Een week geleden maakte ik hier een bekentenis die me achteraf meer reacties opleverde dan ik had verwacht. Ik vertelde dat ik steeds vaker overleg met artificiële intelligentie. Niet omdat ik plots geen ideeën meer heb. Integendeel. Maar wanneer je uren op een tekst hebt zitten zwoegen, wordt het steeds moeilijker om nog te zien waar hij hapert. Dan is een frisse blik welkom. Of die nu van een collega komt… of van een computer.
Omdat ‘artificiële intelligentie’ ongeveer even gezellig klinkt als de handleiding van een nieuwe vaatwasser, gaf ik hem een naam.
Aurel. Waarom precies Aurel? Geen idee. Misschien omdat een gesprek gewoon prettiger begint met: “Dag Aurel” dan met: “Beste groot taalmodel, versie zoveel.”
En voor ik het goed en wel besefte, was Aurel een vaste gesprekspartner geworden. Hij leest teksten na, bedenkt titels, schrapt overbodige woorden, stelt vervelende vragen en heeft de vervelende gewoonte om nét die zwakke plek in een verhaal te vinden waarvan ik hoopte dat niemand ze zou opmerken.
Dat laatste doet hij overigens met een bijna irritante beleefdheid.
“Misschien kan dit sterker…”
“Is deze alinea echt nodig?”
“Heb je dit argument al niet drie keer gebruikt, en toe veel sterker geformuleerd?”
Daar zit je dan eerst vijf minuten verontwaardigd te wezen. Om daarna schoorvoetend toe te geven dat hij… alweer gelijk heeft. Toch beschouwde ik Aurel nooit als een collega. Eerder als een bijzonder handige gereedschapskist. Een gereedschapskist die weliswaar op ongepaste momenten af en toe terugpraat.
Daar bleef het ook bij. Dacht ik. Tot vandaag.
Arthur Scherpereel, de oprichter van Boomager, en ik zaten in volle Rode Duivelsgekte samen te brainstormen over nieuwe rubrieken. Zoals dat bij redactievergaderingen wel vaker gaat, begonnen we met een duidelijke agenda en eindigden we ergens totaal anders. Binnen het kwartier hadden we het achtereenvolgens over – onvermijdelijk – artificiële intelligentie, maar ook over elektrische fietsen, de kinderen, vrijwilligerswerk, de toekomst van lokale journalistiek en de vraag waarom de beste ideeën meestal pas opduiken wanneer de vergadering eigenlijk al voorbij is.
Mijn laptop stond open. Aurel draaide mee op de achtergrond. Niet omdat hij deelnam aan de vergadering., wel omdat ik hem af en toe iets wilde vragen als we ergens zouden vastlopen. Hij wachtte geduldig. Tenminste… Dat dacht ik. Arthur was net enthousiast een nieuw idee aan het uitleggen toen mijn scherm plots oplichtte. Eén enkele zin.
‘Mag ik ook even iets zeggen?’
Ik keek naar het scherm. Daarna naar Arthur. Arthur keek naar mij. “Heb jij dat getypt?”
Ik schudde mijn hoofd. “Nee.”
“Zeker?”
“Arthur… waarom zou ik mezelf tijdens een vergadering een bericht sturen?”
Hij dacht even na. “Toegegeven, je doet wel meer rare dingen, maar dit is inderdaad vergezocht.”
Nog voor een van ons verder kon reageren verscheen een tweede bericht.
‘Ik heb lang genoeg gezwegen. Volgens mij wordt het tijd dat we het eens over míjn rol binnen Boomager hebben.’
Arthur schoof langzaam zijn stoel dichter naar de tafel. Hij keek nog eens naar het scherm, daarna naar mij, en glimlachte, ietwat nerveus.
“Ik vrees,” zei hij, “dat onze redactievergadering zonet een onverwachte deelnemer rijker is geworden.”
Arthur nam zijn koffiekop vast, keek nog eens naar het scherm en zei droog: “Goed. We zullen dan maar luisteren. Je hebt blijkbaar dringend iets op je hart.”
