een kortverhaal
Op het koertje hangt aan een uitgerafelde draad het stijf bevroren wasgoed, strak als een uitgedroogd kadaver dat vogels moet verjagen. De lucht is koud en klaar, zonder wolken die het land verduisteren. Op de televisie is de zoveelste praatshow aan de macht, en daar komt alweer een huppelgroepje. De zangeres zet grote, bange reeënogen op. Ze zingt met schelle stem, maar dat zal wel playback zijn, weet Joaquim. Soepel bedient hij blindelings de afstandsbediening; zijn vanzelfsprekende nonchalance verraadt routine.
Hij drukt op het drukplafond van de thermoskan, maar het enige wat uit het tuitje komt is gerochel en gesputter. Weer eens leeg. Hij heeft geen fut genoeg om koffie te zetten en schenkt zich een bodempje port in uit de fles die al drie weken op de kast staat te verkommeren. Het smaakt flets, als schotelwater met nog een wolkje alcohol erin.
De vrieskou dringt langs de kieren van het raam naar binnen en maakt het huis ijzig, ook al heeft Joaquim de gaten zo goed mogelijk dichtgemaakt.
Ergens is het geluid van een schreeuwend kind te horen, het draagt ver over het water. Op zijn voorhoofd verschijnt een diepe frons. Langzaam verstommen de kreten om plaats te maken voor een loodzware stilte. Stuiptrekkingen, denkt hij, de laatste spartelingen van een kind dat door zijn ouders mishandeld wordt. Hij mag niet zoveel fakenews lezen.
Hij eet met trage, malende bewegingen van de peperkoek die zijn moeder hem enkele dagen geleden heeft bezorgd. Wat zie je er bleek uit, mijn jongen! Hij wikkelt de koek zorgvuldig in zilverpapier, tegen het uitdrogen. Hij schudt zijn hoofd, spant en ontspant de spieren van zijn nek, die pijnlijk aanvoelt, steekt een sigaret op, zuigt gulzig de rook in zijn longen en kucht kort, zonder echt te hoesten.
Ik heb tenminste het huis nog, flitst het door zijn hoofd. Maar het is een weinig opbeurende gedachte met een bittere bijsmaak. De geur en de muren, het namaakparket: niets bevalt hem. Het ware beter meteen de beuk erin te gooien. Alles plat tot op de grond, enkel nog een ruïne waarop hij dan wel een tentje zou neerpoten.
Het kind buiten is aan een nieuw krijsconcert begonnen. Trilt de huig in zijn mond, zoals bij borelingen? Of is dat maar kwakzalverspraat? Hij kan het zich niet herinneren en heeft ook geen enkele behoefte om het te weten. Het gloeiende punt van zijn sigaret verschroeit zijn bruine vingertoppen; dat eist voorlopig zijn aandacht op.
Met vaardige hand ratelt hij op zijn oude schrijfmachine een brief die hij nooit zal versturen, geadresseerd aan Bonnie. Hij rukt het blad met zoveel geweld uit de machine dat een deel van het papier blijft vastzitten.
JE KAN DE POT OP, JIJ
ROTWIJF, ALLES HEB JE
GESTOLEN, MIJN LEVEN
MIJN KIND
Hij bonkt op de toetsen en leest niet wat hij schrijft. Traag scheurt hij de restanten van het verfrommelde vel in kleine snippers, die hij boven zijn hoofd uitstrooit. Dat lucht op, en er kan zelfs een heel klein lachje af.
Herziening van de scène: Joaquim is niet wie hij lijkt. Het gebonk op de toetsen van zijn schrijfmachine — in geen jaren meer gebruikt, de o’s en de e’s lopen uit — verraadt een innerlijke bewogenheid, een gedrevenheid die hem interessant maakt. En wie is die Bonnie in hemelsnaam? Een of andere juffrouw die hij aanbidt, een hoer of een moeder-maagd?
Ik tast met mijn verrekijker de horizon af en weet dat ik voor zonderling versleten word. Terecht, sinds mijn benen niet meer meewillen. Ik moet leren mij wat te temperen.
