Laat mij beginnen met een kleine samenvatting voor wie de column van mijn gewaardeerde collega Marnix Peeters in Het Laatste Nieuws dit weekend niet gelezen heeft — wat perfect mogelijk is, want niet iedereen verslindt columns terwijl hij ’s nachts met een Paix Dieu in de hand existentialistische literatuur zit te consumeren.
Marnix verdedigt het matige gebruik van alcohol. Niet het bingedrinken van festivalweiden of het chemisch ondersteunde weekendgeweld, maar het beschaafde drinken: een glas als compagnon, een drankje als rustpunt, een koelkast als emotionele veiligheidszone. Hij beschrijft zelfs hoe hij licht zenuwachtig wordt bij de gedachte dat er géén drank meer in huis is. Een leeg rek in de frigo als existentiële dreiging.
En weet je wat, Marnix?
Ik begrijp dat.
Alleen: ik drink al tien jaar niet meer.
Niet uit religieuze overtuiging. Niet omdat ik plots spiritueel ontwaken beleefde op een yogamat in een voormalige varkensstal. Gewoon… omdat het (na misschien wel de moeilijkste periode in mijn leven en niet iets te vaak heel diep het glas kijken) genoeg geweest was. Mijn lever en ik hebben toen een vredesakkoord gesloten. Een soort klimaatverdrag, maar dan met minder politieke tegenstand.
Ik gun iedereen zijn glas. Twee glazen. Drie glazen zelfs, voor mijn part een volle fles of een bak. Zolang je maar niet begint te zingen alsof je auditie doet voor The Voice Senior terwijl je eigenlijk klinkt als een achteruitrijdende vuilniswagen.
Want dát is het vreemde aan stoppen met drinken: je ontdekt plots hoe dronken andere mensen eigenlijk kunnen zijn, en wat dat met ze doet.
Vroeger viel dat niet op.
Toen zat ik zelf midden in de doelgroep.
Nu sta ik erbij als een nuchtere antropoloog die een onbekende stam observeert. Fascinerend volk, drinkers. Ze beginnen de avond als rationele burgers en eindigen als filosofen die je diep in de ogen kijken en zeggen:
“Ge zijt écht nen goeie mens, wist ge dat?”
Dat moment komt altijd. Onvermijdelijk. Rond 23u17.
En dan volgt fase twee: herhaling.
Alles wordt tweemaal verteld. Soms driemaal.
Ik knik dan vriendelijk alsof ik een podcast herbeluister.
Het schokkendste moment blijft echter wanneer iemand ontdekt dat je niet drinkt.
De stilte.
Alsof ik zonet bekend heb gemaakt dat ik thuis vrijwillig naar podcasts over het kweken van klimop kijk.
“Echt niets?”
“Nee.”
“Zelfs geen glas?”
“Nee.”
“Maar… waarom leef je dan nog?”
Marnix, jij schrijft dat mensen niet meer weten hoe ze moeten drinken. Daar zit iets in. Vroeger werd drinken aangeleerd zoals fietsen: langzaam, met schaafwonden maar ook met stijl. Vandaag lijkt het soms een snelheidstest richting bewustzijnsverlies.
Ik herinner me cafés waar een pint een gesprek begeleidde. Nu begeleidt het gesprek soms het drinken.
Maar begrijp me niet verkeerd: ik ben geen missionaris van de sparoodbrigade. Ik sta niet op feestjes met folders over hydratatie. Ik predik niets. Ik observeer. Met mildheid.
Want eerlijk? Soms mis ik het wel.
Niet de kater — die absoluut niet.
Wel dat eerste terras in de lente.
Dat glas dat klinkt als vakantie.
Die illusie dat alle problemen tijdelijk opgelost zijn door gerst en hop.
Alleen ontdekte ik iets verrassends: die momenten bestaan ook zonder alcohol. Ze komen stiller binnen. Minder spectaculair. Maar ze blijven langer hangen.
En ja, soms zit ik tussen een groep vrolijk aangeschoten vrienden en denk ik: dit lijkt een natuurdocumentaire. Ik ben de enige pinguïn die niet over het ijs schuift.
Maar ik lach mee. Altijd.
Want uiteindelijk gaat het niet over drank. Het gaat over gezelschap. Over verhalen. Over mensen die even willen ontsnappen aan het gewicht van het bestaan — met of zonder glas.
Dus beste Marnix: houd gerust je koelkast gevuld. Slaap zacht naast je Paix Dieu. Lees verder in Midas Dekkers om drie uur ’s nachts.
Ik zit ondertussen met een kop thee of een mocktail tussen de zatlappen — en geloof me — dat is soms minstens even avontuurlijk. Soms drink ik zelfs een alcoholvrij biertje; ze zijn steeds beter van smaak al blijft het natuurlijk surrogaat. Het bredere aanbod komt er trouwens niet door de bekommernis van de producenten voor onze gezondheid, maar omdat er rek in deze markt zit. Maar dat is voer voor een andere column.
Laat iedereen drinken wat hij wil.
Zolang niemand anders de kater moet dragen.














