Het zat er aan te komen. Nadat bewoners van sommige woonzorgcentra al apart betalen voor de kapper, de pedicure, het wassen van hun kleren, een koelkast, televisie, internet en andere luxegoederen uit de eenentwintigste eeuw, dreigt nu ook frisse lucht een betalende optie te worden.
Misschien krijgen toekomstige bewoners bij hun opname een keuzemenu.
Basispakket: kamer, bed, drie maaltijden en onbeperkt zweten.
Comfortpakket: hetzelfde, maar met een ventilator die de warme lucht gelijkmatig door de kamer verspreidt.
Premiumpakket: airconditioning en het recht om tijdens een hittegolf niet langzaam gaar te worden.
Een glas koel water is inbegrepen, maar alleen tussen twee en vier, en uiteraard niet in het weekend want dan loopt er minder personeel rond.
De aanleiding is ernstig. Woonzorgcentra willen investeren in airconditioning en andere koelsystemen, maar vanuit de sector klinkt de vraag om die investering via de dagprijs aan de bewoners door te rekenen of de overheid – wij dus – hiervoor te laten opdraaien.
Dat klinkt economisch misschien logisch. Een airco kost geld, elektriciteit kost geld en oude gebouwen zijn niet altijd gemakkelijk aan te passen. Maar het blijft een merkwaardige redenering. Mensen verblijven niet in een woonzorgcentrum omdat ze zin hadden in een eeuwige vakantie met volpension. Ze wonen er omdat zelfstandig leven niet langer mogelijk is.
Voor kwetsbare ouderen is verkoeling tijdens een hittegolf geen luxe. Het is onderdeel van elementaire, veilige zorg. Net zoals verwarming in de winter, voldoende drinkwater en iemand die komt helpen wanneer je niet meer zelf uit bed kunt.
Niemand zou tijdens een vriesperiode een verwarmingstoeslag durven voorstellen.
“Wilt u dat we de radiator aanzetten, mevrouw? Dat is dan drie euro per dag. Een dekentje behoort tot het winterarrangement. Voor warme sokken verwijzen we u graag naar onze comfortformule.”
Toch dreigt bij airconditioning ongeveer dezelfde redenering: de investering kost geld, dus schuiven we de factuur door naar degene die nergens anders meer naartoe kan.
Verdienen of dienen?
Daar ligt voor mij de kern van het probleem.
Hoe jammer het ook is: zorg is vandaag steeds meer een verdienmodel, terwijl ze in de eerste plaats een dienmodel zou moeten zijn.
Het verschil bedraagt maar drie letters: ver.
Die drie letters — ver — blijken bovendien bijzonder rekbaar. Zorg kan er ver-schrikkelijk duur door worden, de facturatie soms ver-gezocht, de menselijke aandacht ver-dund en de verantwoordelijkheid ver-schoven. Bewoners voelen zich weleens ver-geten, personeel raakt ver-moeid en families staan ver-bijsterd naar de rekening te kijken. Misschien is dat uiteindelijk het echte probleem: zodra het ver vóór het dienen komt te staan, raakt de zorg steeds verder verwijderd van waar ze eigenlijk om zou moeten draaien.
Maar die drie letters maken een wereld van verschil.
In een dienmodel vraagt men: wat heeft deze mens nodig om de laatste episode van zijn leven veilig, comfortabel en waardig door te brengen?
In een verdienmodel vraagt men: wat kost deze bewoner, wat brengt deze kamer op en welke uitgaven kunnen we nog afzonderlijk factureren?
Een bewoner wordt dan een klant. Een kamer wordt een product. Personeel wordt een kostenpost. Een leeg bed wordt omzetverlies. Een extra verpleegkundige is een vervelende uitgave, terwijl een extra supplement een inkomstenbron is.
Dat betekent niet dat iedere commerciële zorginstelling slecht wordt geleid of dat elke uitbater alleen maar aan winst denkt. Ook zij hebben te maken met hoge personeelskosten, stijgende energieprijzen, strengere normen en gebouwen die moeten worden onderhouden. Maar zorg en winst zijn twee partners die niet altijd harmonieus samenwonen. Zodra er keuzes moeten worden gemaakt, rijst de vraag wie uiteindelijk moet inleveren. De aandeelhouder? Of de bewoner die wat langer moet wachten tot iemand tijd heeft om hem naar het toilet te begeleiden? Als hij al geen incontinentieluier draagt?