Ik besloot hem Joaquim te noemen. Die naam heeft ergens een voorname bijklank, iets wat ik niet nader kan thuisbrengen. Hij drinkt veel bier, maak ik op uit het talrijke leeggoed dat de Turkse kinderen in het steegje tot blinkende scherven kloppen. Ze weken eerst de etiketten los, omdat daar een zo goed als naakte trut op staat. Waarschijnlijk hebben ze ergens een clubhuis met aan de muren halfvergane pin-ups, afgerukt van de glazen kijkkast van het cabaret halverwege de straat, waar brave huisvaders zich ’s avonds tijdens de wandeling met de hond aan vergapen.
Joaquim zal vroeg sterven, heb ik vannacht in een visioen gezien. Overal waren engelen die voortgedreven werden door een kudde vette, grijnzende heren met bokkenpoten. Toen werd het te erg en heb ik de droom stopgezet.
Ik klem mijn vingers krampachtig rond de reling van mijn rolstoel. Zal ik Joaquim opzoeken en hem zeggen wat ik van hem denk, denken wat ik van hem zeg? Joaquim, je bent een splijtzwam, een melkfistel, schimmel op hard brood, onnozele kloot. Straks misschien. Nu moet ik eerst mijn dutje doen, voor de dromen komen.
Hij roept op zijn zoon, als dat mormel tenminste van hem is. Het kereltje rijdt op een roodgelakt fietsje rond en laat zijn wielen ratelen door een speelkaart tussen de spaken te laten wapperen. Natuurlijk vastgezet met een wasknijper die hij van mij gepikt heeft. Maar mijn wraak zal zoet zijn: fietsje in de vaart, en ik salueer het na terwijl het zinkt.
Ik weiger de jicht voor werkelijkheid te nemen. Overal zijn nu oude, kruiperige mensen. Vroeger waren ze er natuurlijk ook al, maar toen lette ik niet zo op ze. Ze schamen zich in de wachtkamer bij de dokter omdat ze nog steeds niet dood zijn. Zie ze daar eens lopen, pijpje in de mond, grijs, een uitgedroogd vrouwtje aan de bevende arm. Gaan we een koffie drinken, schat? Koffie en geen bier, geen jenever die we vroeger met liters zopen. Nutteloos zijn ze, overbodige ballast.
Ik hoop maar dat Joaquim zijn nek breekt, zoals hij daar dwaas aan de dakgoot hangt te bengelen. Hij is natuurlijk weer te gierig om er een loodgieter bij te halen. En als hij een zwartwerker durft in te schakelen, bel ik de politie, zeker weten. Ik klaag hem aan, geef de nagels om hem te kruisigen. Wetten zijn er niet zomaar.
Joaquim denkt aan Bonnie. Natuurlijk denkt hij aan Bonnie. Het is zijn passie, hij vult er zijn dagen mee. Zijn nachten. Zijn weekends. Bezeten is hij van dat mens. Het huis staat leeg, het is er kil.
Geertje moet alweer weg. Nooit zegt hij “paps”. Ik ben hooguit een oompje voor hem, denkt Joaquim. De mysterieuze man die hem volpropt met koekjes en geschenken.
In zijn dagboek staat bij een bepaalde datum vermeld dat hij een rotzak is. Hij probeert de bijbehorende gebeurtenissen uit zijn geheugen op te delven. Misschien was het gewoon een dag van diepe droefgeestigheid. Misschien duwde Bonnie hem die dag uit bed — ga weg, ga weg! Misschien was hij die dag ook wel een rotzak.
En Geertje, die niet wil binnenkomen, valt van zijn fiets en bloedt, krijst, maar wil zich niet door hem laten verzorgen.
“Zin in een cola?” Paaien helpt soms, maar niet vandaag.
“Van jou hoef ik niets.” Dat is klare taal.
Joaquim leest de krant. Het is een oud exemplaar, gewikkeld rond het busseltje prei dat hij van de buren gekregen heeft. Ze laten het niet zo merken, maar ze hebben medelijden met hem. In een winkel zoeken ze een magazijnier. Was het maar niet zo koud, hij ging er anders meteen op af. Was het leven maar anders, meer — ja, wat eigenlijk?
