Lucht
Ik wil een drijvende wolk zijn,
langzaam aan onaantastbaar,
vluchtig, niet te bevatten.
Niemand kan me raken.
Ik ben ver weg, boven alles.
Grond
Ik ben moeder aarde,
een neerstortende waterval
in het diepe gebergte,
en ritselend blad
dat neerdwarrelt in de herfst.
Het windgesuis voert me
waarheen het wil,
blad of wolk.
Water
Een geluidloze rivier
waar een libel overheen scheert
en tijdelijke littekens
vormt op het oppervlak.
Of bulderende golven
die tegen kliffen smakken,
zich afrollen
over het strand.
Vuur
Brandt niet meer
waar het eerder zat.
Verdooft
tot het een enorme kilte achterlaat.
Nog een zacht geknetter.
Een paar laatste gedachten
verdrinken
in de wakkerende vlammen.
Waarheen nu,
als de laatste vonken
niet meer smachten
om opgestoken te worden?
Debby Panken