Woonzorg à la carte
Daar komt nog bij dat we intussen een soort woonzorg à la carte hebben gecreëerd.
Er zijn commerciële woonzorgcentra, openbare instellingen van een OCMW of lokaal bestuur, voorzieningen zonder winstoogmerk, assistentiewoningen en allerlei tussenvormen. Ze hebben verschillende dagprijzen, verschillende supplementen, verschillende gebouwen en een verschillend aanbod.
Op zichzelf hoeft dat geen probleem te zijn. Niet iedere oudere heeft dezelfde zorg nodig en niet iedereen wil in exact dezelfde omgeving wonen. Maar achter die keuzevrijheid schuilt een ongemakkelijke werkelijkheid: wie meer kan betalen, kan meestal ook meer kiezen. Een ruimere kamer. Een moderner gebouw. Meer activiteiten. Een uitgebreider menu. Extra comfort. Soms meer persoonlijke aandacht, of minstens de mogelijkheid om bijkomende diensten te kopen.
Wie voldoende spaargeld, een goed pensioen, een eigen woning of kinderen met financiële draagkracht heeft, kan winkelen in het zorgaanbod. Wie dat niet heeft, moet hopen dat er ergens een betaalbare plaats vrijkomt.
De ene oudere krijgt woonzorg met zicht op een tuin, een restaurant, een wellnessruimte en een activiteitenkalender die op een cruisebrochure lijkt. De andere wordt ondergebracht in een sobere kamer aan het einde van een lange gang en mag blij zijn dat de maandelijkse factuur net betaalbaar blijft. Of ook niet, en dan legt de familie of de overheid bij.
Het lijkt soms op een menukaart.
Zorgmenu Basis: bed, maaltijden en noodzakelijke verzorging.
Zorgmenu Comfort: grotere kamer, extra activiteiten en dessert op zondag.
Zorgmenu Excellent: persoonlijke service, gastronomische weken en bij warm weer koele lucht.
Menselijke waardigheid is uiteraard inbegrepen. Zolang de voorraad strekt.
We zeggen graag dat iedereen gelijk is voor de wet. Maar in de zorg blijkt de ene mens toch wat gelijker dan de andere. Niet de zorgbehoefte bepaalt altijd wat iemand krijgt, maar ook de dikte van de bankrekening. Geld regeert dus niet alleen de wereld. Het bepaalt soms ook in welke kamer je het laatste hoofdstuk(je) van je leven moet doorbrengen.
Commerciële en openbare instellingen
Er bestaat bovendien een belangrijk verschil tussen commerciële woonzorgcentra en instellingen die door een OCMW of een andere openbare overheid worden beheerd.
De dagprijs ligt in openbare instellingen doorgaans wat lager. Dat betekent echter niet dat de werkelijke zorg goedkoper is. Vaak past de gemeente een deel van het verschil bij. De kost wordt dan niet volledig doorgerekend aan de bewoner, maar gedeeltelijk gedragen door de gemeenschap.
Ook openbare woonzorgcentra hebben het overigens moeilijk. Gemeenten moeten besparen, personeel is schaars en gebouwen zijn soms verouderd. Een lagere dagprijs garandeert niet automatisch luxueuzere kamers, uitgebreidere maaltijden of meer ontspanning.
Soms is het gebouw wat soberder. De inkomhal heeft misschien geen hippe koffiebar, designmeubelen of een glanzende brochure met lachende fotomodellen van 84 jaar die allemaal nog zelfstandig door een bloemenveld lijken te wandelen.
Maar de vraag is niet hoeveel marmer er in de inkomhal ligt. De echte vraag is hoeveel handen er aan het bed beschikbaar zijn.
Een jaar bij mijn vader
Mijn vader verbleef ongeveer één jaar op een gesloten afdeling voor mensen met dementie in een RVT. Ik heb die wereld dus niet alleen uit krantenartikelen, rapporten of politieke verklaringen leren kennen.
