologie omarmen, opleidingen volgen, ons voortdurend aanpassen en vooral enthousiast blijven wanneer alweer iemand vertelt dat een verandering eigenlijk een fantastische opportuniteit is.
Dat lukt doorgaans ook nog behoorlijk goed. Alleen ontstaat er een vreemd soort kortsluiting wanneer iemand van zestig of ouder opnieuw werk zoekt, want plots lijkt die grote voorraad ervaring waarvoor jarenlang bewondering bestond minder aantrekkelijk te worden. Bedrijven zoeken graag mensen met verantwoordelijkheidszin, maturiteit, flexibiliteit, mensenkennis en dertig jaar ervaring, maar ergens in de kleine lettertjes lijkt soms te staan dat de ideale kandidaat dat allemaal bij voorkeur al op zijn achtentwintigste heeft verzameld.
Als boomager moet je daardoor een merkwaardige mentale spagaat beheersen. Voor de pensioenwetgeving ben je nog niet altijd klaar met werken, voor bepaalde werkgevers ben je misschien al wat te dicht bij het museum gekomen, terwijl reclamejongens ondertussen verzekeren dat vijfenzestig het nieuwe vijftig is en vijftig vermoedelijk binnenkort het nieuwe tweeëndertig wordt. Zelf wacht ik nog op het moment waarop mijn knieën daarvan officieel op de hoogte worden gebracht.
Eindelijk tijd voor onszelf, dachten we ooit
Er bestaat ook zo’n romantisch beeld van een bepaalde levensfase waarin alles rustiger zou worden. De kinderen zijn volwassen, de zwaarste jaren van de carrière liggen achter ons, de hypotheek is afbetaald en plots zouden zich voor onze voeten eindeloze zeeën van vrije tijd uitstrekken.
Alleen hebben onze kinderen blijkbaar nooit datzelfde handboek gelezen. Ze zijn wel volwassen geworden, maar verdwijnen daardoor gelukkig niet uit ons leven, en wie kleinkinderen heeft ontdekt bovendien snel dat grootouders over een bijzondere eigenschap beschikken: zij blijken beschikbaar te zijn op momenten waarvan ze zelf nog niet wisten dat ze vrij waren.
Aan de andere kant van de familielijn worden onze ouders intussen ouder en hebben ook zij soms meer hulp nodig. Daardoor kun je je op een gemiddelde dinsdag tegelijk grootouder, zoon of dochter, chauffeur, mantelzorger, babysit, boodschappenbezorger, computerhelpdesk en administratief medewerker voelen, waarna iemand aan het einde van de dag vraagt wat je tegenwoordig eigenlijk met al die vrije tijd doet.
Dat is het mooie en meteen ook verraderlijke aan deze leeftijd. Je krijgt eindelijk meer tijd voor jezelf maar iedereen rondom jou meent er aanspraak op te mogen maken.
De wereld zit tegenwoordig in onze broekzak
Op technologisch vlak hebben wij boomagers eigenlijk een merkwaardig parcours afgelegd. Wij hebben telefoons meegemaakt die aan een draad vastzaten, televisies waarop je moest opstaan om van zender te veranderen en auto’s waarin een wegenkaart nog een essentieel onderdeel van de reisuitrusting was. Vandaag lopen we rond met een toestelletje in onze broekzak waarmee we bankieren, fotograferen, navigeren, berichten versturen, muziek beluisteren, onze trein opzoeken en desnoods vanuit Evergem rechtstreeks iemand aan de andere kant van de wereld kunnen bekijken.
Dat is fantastisch, maar ergens onderweg is men ook gaan geloven dat werkelijk iedere handeling een eigen digitale toegangspoort nodig heeft. Parkeren gebeurt via een app, afspraken worden online gemaakt, voor de bank heb je een toepassing nodig en om vervolgens te bewijzen dat jij degene bent die die toepassing gebruikt, komt er nog een andere toepassing aan te pas. Wanneer één daarvan moet worden bijgewerkt, het wachtwoord plots niet meer wordt herkend of een verificatiecode terechtkomt op een toestel dat toevallig in een andere kamer ligt, verandert een handeling van twintig seconden gemakkelijk in een klein informaticaproject.
