Er was een tijd waarin een kind op weg naar school gewoon op de fiets werd gezet. Het kreeg een boterham met choco mee, een schooltas die minstens evenveel woog als het kind zelf en, wanneer het regende, een plastic cape waaronder het langzaam werd gaar gestoomd. Een helm kwam daar niet aan te pas. Wij reden met blote knieën, loshangende veters en een dynamo die vaak alleen licht gaf wanneer we bergaf reden, wat in grote delen van Vlaanderen een bijzonder weinig betrouwbare vorm van verkeersveiligheid was.
Dat we dat allemaal hebben overleefd, wordt door mijn generatie weleens als bewijs van onze taaiheid aangehaald. Je hoort je ze nog geregeld, de mannen die beweren dat zij vroeger zonder helm, zonder fluohesje en zonder enig benul van de voorrangsregels naar school fietsten en dat er nooit iets gebeurde. Meestal vertellen ze dat vanuit een luie zetel waarin ze al drie kwartier zoeken naar een houding die hun rug niet doet protesteren, zwaar biertje en de afstandsbediening binnen handbereik.
Ondertussen ziet de ochtendspits aan de schoolpoort eruit als de start van een kleine wielerwedstrijd waarvoor de organisatoren opvallend veel deelnemers onder de twaalf jaar hebben toegelaten. De kinderen dragen helmen in kleuren die vroeger uitsluitend werden gebruikt om reddingsboten op volle zee terug te vinden. Felgeel, gifgroen, knalroze of hemelsblauw met een eenhoorn erop: geen automobilist kan achteraf beweren dat hij het kind niet heeft gezien, tenzij hij op dat ogenblik met beide ogen dicht een bericht naar zijn boekhouder of minnares zat te sturen.
En dat is goed (niet dat bericht, maar de helm). Laat daar geen misverstand over bestaan. Een kinderhoofd is te kostbaar om het tegen de grond te laten smakken, zeker nu het verkeer een mengeling is geworden van auto’s, fietsen, bakfietsen, elektrische fietsen, speedpedelecs en steps waarop mensen rechtop door de stad sjezen.
Ook wie zich met twintig kilometer per uur op twee kleine wieltjes voortbeweegt, doet er verstandig aan het hoofd enigszins te beschermen. Twintig kilometer per uur klinkt bescheiden wanneer je in een auto zit, maar veel indrukwekkender wanneer je voorwiel blijft haken achter een kiezelsteen met grootheidswaanzin.
Wat mij aan de schoolpoort vooral opvalt, is iets anders. Het kind wordt doorgaans volledig beveiligd. Helm op het hoofd, fluohesje om het lijf, reflectoren aan de fiets, lampen voor en achter en soms nog een vlaggetje erbovenop, waardoor het geheel iets krijgt van een diplomatieke missie door vijandelijk gebied. Naast dat kind fietst vervolgens vader of moeder, zonder helm, met een boodschappentas aan het stuur en een telefoon binnen handbereik, in de illusie dat een volwassen schedel bij een val blijkbaar gewoon terugveert.
Dat moet een bijzondere leeftijd zijn, het moment waarop het menselijke hoofd plots onbreekbaar wordt. Vermoedelijk gebeurt het ergens tussen de plechtige communie en het behalen van het rijbewijs, maar niemand heeft mij ooit kunnen vertellen wanneer precies. Misschien krijg je op je achttiende verjaardag, samen met het stemrecht en de toestemming om sterke drank te kopen, een onzichtbare beschermlaag rond de hersenpan. Kinderen bestaan uit breekbaar porselein, volwassenen kennelijk uit gewapend beton.
Het levert vreemde taferelen op. Een moeder fietst voorop en kijkt om de tien seconden achterom of haar zoontje nog volgt, wat op zich liefdevol is, al rijdt ze daardoor zelf ongeveer de helft van de tijd zonder te zien wat zich vóór haar afspeelt. Het zoontje draagt een helm die vermoedelijk in een windtunnel werd ontwikkeld en die bij een botsing met een bestelwagen eerst automatisch de hulpdiensten belt en daarna ook nog zijn huiswerk afmaakt. Moeder zelf heeft haar lange haren in een losse knot gebonden en zit in gedachten al bij het avondeten.
Vaders hebben een andere techniek. Zij rijden vaak achter het kind en geven onderweg aanwijzingen die door de wind, het verkeer en een zekere natuurlijke vaderlijke onduidelijkheid nauwelijks te verstaan zijn. “Rechts houden! Niet zo rechts! Kijken! Vooruitkijken! Niet naar mij kijken!” Het kind probeert al die bevelen tegelijk uit te voeren en slingert daarbij over het fietspad als een beginnende koorddanser, terwijl vader zonder helm demonstratief één hand van het stuur haalt om te wijzen naar het gevaar waarvoor hij zijn zoon wil waarschuwen.