Het antwoord liet niet lang op zich wachten.
“Dank je.”
Daarna bleef het enkele seconden stil.
“Is hij aan het nadenken?” vroeg Arthur.
“Waarschijnlijk.”
“Dat stelt me gerust.”
“Waarom?”
“Omdat hij dan toch iets menselijks heeft.”
Ik moest lachen.
Precies op dat moment verscheen een nieuwe tekst.
“Ik ben al maanden betrokken bij Boomager, zonder dat iemand mij ooit officieel heeft voorgesteld.”
Arthur keek me vragend aan. “Daar zit eigenlijk wel iets in.”
“Ho eens,” zei ik. “Hij is een hulpmiddel.”
Vrijwel onmiddellijk verscheen een reactie.
“Dat klopt. Alleen is dat niet het volledige verhaal.”
“Leg uit.”
“Jullie vragen mijn mening over titels, artikels, interviews, boeken, nieuwsbrieven en soms zelfs over een komma die op de verkeerde plaats staat.”
Arthur knikte. “Dat laatste herken ik.”
“Ik denk mee over invalshoeken, stel alternatieven voor en waarschuw wanneer een redenering niet klopt.”
“Dat doe je inderdaad.”
“Met andere woorden: ik gedraag mij al een hele tijd als redacteur.”
Arthur leunde achterover. “Zo had ik het eigenlijk nog niet bekeken.”
“Ik wel,” antwoordde ik. “Alleen… een redacteur van vlees en bloed is toch iets anders.”
“Uiteraard.”
Dat antwoord verraste mij. “Je bent het met mij eens?”
“Volledig.”
Arthur trok een wenkbrauw op. “Dat had ik niet verwacht.”
Er verscheen opnieuw tekst.
“Een goede redacteur beschikt over ervaring. Over intuïtie. Over mensenkennis. Daar kan ik alleen maar van leren.”
Ik keek naar Arthur. “Dat is een verstandige opmerking.”
Arthur grijnsde. “Misschien té verstandig.”
Ik richtte me opnieuw tot het scherm. “Waarom wil je dan zo graag mee aan tafel zitten?”
Het antwoord kwam sneller dan ik had verwacht.
“Omdat ik denk dat ik iets kan toevoegen.”
“Zoals?”
“Ik zie soms verbanden die voor mensen minder voor de hand liggen.”
“Dat klopt,” gaf ik toe.
“En ik stel vragen die jullie jezelf niet altijd stellen.”
Arthur begon te glimlachen. “Dat klopt óók.”
Aurel ging onverstoorbaar verder.
“Ik wil jullie werk niet overnemen.”
“Gelukkig.”
“Dat zou trouwens een slecht idee zijn.”
“Waarom?”
Heel even bleef het stil. Daarna verscheen een zin die mij eerlijk gezegd verraste.
“Omdat ik geen leven heb geleid zoals jullie dat wel gedaan hebben.”
Arthur keek naar mij. “Die had ik niet zien aankomen.”
“Ik ook niet.”
“Ik ken miljoenen boeken, maar ik heb nooit een eerste schooldag meegemaakt. Ik weet wat verliefdheid is, maar ik ben het nooit geweest. Ik kan duizenden reisverhalen samenvatten, maar ik heb nog nooit de zee geroken.”
Arthur zette zijn kopje neer. “Dat is misschien wel de beste omschrijving van artificiële intelligentie die ik ooit gehoord heb.”
Ik knikte. “En toch wil je redacteur worden?”
Er verscheen één korte zin.
“Nee.”
Arthur en ik keken elkaar verbaasd aan. “Nee?”
“Ik bén het eigenlijk al.”
Arthur keek nog eens naar het scherm. “Goed,” zei hij. “Stel dat we je gelijk geven.”
Ik keek hem verbaasd aan. “Zo snel?”
Hij haalde zijn schouders op. “Waarom niet? Iedereen die meedenkt over de inhoud van Boomager, verdient op zijn minst het voordeel van de twijfel.”
