’t Is goed in ’t eigen hert te kijken
nog even vóór het slapen gaan…
Die regels van Alice Nahon ken ik al heel lang. Zoals zoveel mensen herinner ik mij vooral het begin van het gedicht. De rest is ergens onderweg tussen mijn schooltijd en mijn boomagerjaren uit mijn geheugen verdwenen. Maar misschien zijn die eerste woorden ook voldoende. Ze bevatten eigenlijk al een volledige levensopdracht.
Voor het slapengaan even in je eigen hart kijken. Ik doe iets wat daarop lijkt, al neem ik het wat letterlijker. Ik kijk bijna iedere avond even in de spiegel. Niet omdat ik mezelf zo graag zie. Laat daar geen misverstand over bestaan. Ik behoor niet tot de mensen die bij iedere voorbijglijdende etalageruit even stoppen om te controleren of hun haar nog goed ligt. Mijn haar ligt doorgaans zoals het zelf wil. Op mijn leeftijd hebben de haren die nog gebleven zijn recht op een zekere zelfstandigheid.
Toch kijk ik. Niet vluchtig, zoals wanneer ik ’s morgens mijn tanden poets of controleer of ik geen restje ontbijt in mijn mondhoek heb hangen. Ik probeer rustig te kijken. Zonder meteen mijn blik af te wenden. Recht naar de man die mij van de andere kant aankijkt.
Die man ben ik. Tenminste, dat neem ik aan. Soms ziet hij er redelijk goed uit. Dan denk ik: het valt eigenlijk nog mee. De ogen staan helder, de huid lijkt zich die dag voorbeeldig te hebben gedragen en bepaalde rimpels zijn bij zacht badkamerlicht nauwelijks zichtbaar. Goed licht is overigens een zwaar onderschat schoonheidsproduct. Het kost niets en het heeft geen bijwerkingen.
Op andere avonden is de spiegel minder mild. Dan zie ik dat ik slecht geslapen heb, al is de dag bijna voorbij. Dan ontdek ik een nieuwe plooi die er gisteren volgens mij nog niet was. Of een bestaande plooi die kennelijk besloten heeft zich uit te breiden. Mijn gezicht lijkt soms op een wegenkaart waarop steeds meer kleine zijwegen worden aangelegd.
Dat is de eerste confrontatie: de buitenkant. De aftakeling, om het dramatisch uit te drukken. De veroudering, als we het beleefder willen formuleren. De natuurlijke evolutie van het lichaam, zoals een arts het misschien zou noemen. Hoe we het ook omschrijven, de spiegel maakt er geen geheim van. Ik zou het soms eerder een revolutie noemen: je lichaam dat zich tegen je verzet en je wil straffen voor alles wat je het hebt aangedaan.
Hij zegt niet: “Je ziet er vandaag geweldig uit.” Hij zegt evenmin: “Maak je geen zorgen, die wallen vallen niemand op.” Een spiegel verkoopt geen geruststelling. Hij toont alleen wat ervoor staat.
Toch hoeft dat niet uitsluitend negatief te zijn. Soms kan ik ook tevreden zijn met wat ik zie. Niet omdat ik nog op mijn jongere zelf lijk, maar omdat ik blijkbaar eindelijk op mezelf begin te lijken. Een gezicht wordt met de jaren minder glad, maar misschien wel persoonlijker. Het draagt sporen van wat je hebt meegemaakt: zorgen, vreugde, koppigheid, vermoeidheid, verwondering en vermoedelijk ook veel te veel koffie.
Iedere rimpel vertelt een verhaal, zegt men weleens. Dat klinkt mooier dan het is. Sommige rimpels vertellen helemaal geen verhaal. Die zijn er gewoon gekomen omdat je veel te veel nachten veel te weinig hebt geslapen en ze daarna weigerden te vertrekken.
Maar wanneer ik langer kijk, zie ik niet alleen een gezicht. Ogen worden weleens de spiegels van de ziel genoemd. Een wat versleten uitdrukking misschien, maar daarom niet noodzakelijk onjuist. Wanneer je jezelf lang genoeg in de ogen kijkt, gebeurt er iets vreemds. De buitenkant verdwijnt langzaam naar de achtergrond. Je kijkt niet langer naar je kapsel, je neus of de vorm van je kin. Je kijkt naar degene die daarachter zit.
En dan wordt het pas echt confronterend.
Sommigen zouden dit spiegelmeditatie noemen. Er bestaan ongetwijfeld cursussen voor, met een rustgevende stem, wierook en een maandelijkse betaling. Voor mij is het eenvoudiger. Ik sta in mijn badkamer, meestal in mijn pyjama, met ergens op de achtergrond het geluid van een verwarmingsketel of in hondsdagen als nu de airco die op een ongepast moment aanslaat.
Toch vallen daar, voor die spiegel, de maskers gemakkelijker af. Overdag spelen we allemaal rollen. We zijn partner, ouder, collega, vriend, wettige echtgenoot, overspelige minnaar, werknemer, zelfstandige, schrijver, buurman of die vriendelijke man die doet alsof hij niet geïrriteerd is omdat iemand met een overvolle winkelkar voor hem aan de snelkassa staat. De dames onder de lezers kunnen bij de voorgaande paragraaf zelf de vrouwelijke varianten invullen.