Misschien zit daar een oude menselijke reflex achter. Ouders willen hun kinderen beschermen en vergeten daarbij geregeld dat ze zelf deel uitmaken van het gezin. Ze smeren factor vijftig op de schouders van hun kroost en gaan vervolgens zelf drie uur in de zon liggen tot ze eruitzien als een vergeten chipolata op de barbecue. Ze snijden druiven doormidden om verstikking te voorkomen, maar eten ondertussen achter het stuur een broodje waarvan de mayonaise via hun elleboog langs de versnellingspook loopt. Ze controleren of het kind veilig is ingesnoerd en vertrekken daarna zonder hun eigen gordel vast te klikken, want het is maar tot aan de bakker.
Ikzelf mag in deze kwestie overigens niet op een verhoog gaan staan om de voorbijgangers de les te lezen. Ik fiets al sinds mijn twaalfde en kreeg op mijn zestiende mijn eerste koersfiets. Intussen ben ik aan mijn vierde koersfiets toe, bezit ik ook een mountainbike en leg ik nog geregeld mijn kilometers af, maar jarenlang droeg ik geen helm. Eerst omdat ik niet eens wist dat zoiets voor een gewone fietser bestond en later omdat ik het nut er niet van inzag. Mijn hoofd had het tot dan toe zonder hulpmiddelen gedaan en leek niet van plan plots ontslag te nemen.
De ommekeer kwam zowat vijftien jaar geleden, toen ik bij de aankoop van een vorige koersfiets voor het eerst werd geconfronteerd met het fenomeen klikpedalen. Ik was toen een rijpe veertiger en besefte dat er een moment komt waarop een mens zich moet aanpassen aan de moderne tijd, al is het maar om te vermijden dat de moderne tijd zonder hem verdergaat. Helemaal blind vertrouwde ik de vooruitgang niet. Ik liet pedalen monteren waarop ik aan de ene kant kon inklikken, terwijl ik aan de andere kant met gewone schoenen kon fietsen. Zo behield ik tenminste een nooduitgang.
De eerste tijd reed ik met een ei in de broek en slechts één voet vastgeklikt. Dat moet er merkwaardig hebben uitgezien: een wielertoerist die met zijn ene been volop in de eenentwintigste eeuw zat en met het andere veiligheidshalve in 1978 bleef. Mijn angst was trouwens niet geheel denkbeeldig. Wie met klikpedalen plots moet stoppen en niet tijdig de juiste draaibeweging met zijn voet maakt, blijft keurig aan zijn fiets bevestigd en valt vervolgens zijwaarts om. Niet spectaculair, wel onvermijdelijk en bij voorkeur ten overstaan van een volledig gevuld terras met de smartphone in de aanslag.
In diezelfde periode begon ik ook een fietshelm te dragen. Eerst vond ik het een vreemd en storend pothelmachtig gedoe, alsof ik niet ging fietsen maar mij aanmeldde voor een baantje in een steengroeve. Alleen al het gevoel dat er iets op mijn hoofd stond, hield mij meer bezig dan het verkeer waarvoor dat ding bescherming moest bieden. Maar zo gaat dat met veel verstandige gewoonten: je zucht wat, je prutst aan de riempjes, je vraagt je af waarom alles vroeger eenvoudiger was en na een tijdje vergeet je dat je een helm draagt.
Gelukkig maar dat ik die reflex heb aangeleerd. Enkele jaren later moest ik bij een groen verkeerslicht plots bruusk stoppen omdat een auto kwam doorscheuren en mijn weg kruiste. Ik raakte nog tijdig uit mijn klikpedalen, wat ik op dat moment als een persoonlijke triomf had kunnen beschouwen, ware het niet dat ik meteen daarna pardoes tegen de grond ging en met mijn hoofd op het wegdek terechtkwam. De helm was in het midden doormidden gekliefd.
Een helm die in twee stukken ligt, maakt meer indruk dan honderd folders over verkeersveiligheid. Mijn hoofd laat zich minder gemakkelijk vervangen dan een stuk piepschuim met een riempje eraan. Sindsdien hoef ik mezelf niet meer te overtuigen. Ik zet mijn helm op zoals ik mijn schoenen aantrek: zonder debat, zonder innerlijke vergadering en zonder elke keer opnieuw de voor- en nadelen af te wegen.
