Toen ik er enkele jaren geleden mee begon, met het schrijven van cursiefjes voor een elektronisch tijdschrift, belde Stefaan, de hoofdredacteur ervan (die tegelijkertijd ook de uitgever van mijn romans was en nog altijd is) mij op met de melding dat hij een bericht gekregen had van een abonnee, die mij vele decennia eerder gekend had. Hij noemde haar bij naam en ik wist onmiddellijk over wie het ging. Lange, lange tijd geleden, toen zij en ik nog als puber door het leven gingen, waren wij lid geweest van een Antwerpse toneelvereniging die ‘De Weldoeners’ heette en die, zoals de naam het verraadt, alle winsten, geboekt bij vertoningen, aan liefdadige instellingen schonk. Wij kregen af en toe een rolletje (of een rol) toebedeeld, zij hield het er blijkbaar langer vol dan ik, terwijl onze derde leeftijdsgenoot er de vertrekbasis in vond om een knappe loopbaan als acteur uit te bouwen. Het was wijlen Raymond Bossaerts, die vele van de lezers destijds wel op scherm zullen gevolgd hebben. Hij was een van mijn beste vrienden van in de lagere middelbare school en bleef dat tot hij op respectabele leeftijd adieu aan het leven zegde. Maar dit terzijde.
Hoofdredacteur Stefaan gaf mij prompt naam en telefoonnummer van de dame, met wie ik zo lang geleden al eens op de ‘bühne’ gestaan had. Ik zal ze voortaan ‘G’ noemen en contacteerde haar onmiddellijk, omdat ik toch wel snel benieuwd werd om te weten wat er van haar geworden was.
Niet dat we mekaar destijds zo lang gekend hadden of nog een vervolg breiden aan onze niet zo veelvuldige ontmoetingen.
‘G’ bleek opgetogen te zijn mij nog eens te horen (of misschien wel te lezen) en herinnerde zich blijkbaar nog perfect wat wij destijds allemaal meegemaakt hadden. Hoewel dat niet van aard was om er… een boek over te schrijven.
In elk onderhouden we nu verder contact via mail, misschien ook omdat we nogal ver van mekaar wonen (voor oudere mensen althans), maar dat voelt best prettig aan, dat contact uiteraard en niet dat ver wonen. Net zoals ik, was ze er helemaal niet blij mee dat het tijdschrift, waarvan zij een bijzonder geïnteresseerde lezeres was, ophield te bestaan, net zoals ik trouwens, die moest ophouden met wat ik nog het liefst van al deed en doe: cursiefjes schrijven!
Maar gelukkig kwam er nog een uitgever opdagen, die, voor een nieuwe uitgave, ook gediend bleek met wat ik op scherm kon aanbieden en uiteraard ook met ‘G’ als onmiddellijk geïnteresseerde lezeres.
In een van de eerste nummers verscheen mijn bijdrage onder de foto van een breed lachende ‘boomager’ en leek het voor de lezer wel of… ik dat was. ‘G’ dacht dat blijkbaar ook en vroeg het mij pompt. Natuurlijk ontkende ik en besloot haar een foto op te sturen, die haar zou leren hoe ik er, welberekend zeventig later, uitzie. Het zette me even aan het monkelen. Over ‘onze jonge tijd’, waarin de pubers van toen als bewijs van opbloeiende vriendschap al eens foto’s van zichzelf uitwisselden. Waarbij de nog jongere lezers moeten of mogen weten dat dit niet zo eenvoudig was als nu.
Vandaag druk je op de knop van je toestel en kunt bij manier van spreken in de kortste tijd tientallen beelden opnemen. Destijds was dat wel enigszins anders. Toen moest je een filmpje kopen (waarop plaats was voor 12, 24 of 36 beelden), diende dat filmpje dan, eens vol geklikt, in een fotozaak te laten ontwikkelen en afdrukken om pas dagen later en tegen een behoorlijk prijsje, het resultaat van je initiatief onder ogen en in de hand te krijgen. Als het allemaal gelukt was wel te verstaan. En je er mee kon bewijzen dat de vriendschap met een leeftijdsgenoot oprecht en van een zekere waarde bleek te zijn.
Robert Janssens