Het vreemde is dat wij dat allemaal redelijk goed kunnen. Daar gaat het zelfs niet om. Ik vraag me alleen soms af waarom alles wat technisch mogelijk is blijkbaar ook onmiddellijk verplicht ingewikkeld moet worden gemaakt.
Iedereen is verdacht geworden
Daar komt nog bij dat dezelfde digitale wereld ons voortdurend waarschuwt dat we niemand mogen vertrouwen. Een bericht van de bank kan vals zijn, een sms van Bpost eveneens, een mail van een overheidsdienst moet zorgvuldig worden gecontroleerd en wanneer een kind plots meldt dat dit zijn nieuwe telefoonnummer is en dringend 850 euro nodig heeft, lijkt het verstandig eerst even te controleren of dat kind inderdaad nog altijd hetzelfde kind is dat gisteren zonder financiële noodtoestand aan tafel zat.
Zo zijn we van een generatie die geleerd heeft beleefd te zijn tegen vreemden langzaam geëvolueerd naar mensen die bij elk vriendelijk bericht eerst naar het afzendadres kijken. Zelfs een eenvoudig mailtje kan tegenwoordig een klein forensisch onderzoek uitlokken, waarbij we controleren of het logo klopt, of er geen vreemd lettertje in het webadres staat en waarom een bank waar we niets eens klant zijn ons plots aanspreekt als “gewaardeerde cliënt”.
Misschien gaan we daar ooit te ver in. Als iemand mij binnenkort op straat vraagt hoe laat het is, zie ik mezelf nog antwoorden dat ik hem graag wil helpen, maar dat ik eerst graag een verificatiecode naar zijn mobiele telefoon stuur.
De grote digitale vereenvoudiging
Mijn favoriete voorbeeld van hoe eenvoudig het moderne leven geworden is, bevindt zich gewoon bij ons thuis. Ten huize Van Laere staat de elektriciteitsaansluiting nog altijd op naam van mijn partner, omdat ik een tiental jaar geleden bij haar ben komen inwonen en er nooit een dringende reden was om dat te veranderen.
Ik betaal doorgaans de facturen en vroeger verliep dat volgens een bijzonder primitief systeem. Er kwam een enveloppe binnen, daarin zat een blad papier waarop het te betalen bedrag stond, ik nam dat papier en betaalde de rekening. Daarna ging iedereen tevreden verder met zijn leven: wij hadden elektriciteit en de elektriciteitsmaatschappij haar geld.
Op een bepaald ogenblik werd dit systeem natuurlijk gemoderniseerd. Papieren facturen waren niet langer nodig, want digitaal was eenvoudiger, milieuvriendelijker en efficiënter. Daar valt op zich weinig tegen in te brengen, behalve dat onze facturen tegenwoordig onder meer via Doccle binnenkomen en die Doccle-account uiteraard op naam van mijn partner staat.
Nu ben ik, ondanks jarenlange samenwoning, nog altijd niet mijn partner. Dat lijkt me persoonlijk een geruststellende gedachte, maar digitaal zorgt het af en toe voor enige praktische problemen. Ik kan namelijk niet zomaar in haar Doccle kijken wanneer ik even de elektriciteitsfactuur wil betalen, want privacy is privacy en elektronische systemen maken daarbij begrijpelijkerwijs geen onderscheid tussen een onbekende hacker uit Vladivostok en de man die al tien jaar aan dezelfde keukentafel zit.
Wanneer mijn partner thuis is, kan zij natuurlijk inloggen, de factuur openen en die aan mij bezorgen. Dat kan zelfs op een bijzonder ouderwetse maar degelijke manier gebeuren: door de digitale factuur uit te printen en mij het blad papier te geven.
Daar zit voor mij toch een zekere schoonheid in. We hebben de papieren factuur afgeschaft omdat digitaal eenvoudiger en milieuvriendelijker is, waarna we thuis zelf het papier en de printerinkt leveren om opnieuw exact hetzelfde blad te produceren dat vroeger vanzelf in onze brievenbus viel.