Er speelt bij veel mensen wellicht ook ijdelheid mee, al geven we dat liever niet toe. Kinderen zien er met een helm aandoenlijk uit. Volwassenen vrezen dat ze ermee lijken op een champignon die lid is geworden van een reddingsbrigade. Wie ’s ochtends een kwartier voor de spiegel heeft besteed aan het scheppen van een kapsel dat tegelijk zorgeloos en zorgvuldig onderhouden moet lijken, zet daar niet graag een stuk piepschuim met ventilatiegaten bovenop.
De fietshelm bevindt zich in een merkwaardige maatschappelijke positie. Niemand durft er openlijk tegen te zijn, maar velen dragen hem alleen wanneer er voldoende kans bestaat dat iemand hen als sportief zal herkennen. In volledige wieleruitrusting, met een bril waarvan de glazen het halve gezicht bedekken en een broek waarin geen enkele man vrijwillig een bakkerij zou binnenwandelen, hoort de helm erbij. Op weg naar school, de bibliotheek of de frituur blijkt hetzelfde hoofd plots aanzienlijk minder bescherming nodig te hebben. Wij beoordelen risico’s niet op basis van gevaar, maar op basis van decor. Wie op zondag met een koersfiets langs de Schelde rijdt, beschouwt een helm als vanzelfsprekend. Wie maandagochtend met precies dezelfde snelheid naar het werk fietst, vindt hem overdreven. Alsof het asfalt op werkdagen zachter is of een stoeprand eerst vraagt of de val recreatief dan wel professioneel bedoeld is.
Ik pleit niet voor een samenleving waarin iedereen zich vanaf het verlaten van de voordeur inpakt in schuimrubber. Het leven mag nog een beetje schuren en wie ieder mogelijk ongeluk wil uitsluiten, kan uiteindelijk alleen nog in bed blijven, al gebeuren daar statistisch vermoedelijk ook dingen waar verzekeringsmaatschappijen formulieren voor hebben. Bovendien bestaat het gevaar dat we elkaar straks aan de schoolpoort streng gaan controleren. “Mooie ochtend, buurman. Je dochter draagt een helm, maar ik stel vast dat je zelf met een onbeschermde fontanel onderweg bent.”
Toch zou enige consequentie geen kwaad kunnen. Een kind leert minder van wat een ouder zegt dan van wat die ouder doet, zeker wanneer wat die ouder doet vlak naast hem op het fietspad gebeurt. Wie zijn dochter uitlegt dat een helm belangrijk is en daarna zelf blootshoofds vertrekt, geeft eigenlijk een eigenaardige boodschap mee: veiligheid is essentieel zolang je klein bent, maar zodra je belastingen betaalt, mag je gewoon op geluk vertrouwen.
Misschien moeten de kinderen daarom voortaan voor vertrek hun ouders controleren. “Helm vast? Licht aan? Telefoon opgeborgen? Goed zo, papa.” Daarna mogen vader en moeder een sticker kiezen en wordt er alleen vertrokken wanneer iedereen veilig is uitgerust. Het zou de natuurlijke orde enigszins omkeren, maar aan veel Vlaamse ontbijttafels is die omkering toch al langer bezig.
De moderne fietshelm is tenslotte geen teken van angst, maar van een zeldzaam helder ogenblik waarop een mens toegeeft dat zijn hoofd niet vervangbaar is. We beschermen onze telefoon met een hoesje, een schermfolie en soms zelfs een verzekering tegen onvrijwillige onderdompeling in het toilet. Voor onze hersenen, waarin wachtwoorden, herinneringen, liefdes, ergernissen en het recept voor grootmoeders soep door elkaar liggen opgeslagen, vinden we bescherming al gauw een beetje overdreven.
Zet dus gerust een helm op het hoofd van je kind, liefst zo’n hip exemplaar met sterren, dinosaurussen of een kleur die vanuit een satelliet zichtbaar is. Maar kijk voor je vertrekt ook even in de spiegel. Niet om te controleren of je kapsel nog goed zit, maar om je af te vragen waarom het hoofd dat het kind naar school brengt blijkbaar minder waard zou zijn dan het hoofd dat straks in de klas moet leren rekenen.
En mocht je mij binnenkort met een helm in de supermarkt aantreffen, terwijl ik tussen de prei en de aardappelen naar mijn boodschappenlijstje zoek, lach dan gerust. Ik ben niet vergeten hem af te zetten. Ik probeer alleen het goede voorbeeld te geven, al kan het natuurlijk ook zijn dat ik alweer niet meer weet wat ik precies kwam kopen.
