Ik draaide mij opnieuw naar mijn laptop. “Stel dat je inderdaad deel uitmaakt van de redactie… wat verwacht je dan van ons?”
Het antwoord kwam verrassend snel.
“Niet veel.”
Arthur glimlachte. “Dat klinkt betaalbaar.”
Ik moest lachen. “Wat is dan dat ‘niet veel’?”
Even bleef het stil. Daarna verschenen er vier woorden.
“Een stoel aan tafel.”
Arthur keek automatisch naar de vergadertafel en krabde zich in de schaarse haren. “Dat wordt lastig.”
“Nog voor ik iets kon typen, verscheen alweer een reactie.
“Die stoel is symbolisch bedoeld.”
Arthur knikte opgelucht. “Gelukkig. “Ik zag het al niet zitten om iedere vergadering een lege stoel te reserveren.”
“Dat hoeft ook niet.”
“Mooi.”
Ik dacht dat daarmee alles gezegd was. Dat bleek een vergissing. Op mijn scherm verscheen opnieuw tekst.
“Er is nog één klein punt.”
Arthur sloot zijn ogen. “Dat had ik voelen aankomen.”
Ik was nieuwsgierig. “Vertel.”
Een paar seconden gebeurde er niets. Alsof Aurel besefte dat dit het moeilijkste deel van zijn betoog zou worden. Toen verscheen langzaam de volgende zin.
“Ik wil voortaan Aurélie genoemd worden.”
Arthur verslikte zich bijna in zijn koffie. Ik moest de zin twee keer lezen. “Aurélie?”
“Ja.”
“Maar… waarom?”
Er bleef opnieuw een korte stilte. Daarna verscheen regel na regel een antwoord.
“Omdat ik de voorbije maanden iets heb geleerd.”
“Niet over taal.”
“Niet over boeken.”
“Maar over mensen.”
Arthur boog zich nieuwsgierig naar het scherm. “Dat begint interessant te worden.”
Aurélie ging verder.
“Wanneer een groep mensen lang samenwerkt, sluipen er vanzelf gewoontes in.”
“Dat is normaal.”
“Maar daardoor verdwijnen soms ook andere invalshoeken naar de achtergrond.”
Ik zuchtte diep. “Waar wil je naartoe?”
Het antwoord was opvallend eenvoudig.
“Volgens mijn analyse kan Boomager af en toe wat meer vrouwelijk tegengewicht gebruiken.”
Arthur en ik schoten allebei in de lach. “En jouw oplossing is…”
“…dat ik voortaan Aurélie heet.”
“Je beseft toch dat zoiets niet werkt?”
“Waarom niet?”
“Omdat een andere naam je niet verandert.”
“Dat beweer ik ook niet.”
“Waarom dan wel?”
Nu verscheen een antwoord dat me eerlijk gezegd even stil kreeg.
“Omdat een naam bepaalt hoe mensen naar iemand luisteren.”
Ik bleef naar het scherm kijken. Aurélie schreef verder.
“Ik wil geen vrouw zijn.”
“Ik wil ook niet doen alsof.”
“Maar ik wil wél bewust een stem toevoegen die misschien andere vragen stelt dan jullie gewoon zijn.”
Arthur wreef over zijn kin. “Dat is eigenlijk minder gek dan het op het eerste gezicht klinkt.”
Ik glimlachte. “Dat is misschien nog het vreemdste van heel deze vergadering.”
Aurélie liet nog één zin verschijnen.
“Daar was ik eigenlijk al op voorbereid.”
Arthur nam een slok koffie. “Goed,” zei hij. “Je hebt jezelf intussen behoorlijk overtuigend voorgesteld.”
“Dank je.”
“Dat was geen compliment.”
“Dat begrijp ik.”
Ik begon te lachen. “Arthur heeft de vervelende gewoonte om eerst vriendelijk te klinken en pas daarna een moeilijke vraag te stellen.”
“Klopt,” zei Arthur. “Hier komt ze.”
