Een lyrische Robert Janssens kijkt nog even terug op een bewogen Milaan-Sanremo…
Van de journalist wordt, waarover hij ook schrijft, meer rede dan gevoel geëist. De waarheid moet in elk geval ruim de bovenhand halen op de verbeelding, wat niet altijd even gemakkelijk is, ook en vooral niet in de sport en in het wielrennen bij uitstek, wat ik zelf heb kunnen ervaren, 44 jaar lang. Je zet daarbij een neutrale bril op en vergeet, eens beland achter de schrijfmachine destijds en de computer nu, de hartkloppingen, ervaren bij bepaalde fases van de wedstrijd of de reacties, uitgelokt door de kranige strijders.
Nu, zovele jaren na mijn op pensioenstelling, ben ik niet meer gebonden aan die nooit geboekte wetten en ervaar het hele wielerseizoen door wat die sport allemaal bij de mens kan veroorzaken. Milaan-Sanremo 2026, nog maar net verreden, bracht mij in de hoogste staat van opwinding, wat mij nog maar eens deed beseffen dat ik die Italiaanse klassieker – elk jaar als eerste topper op de agenda – als de grootste van de reeks blijf beschouwen, tenminste wat de ééndagskoersen betreft. Ik probeer nu te zeggen (of te schrijven natuurlijk) waarom. Om te beginnen is er de afstand: dit jaar 299 kilometer, waarmee er nog eens aan herinnerd wordt dat een van de belangrijke vereisten in bepaalde vormen van topsport uithoudingsvermogen moet zijn. Vervolgens is er het parkoers, dat volgens mij langs de Riviera en van bij de eerste uitgave zo goed als volmaakt mag beschouwd worden. Er zijn wel wat hellingen te beklimmen, maar niet zo hoog en lastig als in die andere superklassiekers, Luik-Bastenaken-Luik in het voorjaar, de Ronde van Lombardije in die herfst. Daarin moet men bijna een echte klimmer zijn om succes te boeken, wat in de ‘primavera’ niet het geval is. Bewijs: ook typische sprinters kunnen op de Via Roma juichend hun arm in de lucht steken. Tevens is het zo dat Sanremo bereikt wordt via keurig onderhouden wegen, waardoor in principe het risico op valpartijen zeker niet zo groot is als bijvoorbeeld in de kasseikoersen als Parijs-Roubaix vooral en ook de Ronde van Vlaanderen. Dat er, overheen de capi (hellingen langs de kust), de Cipressa en de Poggio al eens renners tegen de grond gaan, is over het algemeen het resultaat van al te veel risico nemen, in die de scherpe bochten die ervaren coureurs best bekwaam zijn af te werken zonder tegen de grond te gaan. En doen ze dat niet, dat voorzichtige draaien en keren, dan kunnen ze de gevolgen daarvan toch nog hertellen. Bewijs: de mannen die zaterdag de koers bepaalden en de uitslag sierden, gingen, toen de eindstrijd als volop bezig was, ook tegen de grond, zonder al te nadelige gevolgen, integendeel. Pogacar, van der Poel en van Aert speelden, ondanks hun tuimelingen, een bepalende rol in de eindstrijd, de Sloveen en de Belg kwamen als de nummers een en drie op het podium en de onvoorstelbare Tadej slaagde er zelfs in de als sneller gequoteerde Pidcock in de spurt te kloppen. Dan wanneer die, denk ik toch, niet tegen de grond gekomen is.
Milaan-Sanremo is groots, ook al omdat heel de race door, tot op het einde, zoveel mogelijk blijft.
Wout van Aert verwoordde het achteraf nog het best. Hij ging ook tegen de grond, geraakte rap weer op de fiets, maar moest dan een tweede keer halthouden om een reserve-rijwiel te krijgen. Hij was een groot gedeelte van de finale onzichtbaar geworden, tot hij plots, overheen de Poggio en heel alleen, de weg naar de derde plaats oprukte.
-In deze koers is er niet rap iets definitiefs verloren, stelde hij achteraf, tevreden omdat hij ondanks pech toch op het podium geraakte. Je moet, wat er ook gebeurt, altijd maar blijven doorrennen, zonder rekening te houden met wat er eerder gebeurde.
Van Milaan-Sanremo werd gezegd dat het de ‘koers van de verrassingen’ is. Wat destijds wel al eens bewezen werd door renners die niet direct bekwaam bevonden werden om te winnen, maar dat wel deden omdat vele toppers… afwezig bleven. Wat kwam omdat ze pas later in topconditie geraakten, gezien het aantal wedstrijden dat op hun programma gezet werd en ze niet in maart al wilden schitteren, omdat ze dat nog en vooral moesten doen in april, in mei, in juni, tot in juli, wanneer de Tour de France geprogrammeerd staat.
Eddy Merckx (zeven overwinningen) en Roger De Vlaeminck (drie) toonden aan dat men ook al in Sanremo kon winnen om dat nog nog verder, heel de campagne door, te doen. Merckx startte telkens weer in topvorm, ook omdat hij in de winter al op de piste koerste, De Vlaeminck deed hetzelfde, met wel wat veldritten in de benen. En nu doet men dat nog anders. Nu wordt er zodanig geprogrammeerd getraind dat men tot op de dag na kan stellen wanneer de topvorm bereikt wordt, zonder daarvoor een groot aantal minder belangrijke wedstrijden te moeten afwerken. Bewijs daarvan: Tadej Pogacar was in Milaan maar aan zijn tweede koers begonnen, na de lastige Strade Bianche…. waarin hij ook triomfeerde.
Robert Janssens













