Dreigende regenwolken dreven boven de kale populieren langs de vijver. Vanachter zijn bureau keek Ruben toe hoe de lucht langzaam maar zeker donkerder werd, alsof de hemel zelf een kwaadaardige glimlach liet zien. Het zou niet lang meer duren voordat de eerste regendruppels tegen de ramen van het kantoorgebouw zouden kletteren.
Hij stond op en slofte naar de radiator. Die voelde al warm aan, maar toch draaide hij de thermostatische kraan op de hoogste stand. Het betonnen gebouw was opgetrokken in een tijd waarin de opwarming van de aarde nog geen onderwerp van gesprek was, en het was hopeloos slecht geïsoleerd. De wind sloop door de kieren, sneed door het hout en het beton, en bracht de kilte naar binnen. Het leek wel een wraak van de natuur zelf.
Ruben knipte de bureaulamp aan en probeerde een korte tijd in het licht te staren. Hij vroeg zich af hoe lang het zou duren voordat de lamp hem zou verblinden, zoals je vaak in films zag. Even twijfelde hij, maar hij schakelde de lamp uiteindelijk weer uit.
Op de radio klonken bijna voortdurend kerstliedjes, af en toe over het kindje Jezus, maar meestal over eenzame mannen die met Kerst naar huis verlangden. Met een diepe zucht zette Ruben de radio uit. Al jaren voelde hij geen vreugde meer voor het kerstgebeuren.
Ruben merkte dat het hard begon te regenen. Ook vielen er hagelstenen. Toch zou het weer de komende dagen erg moeten omslaan als men met Kerst zonder risico’s op de vijver wilde schaatsen. Hij ging voor het raam staan en zag hoe de auto’s op straat met ontstoken lichten reden. Iemands paraplu waaide weg, en hij zocht beschutting in het portaal van het kantoorgebouw. Een zwak glimlachje speelde op Rubens lippen. Gedeelde smart is halve smart, dacht hij.
Ruben legde zijn handen op de radiator en voelde hoe die nu roodgloeiend was. Straks zou hij misschien hoofdpijn krijgen van de warmte.
Natuurlijk was hij vergeten een cadeau voor zijn ouders te kopen. Ruben was al onderweg, toen het hem te binnen schoot. Hij stopte bij een kruidenierszaak die zelfs op kerstavond lang open bleef. Tot zijn verbazing was er niemand in de winkel. Voor een stapel blikken erwten stond een kartonnen kerstman, uit elkaar gerukt door ongeduldige kinderhanden. Er speelde geen kerstmuziek, en Ruben overwoog even dat de winkel reeds gesloten was, maar dat men er niet aan gedacht had om af te sluiten. Hij wilde net weglopen toen de winkelierster opdook.
Ruben koos een bloeiende kerstroos uit de rij potten die voor de toonbank stonden. De winkelierster pakte de bloempot in met een feestelijk papiertje waarop goudkleurige kerstballen prijkten. Ze merkte op dat het weer nog enigszins meeviel in vergelijking met de afgelopen dagen.
‘In zekere zin wel,’ gaf hij toe, terwijl hij het geld in zijn klamme handen klaar hield. ‘Het kan altijd slechter.’
‘Een witte kerst is wel mooi,’ vervolgde de winkelierster. ‘Ideaal voor de foto’s. Maar dit weer is veiliger op de weg. Een ongeluk zit in een klein hoekje.’
‘Ja,’ onderbrak hij haar bars. Hij trapte ongeduldig met zijn voeten. ‘Wat kost het?’
Hij betaalde meer dan in het warenhuis, maar kreeg een chocolaatje mee.
‘We hadden je al eerder verwacht,’ zei Rubens vader, terwijl hij op zijn horloge keek.
Ze hadden zich uit de naad gewerkt om het huis in kerstsfeer te krijgen. Aan de voordeur was een kerstkrans bevestigd, de slingers hingen wat slordig door de woonkamer, en naast het kerststalletje stond de kunstkerstboom, met de cadeautjes netjes onderaan. Het was hun poging om de familietraditie in stand te houden.
Ruben plaatste zijn kerstroos tussen de andere pakjes. Het stoorde hem dat de lichtjes in de boom nog niet brandden. Ze wachtten nog steeds op hem om de lampjes aan te zetten. Dat was altijd al zo geweest, sinds hij amper kon lopen.
Vader had het alcoholvrije aperitief reeds ingeschonken en de glazen op een dienblad klaargezet. ‘Proost,’ zei hij, maar hij herpakte zich onmiddellijk: ‘Wacht, ik haal eerst je moeder uit de keuken.’
Ze dronken op elkaars gezondheid en gingen daarna aan tafel om eendenborst met oesterzwammen te eten. Het smaakte Ruben niet erg, maar hij merkte schoorvoetend op dat hij het lekker vond. Zijn moeder was een voortreffelijke kok en waardeerde complimentjes over haar kookkunst.
‘Wil je een glas wijn?’ bood Rubens vader aan.
Ruben hield zijn hand boven zijn wijnglas. ‘Ik drink geen alcohol meer,’ bromde hij. Dat wisten ze toch. Was het nog niet erg genoeg wat er destijds was gebeurd? ‘Geef mij maar een cola zero.’
‘Het is kerstavond,’ zei zijn moeder.
‘Precies daarom,’ blafte hij terug. Zijn moeder schrok, en hij verontschuldigde zich ongemakkelijk.