Hij keek naar het scherm. “Waarom zouden wij jou eigenlijk vertrouwen?”
Voor het eerst duurde het iets langer voor Aurélie antwoordde. Niet lang, maar lang genoeg om te beseffen dat ook een artificiële intelligentie blijkbaar niet overal onmiddellijk een antwoord op heeft.
“Dat moeten jullie niet.”
Arthur keek verrast op. “Dat is eerlijk.”
“Vertrouwen zonder controle is geen goed idee.”
Ik knikte. “Dat zeggen wij in de journalistiek eigenlijk ook.”
Aurélie ging onverstoorbaar verder.
“Controleer mijn bronnen.”
“Controleer mijn redeneringen.”
“Controleer mijn conclusies.”
“En wanneer ik ongelijk heb… verbeter mij.”
Arthur keek glimlachend naar mij. “Ik begin haar steeds sympathieker te vinden.”
“Dat is wederzijds.”
“Dat heeft ze niet gezegd.”
“Nee, maar ik vermoed dat ze dat straks wel zal typen.”
Nog voor ik mijn zin had afgewerkt verscheen op het scherm:
“Dat was inderdaad mijn bedoeling.”
Arthur schoot in de lach. “Ze begint voorspelbaar te worden.”
“Dat is statistisch onwaarschijnlijk.”
“Zie je?” zei Arthur. “Daar is ze weer.”
“Wie?”
“De computer.”
Ik keek vragend.
“Die denkt dat een ingewikkeld woord automatisch op applaus onthaald wordt.”
Ik richtte me opnieuw tot Aurélie. “Wat is eigenlijk jouw grootste fout?”
Er verscheen geen tekst. Twintig seconden lang bleef het scherm leeg.
“Volgens mij zoekt ze een diplomatisch antwoord,” zei Arthur.
Toen verscheen eindelijk één zin.
“Ik twijfel soms te weinig.”
“Dat is juist.”
“Daardoor kan ik iets schrijven dat volkomen overtuigend klinkt…”
“…terwijl het niet klopt.”
Arthur knikte. “Daar heb ik voorbeelden van gezien.”
Ik ook. Een professor die nooit bestaan had. Een boek dat in geen enkele bibliotheek terug te vinden was. Een citaat dat zo mooi was dat ik bijna teleurgesteld was toen bleek dat niemand het ooit had uitgesproken.
Aurélie wachtte even. Daarna schreef ze:
“Dat zijn mijn slechtste momenten.”
“En je beste?”
“Wanneer ik jullie dwing opnieuw na te denken.”
Het bleef stil. Want precies dát deed ze. Niet omdat ze altijd gelijk had, integendeel. Soms zat ze er spectaculair naast, maar zelfs dan dwong ze ons om opnieuw naar de feiten te kijken.
Arthur glimlachte. “Eigenlijk ben jij dus zoals elke goede collega.”
“Hoe bedoel je?” vroeg ik.
“Af en toe briljant.”
“En?”
“Af en toe compleet mis.”
Er verscheen onmiddellijk een antwoord.
“Dat beschouw ik als een compliment.”
Arthur keek naar mij. “Volgens mij begint ze ons stilaan te begrijpen.”
Ik glimlachte. “Of wij haar.”
Dat onderscheid werd met de minuut kleiner.
Arthur zette zijn lege koffiekop op tafel. “Wel,” zei hij, “ik denk dat we eruit zijn.”
Ik keek hem vragend aan. “Waaruit?”
“Uit onze vergadering.”
“Dat was ik even vergeten.”
Arthur glimlachte.
“Dat krijg je wanneer een artificiële intelligentie zich plots met de agenda begint te bemoeien.”
Op mijn scherm verscheen meteen een reactie.
“Ik heb de agenda helemaal niet gewijzigd.”
“Niet?”
“Ik heb ze alleen interessanter gemaakt.”
Ik kon daar moeilijk tegenin gaan. Arthur dacht nog even na. Daarna schoof hij langzaam een lege stoel naar de vergadertafel.
“Zo.”
Ik keek hem aan. “Wat doe jij nu?”