Die vraag verlamt hem. Ergens moet er toch iets zijn. Een vrouw die blijft, een zoon die “papa” zegt. Hijzelf die functioneert.
“Ik heb me bedacht,” zegt Geertje wijs. “Geef die cola toch maar.”
Er is niet eens cola. “Een glaasje water dan?”
“Wat denk je wel!” tiert Geertje. “Ik wil je nooit meer zien!”
Hij sprint weg op zijn fietsje, ontwijkt ternauwernood een grote zwarte kat met nog slechts één oog, gaat weer onderuit en twijfelt of hij nu moet huilen. Hij zit op zijn bips, krabbend aan het korstje geronnen bloed op zijn knie.
“De groeten aan je moeder! En zeg haar—”
Ja, zeg haar wat eigenlijk? Dat ze mooi is? Alstublieft, kom terug? Dat nooit, wat denkt ze wel. Joaquim is nu het heertje, hoor je, komen en gaan wanneer en met wie het hem belieft. Alsof er iemand is die met hem zou willen meegaan.
Die vent zit weer te gluren in zijn rolstoel. Joaquim doet alsof hij het niet merkt. Te veel Hitchcock gezien, en op zijn leeftijd stijgt dat naar het hoofd. Ik zou nu een gruwelijke moord moeten plegen, denkt Joaquim, en knipogen naar de verrekijker terwijl ik mijn slachtoffer de keel dichtknijp.
Misschien is hij wel hees, rijdt hij wanhopig naar de telefoon en schreeuwt schorre klanken naar de agent die aan de andere kant van de lijn zijn collega’s gebaart dat er weer een van die hijgers bezig is. En ze pakken hem dan op, komen voor alle zekerheid eens bij me langs — je weet maar nooit. Maar ik ben heel onschuldig soep aan het koken. Ook een bordje, heren? En ze vinden het heerlijk, die Bonnie-soep. Haar vet drijft er in dikke ogen op, haar nieren zijn verrukkelijk mals.
Ik vraag me af wat zijn werkelijke naam is. Al hoef ik dat in feite niet te weten, want Joaquim past om een of andere reden bij hem. Net zoals dat mormel dat steeds rond hem komt cirkelen, zonder hem ooit om de hals te vliegen.
Vanmorgen heb ik nog eens een paar wankele pasjes gezet. Ik was er dolgelukkig mee, ook al raakte ik amper tot op het toilet. Of laat ik maar eerlijk zijn: ik sneuvelde net voor de eindstreep. De verpleegster gaf me een standje, alsof ik een ondeugend kind was. En misschien is dat ook wel zo. Een lam, ondeugend kind.
De vrouw laat zich niet meer zien. De laatste keer was — eens even kijken in mijn notaboekje, ik houd dingen graag bij — op 16 oktober, drie maanden geleden. De grafiek van die week verraadt vier bezoekjes, en dan plots niets meer. Tweemaal bracht ze het kind mee en bleef ze hooguit een uurtje. De twee andere keren overnachtte ze bij hem, in dat grote bed op het zolderkamertje. Toen brandde tot diep in de nacht een klein lampje.
Kijk, hij krijgt weer een bruine envelop van de postbode. De omslag is verdacht neutraal en bevat waarschijnlijk een of ander vies boekje. Kon ik hem maar volgen wanneer hij op stap gaat, vermoedelijk recht naar de rosse buurt. Zo eentje is hij wel. Ik wens hem toe dat die slet van hem daar ook ergens werkt, en dat hij uitgerekend bij haar binnenstapt.
Ach, ik fantaseer maar wat. Beter dat dan die eeuwige visioenen. Maar dat interesseert natuurlijk geen mens, praatjes van een gebrekkige ouwe lul. Ik herken die blikken wel.
Ik stel mezelf tot doel morgen de heuvel op te gaan, gewapend met mijn wandelstok. Eigenlijk is het maar een ordinaire molshoop, maar voor mijn wankele zelfrespect klinkt heuvel beter. Wie weet plant ik op de top mijn vlag, als bewijs van mijn geslaagde expeditie.