Ze aten een tijdje in stilte verder. Na het dessert deelden ze de cadeautjes uit. Rubens moeder beweerde dat ze zijn kerstroos prachtig vond. Hij kreeg van hen een blauwe stropdas met gele stippen. ‘Bedankt,’ mompelde hij. Ruben zou de nieuwe stropdas toevoegen aan zijn al ruime collectie ongebruikte dassen.
Hij stond op en zette de televisie aan. Ze keken naar de middernachtsmis vanuit een kerkje in Tirol. Een gemengd koor zong Duitse kerstliederen, en Rubens moeder veegde, zoals de voorgaande jaren, de tranen uit haar ogen.
Toen hij zich klaarmaakte om te vertrekken, bedankte ze hem nogmaals voor de kerstroos en beloofde ze ervoor te zorgen.
‘Ik weet het,’ zei hij kortaf. ‘Jullie zijn ook bedankt.’
Op kerstdag nam hij een erg late lunch. Hij had lang in bed gelegen en zijn middagmaal met weinig enthousiasme bereid. Ruben was nog aan het afwassen toen er in de loop van de namiddag werd aangebeld.
Het was de buurvrouw van beneden, een onopvallende vrouw. Af en toe kwam hij haar tegen in de lift, waar ze dan een beleefdheidsgroet uitwisselden.
‘Kan ik iets voor u doen?’ vroeg hij koeltjes.
De buurvrouw schrok zichtbaar, en voor een kort moment leek het alsof ze onverrichter zake weer zou weggaan. Toen bood ze hem aarzelend haar kerstwensen aan, wat ze opmerkelijk hulpeloos deed. Tot zijn verbazing raakte dit Ruben. Pas op dat moment merkte hij dat ze een dessertbordje droeg, waarop een stuk kerststronk lag.
‘Zelf gebakken,’ verklaarde ze met een haastig teruggevonden fierheid.
‘Gebak is mijn zwakke plek,’ bekende Ruben eerlijk. ‘Het ziet er heerlijk uit.’
Amper een kwartier later stond Ruben voor haar deur, zijn overjas over zijn arm geslagen.
‘Ik wil u iets laten zien.’
De buurvrouw was verrast en bleef besluiteloos staan.
Ruben keek haar ontstemd aan. ‘Kom mee,’ zei hij op een dwingende toon.
Ze knikte een tikkeltje geïntimideerd. Snel haalde ze een kam door haar haren en sloeg ze haar wintermantel om haar schouders. ‘Waar gaan we heen?’ vroeg ze met een bang stemmetje.
Ze stond dicht bij Ruben, die een kop groter was dan zij. Het was een bedreigende gewaarwording.
‘Dat zie je zo dadelijk wel,’ zei hij.
Hij bracht haar naar de vijver. De wind blies hard en sneed door alles heen. Aan de overkant jaagde een loslopende hond achter een meeuw. Verder was er niets of niemand. De buurvrouw vond het een beetje eng en rilde.
‘Zie je die grote vogelnesten in de populieren?’ vroeg hij.
‘Ja,’ knikte ze, haar gezicht oogde strak en bedremmeld.
‘Reigernesten.’
Ze keek naar de ogenschijnlijk verlaten nesten met een onderzoekende blik en had het zichtbaar koud. In haar haast was ze haar sjaal en handschoenen vergeten. Nu stond ze daar, in de gure kou, starend naar die nesten, en vroeg zich af waarom ze hier in godsnaam stond te staren, terwijl de eerste avondschemering als een deken over de wereld viel.
Zijn blik dwaalde plotseling weg en gleed dromerig over het wateroppervlak. ‘Hier kom ik als ik wil nadenken,’ vertelde hij.
Ze vroeg zich af of hij op dat moment behoefte had om na te denken en waarover dan wel op Kerstmis. En kon hij niet beter lekker warm binnen nadenken?
Ruben keek haar opnieuw aan en las de vragen in haar ogen. ‘Ik wil nadenken over auto’s die slippen en van de weg afglijden. Waarom moeten mensen sterven in een kerstnacht?’
De vraag greep de buurvrouw naar de keel. Ze wilde dat ze het wist, maar begreep dat een bevredigend antwoord niet mogelijk was. ‘Ik weet het niet,’ zei ze eerlijk. In een opwelling greep ze Rubens hand. Ze had het gevoel dat dat het enige was wat ze onmiddellijk voor hem kon doen. Ze was al blij dat hij zich niet losrukte.
‘Toen het jaren geleden gebeurde, hadden we net Kerst gevierd. Ik had te veel gedronken en was verstrooid. Mijn wagen raakte een elektriciteitspaal en een kabel knakte af. De hele buurt zat meer dan een uur zonder stroom. Alsof haar dood een vergissing was die geen licht verdroeg. Ik bleef achter en het werd koud in mijn hart. Met mijn schuldgevoel groeide ook mijn bitterheid.’
Omheen de vijver donkerde het snel. Het geblaf van de straathond klonk steeds verder weg. Men hoorde nu duidelijker de auto’s voorbijrazen op de ringweg rond de stad. De maan kwam op, voorzichtig, en de allereerste sterren verschenen. Eén ster straalde fel en bracht een warme gloed in de kille winteravond.
‘Ik ben blij dat ik hier deze keer niet alleen sta,’ zei Ruben na een lange stilte.
‘Ik ook. Ik wilde al lang eens de nesten van de reigers zien,’ zei ze behoedzaam. Ze kneep in zijn hand en forceerde een tedere glimlach.
Stefaan Desmet