Over de inzet van het personeel wil ik geen kwaad woord zeggen. Ik heb er verpleegkundigen en verzorgenden gezien die met veel geduld en zachtheid werkten. Mensen die bewoners wasten, aankleedden, voedden en geruststelden. Die tien keer op dezelfde vraag antwoordden alsof ze die voor het eerst hoorden.
Aan hen lag het niet. Zij moesten proberen menselijkheid te organiseren binnen een kunstmatig systeem waarin tijd voortdurend schaars was. Toch verliet ik de instelling na veel bezoeken met tranen in de ogen. Niet omdat mijn vader slecht werd behandeld, maar omdat het geheel zo confronterend was.
De lange gangen. De gesloten deuren. Kamers die allemaal op elkaar begonnen leken. Mensen die in een stoel zaten te wachten zonder nog precies te weten waarop. Een televisie die speelde voor wie niet meer keek. Een goedbedoelde activiteit die één uur probeerde op te vullen van een dag die voor sommige bewoners eindeloos duurde. Soms deed het mij aan een gevangenis denken. Met dit verschil dat – wellicht – niemand er iets misdaan had.
Een woonzorgcentrum wordt door de verantwoordelijken graag ‘een nieuwe thuis’ genoemd. Dat klinkt natuurlijk aangenamer dan eindstation, opvangplaats of wachtkamer van de dood. Maar voor mij voelde het soms wel zo aan: als een plaats waar mensen na een lang leven terechtkomen wanneer onze samenleving niet meer goed weet hoe ze hen elders moet verzorgen. En mijn vader was er zeker niet graag, in heldere momenten vroeg hij geregeld – al dan niet met vochtige ogen – wanneer hij naar huis mocht. En ik, lafaard dat ik was, leidde dan snel zijn aandacht af tot de mist in zijn hoofd weer de baas werd.
Louise gaat naar Milaan
Toch was het daar zeker niet altijd kommer en kwel. Er waren ook mooie, warme en soms ontroerende momenten. Momenten waarop een klein gebaar of een onverwachte glimlach de hele sombere omgeving plotseling lichter maakte.
Zo was er Louise, een keurige dame van diep in de tachtig. Haar dochter kwam haar iedere dag bezoeken en zorgde ervoor dat ze mooi was opgemaakt en nette kleren droeg. Louise zat er altijd verzorgd en glimlachend bij.
De eerste keer dat ik haar zag, dacht ik zelfs dat ze een bezoekster was. Zo elegant en vrolijk zat ze in de gemeenschappelijke ruimte. Mijn spreekwoordelijke frank viel pas toen ik met haar begon te praten. Louise vertelde dat ze op haar verloofde wachtte. Zodra hij kwam, zouden ze samen naar Milaan vertrekken om naar de opera te gaan.
Een verpleegkundige die het gesprek had gevolgd, speelde daar schitterend op in.
“Maar Louise toch,” zei ze, “ben je vergeten dat het vliegtuigpersoneel vandaag staakt?”
Louise dacht even na, glimlachte en antwoordde: “Niets aan te doen! Dan zullen we morgen maar gaan.”
En daarmee was het probleem opgelost. Geen discussie, geen harde confrontatie met een werkelijkheid die voor Louise toch geen betekenis meer had. Alleen een verpleegkundige die even mee in haar wereld stapte en haar reis naar Milaan met één dag uitstelde.
Dat is zorg. Niet het gebouw, niet het logo, niet het elektronische zorgdossier en niet de reclamebrochure waarin iedereen gelukkig naar een fruitschaal kijkt. Zorg is iemand die op het juiste moment begrijpt dat de waarheid minder belangrijk kan zijn dan geruststelling.
Maar ook Louise moet het op haar heldere momenten niet altijd prettig hebben gevonden op die gesloten afdeling. Ze was immers soms nog heel goed bij de zaak. En dan begreep ze dat de deur naar buiten niet zomaar openging. De uitgang was beveiligd met een code. Dat systeem werkte uitstekend voor de meeste bewoners. Alleen had men bij de aanleg blijkbaar geen rekening gehouden met Louise.
Zij kwam namelijk graag discreet naast bezoekers staan wanneer die naar buiten gingen. Terwijl zij deden alsof ze alleen maar wat vriendelijk stonden te wachten, keek Louise zorgvuldig mee naar het klavier.