Daar gaat Joaquim weer. Zoals altijd haalt hij zijn roestige brommer uit de garage en sputtert de straat op. Dat ronkende geval is een gevaar voor de mensheid, maar de politie lacht mijn klachten weg. Verbitterd oud ventje, zie ik ze denken. En ze kijken voor de aardigheid na of ze mij nergens op kunnen pakken. Jammer natuurlijk dat ik altijd in orde ben. Niet één keer heb ik mijn belastingen te laat betaald en, op een dwaze boete wegens wildplassen na, is mijn strafblad brandschoon. Maar dat was een geval van overmacht, edelachtbare. Een volle blaas na een uit de hand gelopen feestje. Ik heb de boete zonder morren betaald. Niets is zo bevrijdend als een te lang opgehouden plas.
En Joaquim maar snorren. De brommer heeft veel moeite met de helling; ik ben dus niet de enige.
Wilde dat geheugen toch maar wat meewerkte. Heet die kerel werkelijk Joaquim? Mijn hersenen lijken wel weggevreten, ik die zo’n vooraanstaande positie bekleedde in het bedrijf en telkens weer met de creatieve ideeën kwam aandraven. Maar sst, dat is top secret. Ik heb gezworen te zwijgen, en dat doe ik nog altijd.
Kon ik maar slapen zonder telkens weer mijn verleden bij elkaar te willen rapen. En elke morgen vraag ik me opnieuw af wie dat blubberige gezicht in de spiegel toch is. Je zal het moeten aanvaarden, zei de specialist, er zit niets anders op. Ik doe mijn best, echt waar.
Ik droeg de verantwoordelijkheid, zeiden ze. Ik was immers de oudste in functie toen het gebeurde. En ik heb nadien de schuld op mij genomen. De directie van de fabriek wrong zich in allerlei bochten om toch maar niet te moeten toegeven dat de veiligheidsvoorschriften ontoereikend waren.
“Waarom procedeer je niet?” vroeg mijn broer. Hij was altijd radicaal, een beetje anarchist zelfs. “Je blijft die rotfabriek tot het bittere einde verdedigen! Je gezicht kapot, je longen verwoest, je geheugen weg. En wie weet wat nog allemaal!”
Ik zweeg. Ik durfde niet herhalen wat de specialist gezegd had over mogelijke hersenbeschadiging. Niets wees erop dat er werkelijk iets aan de hand was, maar het kon altijd. En het was cumuleerbaar in de genen, zei hij. In mensentaal: het vernietigende effect in de cellen kan van generatie op generatie worden doorgegeven en zal naar alle waarschijnlijkheid verergeren.
Ach, ik klets te veel. Alsof iemand daar om zou geven. Alsof het zelfs mij zou kunnen schelen. Hoe vaak herinner ik me niet eens welke naam op mijn identiteitskaart staat. Als ik er al een heb, want een mens begint op de duur aan alles te twijfelen. Zo kan ik me hier en nu met de beste wil van de wereld niet meer voor de geest halen waar mijn ouderlijk huis precies stond. Is het platgegooid of wonen er nu andere mensen in? Werkelijk, ik weet het niet meer.
Ik laat opzettelijk de foto van mijn vrouw op het nachttafeltje staan om dat deel van mijn leven niet tussen mijn vingers te laten wegglippen. Wat zeg ik, mijn ex-vrouw. Maar ik verwijt haar niets. Gisteren heeft ze mij nog een warme trui gebracht. Ze zal ook nooit veranderen. De eeuwig bezorgde kloekhen.
En de waanbeelden dan — daar zwijg ik liever over.
Maar waar ken ik die verdomde Joaquim toch van? Hij blijft maar in mijn geheugen rondtollen, zonder zijn geheim prijs te geven. Het lukt me niet me echt te concentreren, want de jicht bijt zich weer vast in mijn lijf. Had ik maar een mes, dan kerfde ik mijn vlees open. Alles beter dan die snijdende pijn die mijn botten verlamt.