Er bestaat uiteraard ook een onlineaccount bij de energiemaatschappij zelf, maar ook daar is het allemaal wat veiliger geworden. Een gebruikersnaam en wachtwoord volstaan niet altijd meer, er komt tweestapsverificatie bij, soms moet een nieuwe toegang worden bevestigd en op andere momenten moet opnieuw worden aangetoond dat degene die probeert binnen te raken werkelijk degene is die beweert binnen te willen.
Ik begrijp het principe volledig en ben zelfs blij dat onze gegevens worden beschermd. Alleen vraag ik mij soms af welke internationale misdaadorganisatie precies zit te wachten op de kans om te ontdekken hoeveel elektriciteit wij vorige maand hebben verbruikt. Ik zie het tafereel al voor me: ergens in een donkere kelder springt een hacker recht en roept naar zijn chef dat hij eindelijk binnen is, waarop die gespannen vraagt wat hij heeft gevonden en het antwoord luidt dat Van Laere deze maand helaas 412 kilowattuur heeft verbruikt.
Als mijn partner niet thuis is en ik denk plots dat ik de elektriciteitsrekening nog wil betalen, kan een handeling die vroeger nauwelijks enkele seconden kostte (even kijken in de map met de papieren facturen ‘Te betalen’) daardoor veranderen in een zoektocht langs accounts, wachtwoorden en verificatiemethoden. Dat is dan de vereenvoudiging, en precies op zulke momenten heb ik heimwee naar de man die vroeger met een overschrijvingsformulier naar het postkantoor ging en daar verrassend weinig problemen mee had.
Misschien ligt het niet altijd aan onze leeftijd
Boomagers krijgen nogal eens te horen dat ze moeite hebben met de moderne wereld, maar dat vind ik te gemakkelijk. Natuurlijk moeten we blijven leren en natuurlijk verandert technologie voortdurend, alleen mag af en toe ook worden gevraagd of iedere verandering werkelijk een verbetering is.
Niet alles wat digitaal wordt, wordt automatisch eenvoudiger. Niet iedere app lost een bestaand probleem op en niet elke beveiligingsprocedure is voor een gewone gebruiker nog logisch. Soms lijkt het alsof systemen vooral worden ontworpen vanuit het systeem zelf en pas helemaal aan het einde iemand zich afvraagt of daar toevallig ook nog een mens mee moet werken.
Misschien hebben boomagers op dat vlak zelfs een voordeel, want wij kennen beide werelden. We weten hoe ongelooflijk handig het is dat we vanuit onze zetel een hotel kunnen boeken, onze bankrekening controleren, foto’s naar familie kunnen sturen of binnen enkele seconden kunnen opzoeken wie in 1973 de Ronde van Lombardije won*. Tegelijk herinneren we ons nog een tijd waarin een factuur gewoon een factuur was en niemand eerst van ons verlangde dat we via drie digitale deuren bewezen dat we bevoegd waren om ze te betalen.
Daardoor klinken we af en toe misschien wat kritisch en valt onvermijdelijk eens de zin dat iets vroeger toch eenvoudiger was. Dat hoeft niet te betekenen dat we terug willen naar een wereld zonder internet, smartphone of digitale dienstverlening, want persoonlijk heb ik daar bijzonder weinig behoefte aan.
Het betekent alleen dat vooruitgang wat mij betreft nog altijd één eenvoudige test moet doorstaan: maakt iets ons leven werkelijk gemakkelijker?
En wanneer mijn partner een digitale elektriciteitsfactuur moet uitprinten zodat ik ze kan betalen, durf ik daar heel voorzichtig een vraagteken bij te zetten.

* Dat weet ik toevallig uit het hoofd. Eddy Merckx won toen met meer dan vier minuten voorsprong, maar werd na een bijzonder discutabele positieve dopingtest uit de uitslag geschrapt ten voordele van Felice Gimondi.