En ze had bij momenten nog een uitstekend geheugen. Speciaal voor haar moest de code dan ook geregeld worden veranderd. Niet omdat er een technisch defect was, maar omdat Louise had ontdekt hoe de weg naar de vrijheid werkte.
Op een keer glipte ze zelfs met mij mee naar buiten. Ik had niet eens gemerkt dat ik onderweg gezelschap had gekregen. Pas aan de receptie werd zij tegengehouden door een begripvolle en vriendelijke receptioniste, die haar met een kwinkslag opnieuw naar de afdeling wist te sturen.
Het was allemaal vrij onschuldig en zelfs een beetje grappig. Maar achter die humor zat natuurlijk ook iets pijnlijker. Louise probeerde niet zomaar te ontsnappen uit baldadigheid. Ze wilde naar buiten. Naar huis misschien. Naar haar verloofde. Naar Milaan. Of gewoon naar een plek waar geen deur met een code tussen haar en de wereld stond.
Naar verluidt is ze er ooit werkelijk in geslaagd om ongezien buiten te raken. Ze had het zelfs tot aan de bushalte geschopt voordat iemand haar kon onderscheppen. Waarheen de bus volgens Louise reed, weet ik niet. Misschien naar het station of de luchthaven. Of gewoon rechtstreeks naar de opera in Milaan.
Het voorval werd ongetwijfeld met de nodige discretie afgehandeld. Toch kan ik niet anders dan enige bewondering voelen voor haar vastberadenheid. Terwijl iedereen ervan uitging dat Louise in haar stoel zou blijven zitten, organiseerde zij haar eigen ontsnappingsroute.
Dat soort verhalen maakt duidelijk hoe ingewikkeld dementiezorg is. Een gesloten afdeling beschermt bewoners die anders kunnen verdwalen, vallen of in gevaarlijke situaties terechtkomen. Tegelijk blijft het een gesloten afdeling. Voor iemand die in een helder moment beseft dat ze niet vrij naar buiten kan, moet dat verschrikkelijk zijn.
Ook hier lag de oplossing niet in een duur zorgconcept of een gelikte visiebrochure, maar bij mensen die Louise kenden, haar niet hardhandig terechtwezen en haar met zachtheid, humor en geduld opnieuw begeleidden.
Alleen staat zulke zorg niet als afzonderlijke post op de factuur. Gelukkig maar. Anders zou iemand misschien nog bedenken dat meegaan in de gedachtewereld van een persoon met dementie onder de noemer persoonlijke belevingsondersteuning tegen 4,50 euro per gesprek kan worden aangerekend.
Voor ontsnappingspreventie geldt uiteraard een afzonderlijk tarief.
Het laatste stukje leven
Onze samenleving slaagt erin miljarden uit te geven aan wegen, luchthavens, een schimmig leger, prestigeprojecten en ingewikkelde bestuursstructuren. We kunnen consultants inhuren om te onderzoeken waarom eerdere consultants geen oplossing vonden. We kunnen vergaderingen organiseren over de werkgroep die een visienota moet voorbereiden voor een toekomstig actieplan.
Maar betaalbare en menswaardige ouderenzorg organiseren, dat blijft blijkbaar bijzonder moeilijk. Misschien komt dat doordat hoogbejaarde mensen economisch niet erg interessant meer zijn. Ze werken niet meer, produceren niets en hebben meestal geen grote toekomstplannen waarvoor ze nog dure producten zullen kopen.
Hun toekomst is beperkt. Juist daarom zou een beschaafde samenleving hen moeten beschermen. De waarde van zorg wordt niet bepaald door wat iemand later nog zal opbrengen. Ze wordt bepaald door het eenvoudige feit dat iemand een mens is. Iemand die een heel leven achter zich heeft als werknemer, ouder, partner, vriend, buur of vrijwilliger.
Een woonzorgcentrum moet daarom in de eerste plaats een dienmodel zijn. Een plaats waar de gemeenschap veiligheid, zorg, gezelschap en waardigheid garandeert. Wie zo’n instelling beheert, mag uiteraard correct worden betaald. Personeel verdient goede lonen, voldoende collega’s en haalbare werkomstandigheden. Gebouwen moeten worden onderhouden en investeringen moeten worden gefinancierd.
