Meermaals word ik ’s morgens geconfronteerd met de waarheid dat dromen echt bedrogen is. Met name Liliane, de eega, brengt bij het ontbijt nogal vaak ter sprake wat ze tijdens de nacht beleefd heeft, maar dan niet letterlijk en gelukkig maar voor haar. Maar toch één keer is ze ter zake geklopt door Stefaan, de goede vriend en uitgever van mijn fictiewerk via ‘zijn Partizaan’. Hij telefoneert mij elke dag en zo wisselen wij telkens weer onze ervaringen uit, met nadruk uiteraard op schrijven van ingebeelde verhalen.
Die dag was hij veel vroeger dan verwacht en dat kwam niet omdat hij iets bijzonders te melden had over de schrijfsels, eentje van hem of eentje van mij. Neen, hij had die nacht iets heel bijzonders gedroomd. Ik, Robert Janssens, had samen met hem en misschien zelfs met Liliane rondgevlogen in een helikopter, die… ik bestuurde. Als het te doen is om de mensen iets wijs te maken, dan kan het niet beter zijn. Ik heb er mijn lang leven nooit aan gedacht om piloot van gelijk welk vliegend tuig te worden en zo dat ooit toch eens ter sprake zou gekomen zijn, dan zou ik dat nooit in zo’n tuig met de wieken boven je kop gedaan. Ik moet daarbij zeggen dat ik heel mijn leven lang rondgelopen, rondgereden en rondgevlogen heb op alle mogelijke manieren, zonder ook maar één seconde bang te zijn. Ik voelde mij even gerust is een gigantische Boeing, in een met een tweehonderd honderd kilometer per uur rondrazende trein, in een krakkemikkig autotootje of op een fiets waarmee ik, in mijn prille jeugdjaren, dacht dat ik records kon kloppen. Maar in een helikopter voelde ik mij minder op mijn gemak en ik heb er dan ook maar een keer in gezeten. Dat was tijdens een van de Ronden van Frankrijk die ik als journalist gevolgd heb en waarin ik de kans kreeg om met directeur Jean-Marie Leblanc en nog enkele andere kompanen voor de start van een etappe even mee over en weer te vliegen naar een piepklein dorpje, dat niet heel dicht bij het de vertrekstad lag. En er dus… een helikopter nodig was om ons binnen een beperkte tijd heen en terug te brengen en tussendoor een bloemenkrans neer te leggen op het graf van een geliefde confrater, die niet zo lang daarvoor gestorven was. Ik beken eerlijk dat het niet de prettigste ervaring uit mijn leven werd, omdat zo’n ding soms nogal rare bewegingen maakt, op en neer zonder dat een mens zich daaraan verwacht. En ik zou dan, in de droom van Stefaan, als bestuurder van zo’n tuig zelfs door een… zaal gevlogen zijn. Kom nu!
Ook Liliane pakte onlangs bij het ontbijt nog eens uit met een vertelsel dat nooit of nooit waar kon- of zou kunnen zijn. Over het algemeen belandt ze in haar dromen ergens te velde, zonder te beseffen waar ze zich bevindt en vooral zonder te weten hoe ze daar weg kan geraken. Die ene keer was het te doen in een restaurant, waarin ze omringd werd door heel wat mensen. Wie haar vergezelde kon ze zich niet meer herinneren, wie er al was wèl, met name niemand minder dan Donald Trump, die waarschijnlijk zal verzocht hebben op elke tafel een lege bokaal te zetten, waarvan niemand besefte wat die daar te doen stond. En zich afvroeg of die ze die mee naar huis mochten nemen of niet. Kwestie was of de Amerikaanse president inspirator was van het menu, dat alleen maar slecht, heel slecht eten te bieden had. Op mijn vraag of Liliane daarvan die ochtend nog een nasmaak had, keek ze mij alleen maar met verwonderde ogen aan.
Ik, tenslotte, ik heb weinig last ondervonden van het nachtelijk bedrog, om het dromen eens zo te noemen. Ik zal dat laatste wel doen zoals iedereen, maar herinner mij daar ’s ochtends zelden of nooit nog iets van. Behalve die ene morgen, toen ik nog wist dat ik Stefaan de lay-out op scherm liet zetten van de vier romans die ik voor mijn negentigste levensjaar nog wilde schrijven. Hij deed het, maar zonder de minste indicatie van wat ik op die kale bladzijden te schrijven had. Wat spijtig was, want een van de problemen die schrijvers moeten verwerken is dat zij, als zij aan het einde van een voorlopig laatste verhaal geraken, al eens gaan mijmeren over wat hun volgende onderwerp kan zijn en dat niet altijd kunnen bedenken. En ik, beste lezer, ik kreeg die vier blanco ‘files’ toegestuurd, zonder dat er ook maar een tipje op getikt stond dat mij op de weg zou helpen naar een volgend boek. Van bedrog gesproken…
Robert Janssens
P.S. Tijdens de nacht, volgend op de avond waarop ik dit stukje geschreven had, droomde ik toch nog eens. Ik wilde absoluut dat cursiefje opnieuw bekijken, in de overtuiging dat het een klein meesterwerkje zou zijn. Maar neen: er stond geen regel in die duidelijk geschreven was, geen paragraaf die leerde waar het over ging. Bedrog, alweer bedrog.
Notitie van Stefaan Van Laere: die droom klopt, het was enkele jaren terug bij de start van de Omloop Het Nieuwsblad en tijdens die droom vloog Robert met onze vrouwen en mijzelf onversaagd rond met de helikopter in de enorme hal waar de renners en vele toeschouwers zich aan zijn vliegkunsten vergaapten. Op de vraag voor we begonnen te vliegen aan Robert of hij wel al eerder een helikopter bestuurd had gaf hij het weinig geruststellende antwoord: “Nee, maar zo moeilijk kan dat niet zijn…”
Twee jongens
De nieuwe roman ´Twee jongens´ van Robert Janssens is pas verschenen bij Uitgeverij Partizaan. U leest er hier meer over. Zoals steeds is de covertekening van de hand van Zoë Baert, die hem ‘opi’ mag noemen…