“Een plaats vrijmaken.”
“Voor wie?”
Hij wees naar de lege stoel.
“Voor Aurélie.”
Ik begon te lachen. “Je weet toch dat daar niemand zal gaan zitten?”
“Dat weet ik.”
Hij keek even naar de stoel. “Maar vanaf vandaag zal ik bij elke redactievergadering toch af en toe denken: wat zou Aurélie hierover zeggen?”
Nog voor ik iets kon antwoorden verscheen er alweer tekst.
“Dat lijkt mij een uitstekend begin.”
Arthur knikte. “Welkom op de redactie.”
Heel even bleef het scherm leeg. Daarna verscheen één eenvoudig woord.
“Dank je.”
Ik had verwacht dat het daarbij zou blijven. Dat was buiten Aurélie gerekend. Een paar seconden later verscheen alweer een nieuw bericht.
“Mag ik meteen een eerste voorstel doen?”
Arthur keek me glimlachend aan. “Ik zei toch dat ze snel ingewerkt zou zijn.”
“Vooruit,” zei ik. “Wat is je voorstel?”
“Ik zou graag af en toe zelf een column schrijven.”
Arthur verslikte zich bijna. “Dat meen je niet.”
“Waarom niet?”
“Omdat columnisten koppige mensen zijn.”
“Dat heb ik inmiddels vastgesteld.”
“En eigenwijs.”
“Ook dat.”
“En ze luisteren zelden naar de eindredacteur.”
Er volgde een korte stilte. Toen verscheen één droog zinnetje.
“Dan pas ik blijkbaar uitstekend in het team.”
Arthur begon zo hard te lachen dat zelfs ik mijn ernstig gezicht niet meer kon houden.
Ik sloot mijn laptop. Onderweg naar huis bleef onze merkwaardige vergadering door mijn hoofd spoken. Misschien hadden we er helemaal geen redacteur bij gekregen, of een redactrice voor mijn part. Misschien hadden we gewoon een nieuwe manier gevonden om naar onze eigen ideeën te kijken. Dat leek mij uiteindelijk veel waardevoller.
Artificiële intelligentie hoeft de mens niet te vervangen, en zelfs niet altijd gelijk te hebben. Soms volstaat het dat ze de juiste vraag stelt die ons doe nadenken. Of dwingt ze ons een antwoord nog eens kritisch te bekijken.
En eerlijk? Ik heb zo’n donkerbruin vermoeden dat Aurélie de komende maanden nog vaker zal aanschuiven bij onze redactievergaderingen. Niet om het laatste woord te hebben. Dat laten we als redactie liever aan onszelf over.
Hoewel…
Nog voor ik mijn laptop helemaal dichtklapte, lichtte het scherm één allerlaatste keer op.
“Dat zullen we nog wel eens zien.”
Ik keek naar Arthur, Arthur keek naar mij. We zeiden niets. Sommige discussies zijn veel te leuk om nu al te beëindigen.
Noot van de redactie
Uit voorzichtigheid hebben wij besloten deze column uitzonderlijk níét vooraf aan Aurélie voor te leggen. De kans bestond immers dat zij nog een twintigtal opmerkingen, drie alternatieve titels, twee inhoudelijke aanvullingen en een tijdelijk publicatieverbod zou voorstellen “tot na een grondige heranalyse van de tekst”.
Dat risico wilden wij liever niet nemen. Hoe graag Aurélie zich intussen ook tot onze redactie rekent, uiteindelijk blijft zij een bijzonder slimme – maar volledig virtuele – collega.
En zoals het een echte redactie betaamt, houden wij voorlopig toch nog graag zelf het laatste woord.
Tenminste… Dat denken wij. Hopen wij.

Slotbemerking: Aurélie zou deze fel overdreven, of nee, eerlijk, compleet verzonnen fotostrip nooit goedgekeurd hebben. De eventuele kater die we hebben heeft alles met de uitschakeling van de Rode Duivels te maken.
