Maar de bewoner mag geen verdienobject worden waaraan telkens een nieuw supplement kan worden vastgemaakt. Vandaag gaat het over airconditioning. Morgen misschien over een tweede douche per week, extra nachtzorg of het recht om wat langer met een personeelslid te praten.
“Een gesprek van tien minuten, meneer? Dat zit helaas niet in uw basispakket. Voor menselijke aandacht moet u upgraden naar Zorg Plus.”
Iedereen is gelijk voor de wet. Het wordt tijd dat we ook wat gelijker worden in de zorg. De temperatuur in onze woonzorgcentra mag gerust enkele graden dalen. De temperatuur van het maatschappelijke debat mag daarentegen dringend wat stijgen.
Disclaimer — want dat klinkt officieel
Voor alle duidelijkheid: ik besef dat ouderenzorg een bijzonder complexe materie is en dat de werkelijkheid zich niet netjes laat verdelen in goede openbare en slechte commerciële instellingen. Woonzorgcentra kampen met hoge kosten, personeelstekorten, strenge regels en bewoners die steeds intensievere zorg nodig hebben. Ook in commerciële instellingen wordt vaak uitstekend werk geleverd, maar een hogere dagprijs is geen garantie voor betere zorg.
Beschouw dit dus gerust als mijn disclaimer — niet om mijn woorden haastig terug in te slikken, maar om ze correct te laten landen. Mijn observaties richten zich niet tegen de mensen die iedere dag zorg verlenen, maar op een systeem waarin menselijke waardigheid soms moet onderhandelen met budgetten, rendement en facturen. En omdat veel ouderen zelf niet meer luid genoeg kunnen protesteren, mogen wij hun stem niet samen met hun kamer aan de markt overlaten.
Woonzorg in cijfers — de rekening achter de zorg
Wie over woonzorg spreekt, heeft het niet over een kleine groep. In 2022 verbleven in het Vlaamse Gewest iets meer dan 70.000 mensen in een woonzorgcentrum. Dat was 5,2 procent van alle 65-plussers. Vlaanderen beschikte begin 2026 over 813 erkende woonzorgcentra met samen 83.488 woongelegenheden. Het aantal beschikbare plaatsen ligt dus hoger dan het aantal bewoners uit de laatst gepubliceerde bewonersstatistiek, onder meer omdat beide cijfers uit verschillende jaren komen en een erkende plaats niet noodzakelijk voortdurend bezet is.
Wie woont er?
De gemiddelde bewoner van een Vlaams woonzorgcentrum was in 2022 87 jaar oud. Mannen waren gemiddeld 85, vrouwen 88 jaar. Van alle mannelijke 65-plussers verbleef 3 procent in een woonzorgcentrum; bij de vrouwen was dat 7 procent. Vooral op zeer hoge leeftijd neemt het aandeel sterk toe: bijna de helft van de 95- tot 99-jarigen verbleef in 2022 in een woonzorgcentrum.
Een gedetailleerde analyse van Solidaris op basis van cijfers uit 2018 kwam uit op ongeveer 73 procent vrouwen en 27 procent mannen bij bewoners van 65 jaar en ouder. Dat oudere cijfer moet met enige voorzichtigheid worden gebruikt, maar ook de recentere cijfers bevestigen dat vrouwen sterk in de meerderheid zijn. Zij leven gemiddeld langer en verblijven doorgaans ook langer in een woonzorgcentrum. De gemiddelde verblijfsduur bedroeg volgens die studie in Vlaanderen 2,8 jaar: ongeveer 3,2 jaar voor vrouwen en 2 jaar voor mannen.
Niet één soort woonzorg
De residentiële ouderenzorg bestaat uit verschillende formules. Naast de 813 woonzorgcentra waren er in 2026 onder meer:
- 497 centra voor kortverblijf, samen goed voor 2.707 tijdelijke verblijfseenheden;
- 242 centra voor dagverzorging of dagopvang;
- 1.007 groepen van assistentiewoningen, met samen 36.345 wooneenheden;
- 13 centra voor herstelverblijf, met 734 plaatsen.