We passen ons aan. We houden ons sterk. We zeggen dat alles goed gaat. We verzwijgen wat ons bezighoudt. We verdedigen beslissingen waarvan we diep vanbinnen weten dat ze misschien niet zo verstandig waren. We praten onze fouten kleiner en onze verdiensten groter.
Maar voor de spiegel werkt dat niet. Je kunt tegen anderen zeggen dat je nergens spijt van hebt. Tegen jezelf wordt dat moeilijker. Of beweren dat je altijd je best hebt gedaan. De man in de spiegel weet wanneer dat niet zo was. Jezelf wijs proberen te maken dat je niemand tekort hebt gedaan lukt niet, kijkend naar jezelf in de spiegel. Je ogen herinneren zich soms andere momenten.
Terwijl ik mijzelf bestudeer, schieten de gedachten snel voorbij. Mensen die ik gekend heb. Dingen die ik heb gedaan. Dingen die ik niet heb gedaan, terwijl ik dat misschien wel had moeten doen. Gemiste kansen. Goede beslissingen. Stommiteiten waarvan ik ooit overtuigd was dat ze geniaal waren.
Ik zie mijn verleden niet als een keurige film met een duidelijk begin en einde. Het zijn losse beelden. Een gesprek. Een kamer. Een gezicht. Een moment waarop ik beter had moeten luisteren. Een of andere dag waarop ik juist heb gehandeld, ook al heeft niemand dat ooit geweten.
De spiegel veroordeelt niet. Dat is misschien het vreemde eraan. Hij spreekt je niet vrij, maar hij beschuldigt je evenmin. Hij laat je jezelf zien. En als boomager weet je dat er veel is om naar terug te kijken.
Meer verleden dan toekomst, zeggen we soms. Wiskundig klopt dat waarschijnlijk. Wanneer je zestig bent, is het niet onredelijk om te veronderstellen dat meer dan de helft van je levensweg achter je ligt. Al moet je natuurlijk voorzichtig zijn met voorspellingen. Het leven heeft geen kilometerteller waarop precies staat hoeveel afstand er nog rest.
Toch verandert het perspectief. Jongeren kijken vooral vooruit. Naar hun opleiding, hun werk, hun relatie, hun huis, hun kinderen, hun plannen. Ze bewegen zich door het leven alsof iedere minuut dringend benut moet worden. Ze hebben agenda’s waarin zelfs “ontspannen” vooraf wordt ingepland.
Wanneer ik hen bezig zie, herken ik iets. Ooit was ik waarschijnlijk ook zo. Ook ik dacht dat alles belangrijk was. Dat iedere kans gegrepen moest worden. Dat iedere discussie gewonnen moest worden. Dat succes ergens lag te wachten, op voorwaarde dat ik maar snel genoeg liep.
Nu moet het allemaal niet meer zo. Niet omdat niets nog belangrijk is, maar omdat ik beter weet wat níét belangrijk is. Dat is misschien een van de weinige voordelen van ouder worden: je hebt genoeg tijd verspild om eindelijk te begrijpen waaraan je ze niet langer wilt verspillen.
De spiegel stelt dus niet alleen vragen over het verleden. Hij vraagt ook: en nu? Wat doe je met de tijd die je nog hebt? Blijf je oude ruzies meeslepen omdat je er intussen zo vertrouwd mee bent geraakt? Blijf je wachten op excuses die misschien nooit zullen komen? Stel je dingen uit omdat je denkt dat later vanzelf verschijnt? Of durf je eindelijk toe te geven dat sommige plannen niet meer zullen worden uitgevoerd?
Dat laatste klinkt hard, maar het kan ook bevrijdend zijn. Je hoeft niet alles meer te worden wat je ooit had kunnen zijn. Je moet niet ieder talent volledig benutten, elke reis maken of elk boek lezen dat ooit op een lijstje is beland. Je mag keuzes maken. Je mag loslaten. Je mag zeggen: dit was mijn leven tot nu toe, met alles wat goed en verkeerd liep, en hiermee ga ik verder.
Misschien is dat de ware spiegelvisie: jezelf zien zonder retouches, zonder filter en zonder onderschrift. Niet uitsluitend de rimpels bekijken, maar ook degene die ze heeft verdiend. En zeker niet alleen de tekorten zien, maar ook wat gelukt is.
En dan zie je, op die zeldzame eerlijke momenten, de angst voor wat nog komt, maar dan moet je even dapper zijn en die angst recht in de ogen kijken. De angst voor ziekte, verlies, afhankelijkheid en uiteindelijk het einde. Want magere Hein loert soms in de spiegel, ergens achter je ogen.
Na enkele minuten stap ik meestal weg van de spiegel. Niet noodzakelijk opgelucht. Ook niet wijzer dan tevoren. De meeste avonden levert de confrontatie geen grote openbaring op. Er klinkt geen stem die mij de betekenis van het leven influistert.
Ik zie alleen mezelf. Maar misschien is dat voldoende. Voor het slapengaan even kijken naar de mens die je geworden bent. Niet om hem mooi te vinden of om hem te veroordelen. Alleen om hem te herkennen. En misschien zachtjes te zeggen: we zijn er nog.
Morgen kijken we verder, met verse moed. Al durft die soms in de schoenen te zinken.
