“Tja, dat kunnen nog nawerkingen zijn,” zegt de specialist. “Wij weten het ook niet, ik zeg dat eerlijk.”
Joaquim rijdt doelloos door de stad, op zoek naar iets wat hij zelf niet nader kan omschrijven. Overal kijken de mensen hem met een zekere afwijzing aan.
“Jaja,” gromt hij onder zijn sjaal, “gaap maar.” Alles beter dan te moeten zwijgen.
“Jij bent mijn papa niet!” zegt Geertje. “Mijn papa moet groot en sterk zijn!”
Hij biedt zich keer op keer bij dezelfde bedrijven en fabrieken aan. Binnenkort misschien, meneer. We houden u op de hoogte. Achter zijn rug lachen ze hem natuurlijk uit.
Bonnie woont enkele straten verder samen met een Italiaan, een knappe jongeling. Het spelletje was al een hele tijd aan de gang, beseft Joaquim nu. Maar ze wilde zogezegd zijn gevoelens niet kwetsen en bleef hem aan het lijntje houden. Tot hij haar eruit gooide — er zijn grenzen aan alles. En Geertje vindt die Italiaanse papa prima, want die heeft geld en koopt speelgoed.
Joaquim kan zijn rijtuig niet meer onder bedwang houden. Zijn spieren laten hem in de steek. En natuurlijk is er weer niemand in de buurt om hem van onder zijn brommer uit te helpen. Hij moet daar een hele tijd noodgedwongen blijven liggen. Het wordt er niet beter op. Pas wanneer de pijn weer wegebt, is hij in staat verder te rijden.
Twintig meter verder valt de brommer stil. Geen benzine meer. Dan maar te voet verder.
Nee, ik moet kost wat kost de heuvel op. Dat is een erezaak. Mijn voeten slepen zich stap voor stap over het kersverse asfalt, ter vervanging van het beton dat langzaam scheurt, als een spinnenweb dat zich steeds verder vertakt. Gelukkig is er een flets zonnetje.
Ik dwaal en kreun, kruip als het moet, maar geef niet op. Ik beeld me in dat ik op de horizon afsteven, net als Vasco da Gama die de zeven wereldzeeën bezeilde. Wie was die Vasco ook alweer? Werd hij op een missie uitgestuurd, of deed hij het uit puur winstbejag?
Allemaal vragen. Daar wordt mijn kop zo oneindig zwaar van.
Na twintig meter moet ik halthouden om uit te rusten. Als die dekselse Joaquim maar niet terugkomt, niet nu.
Verder. Altijd maar verder. Minstens tot aan het volgende straatlicht. Dat zou ik toch moeten kunnen halen. Als dat al niet meer lukt, dan weet ik het ook niet meer.
Bij wie de schuld lag — god, ik denk er nog elke dag over na. Maar het is allemaal zo wazig.
Ik haal de paal niet, met de beste wil van de wereld niet. Hijgend en piepend leun ik op een bank.
Maar verduiveld, dat is hij toch, die kerel — zijn naam ontsnapt me. Ik moet voortmaken. Zo mag hij me niet zien.
Joaquim loopt te dubben. Hij is iets vergeten, iets belangrijks. Maar het gepieker helpt hem niet verder. Hij is vergeten dat hij benzine ging halen voor de brommer, die intussen al door een gladde Italiaan gejat is. Door het neefje van Bonnies vrijer.
In zijn hoofd spatten blauwe en purperen kleuren uiteen; ze vormen een hoog uitslaande brand die een echt vuurwerk wordt.
Hij botst tegen een oude, stinkende man die half over een zitbank gebogen hangt en krampachtig weer overeind probeert te komen. Dat lukt niet zo best. De mist in zijn hoofd trekt op. De man richt zich kaarsrecht op en bekijkt hem met ogen die zachter worden.
“Dag, jongen,” zegt de man.
“Dag, vader,” antwoordt hij.
Ze knikken elkaar kort toe, meer niet. Hun voeten schuifelen hen van elkaar weg. En hoog boven hen vliegt een vogel krijsend over het water, verblind door de zon in de ellendige vrieskou.
