Ook de woonzorgcentra zelf hebben verschillende uitbaters. Bij de officiële prijsmeting van mei 2025 werden 216 openbare woonzorgcentra, 159 commerciële centra en 441 voorzieningen met een vzw-statuut geteld. Dat etiket vertelt overigens niet altijd het volledige verhaal: het Departement Zorg vermeldt uitdrukkelijk dat woonzorgcentra met een vzw-statuut in die categorie blijven staan, ook wanneer ze tot een grotere commerciële groep behoren.
Wat betaalt de bewoner?
Op 1 mei 2025 bedroeg de gemiddelde Vlaamse dagprijs 74,52 euro, of omgerekend ongeveer 2.267 euro per maand. Daarbij zijn persoonlijke supplementen en extra diensten nog niet meegerekend.
De verschillen tussen de soorten instellingen zijn aanzienlijk:
- openbaar woonzorgcentrum: gemiddeld 70,45 euro per dag, ongeveer 2.143 euro per maand;
- vzw: gemiddeld 74,28 euro per dag, ongeveer 2.259 euro per maand;
- commercieel woonzorgcentrum: gemiddeld 81,85 euro per dag, ongeveer 2.490 euro per maand.
Het verschil tussen een openbare en een commerciële voorziening bedraagt daarmee gemiddeld bijna 350 euro per maand. Een hogere prijs is echter niet automatisch een garantie voor meer personeel, betere zorg of meer menselijke aandacht.
Wat betaalt de overheid?
De factuur van de bewoner is maar een deel van de werkelijke kostprijs. Via de Vlaamse Sociale Bescherming betaalt de overheid rechtstreeks aan het woonzorgcentrum een basistegemoetkoming voor zorg. Die dient vooral voor de zorg- en personeelskosten en wordt berekend op basis van de zorgzwaarte van de bewoners en het ingezette personeel.
Op 1 januari 2026 bedroeg die tegemoetkoming gemiddeld 92,89 euro per bewoner per dag. Dat is omgerekend ongeveer 2.825 euro per maand, boven op wat de bewoner zelf als dagprijs betaalt. De twee bedragen dekken verschillende kosten en mogen dus niet zomaar als één gewone kamerprijs worden beschouwd. Voor 2026 werd in totaal ongeveer 2,711 miljard euro voorzien voor deze basistegemoetkoming aan de woonzorgcentra.
Een bewoner van een erkend woonzorgcentrum heeft daarnaast doorgaans recht op het zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden van 140 euro per maand. Ouderen met een beperkt inkomen kunnen mogelijk ook een inkomensafhankelijk zorgbudget voor ouderen met een zorgnood ontvangen. Dat kan, afhankelijk van inkomen en zorgzwaarte, oplopen tot maximaal 739 euro per maand.
En de kwaliteit?
In 2025 ontving de Vlaamse Woonzorglijn 613 klachten over residentiële ouderenzorg. Die werden opgesplitst in 1.450 afzonderlijke deelklachten. Zestig procent daarvan ging over de zorg en de kwaliteit van de dienstverlening, onder meer over medicatie, hulp bij dagelijkse activiteiten en lichaamsverzorging.
Van de 848 deelklachten die op het moment van publicatie volledig waren onderzocht, bleek 58 procent gegrond. Dat betekent niet dat 58 procent van alle woonzorgcentra tekortschiet, maar het toont wel dat klachten van bewoners en familieleden niet zomaar als ontevreden gemopper kunnen worden weggewuifd.
Iedereen is gelijk voor de wet, zo luidt het. De cijfers tonen dat gelijkheid in de woonzorg voorlopig nog sterk afhankelijk blijft van leeftijd, zorgnood, beschikbare plaatsen en — vooral — de inhoud van de portemonnee.
Bronnen en links
Statistiek Vlaanderen — Zorg en ondersteuning voor ouderen
Departement Zorg — Meting van de dagprijzen
Departement Zorg — Basistegemoetkoming voor zorg
Vlaanderen.be — Zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden
Vlaanderen.be — Zorgbudget voor ouderen met een zorgnood















