Ik heb een zwak voor mensen met principes.
Niet voor mensen die voortdurend met principes zwaaien als waren het verkeersborden, maar voor mensen die oprecht proberen ergens naar te leven. Dat geeft houvast. Zonder principes zou de wereld waarschijnlijk nog chaotischer zijn dan hij vandaag al is. We zouden elke dag opnieuw moeten beslissen wat goed is, wat slecht is en of een zak paprikachips misschien toch onder de noemer “gezonde voeding” kan vallen. Dat laatste heb ik overigens al meermaals geprobeerd hard te maken, al was het maar tegenover mezelf. Tot nu toe zonder veel succes.
Toch valt me iets op. Hoe ouder ik word, hoe meer ik de indruk krijg dat principes een beetje op elastieken lijken. Ze rekken wonderbaarlijk ver uit, maar vreemd genoeg altijd in de richting die ons het beste uitkomt. We verdedigen ze met vuur wanneer het over anderen gaat, maar zodra ze ons eigen comfort dreigen aan te tasten, blijken uitzonderingen plots verrassend redelijk.
Daar hebben we zelfs een elegante naam voor bedacht. Guilty pleasure.
Alleen al die twee woorden zijn een meesterwerk van menselijke creativiteit. Ze veranderen een kleine zwakte in iets bijna sympathieks. Je bent niet langer iemand die zijn eigen regels overtreedt. Nee, je gunt jezelf gewoon af en toe een guilty pleasure. Het klinkt als iets wat je psycholoog je heeft voorgeschreven. Ik schrijf het begrip graag ook tot tweemaal toe cursief, dan geeft het een zeker gewicht mee en ik krijg er misschien meer ‘autoriteit’ door: die Van Laere weet waarover hij schrijft…
Maar dat geheel ter zijde, terug naar de orde van de dag.
Ik verdenk er ons van dat we dat begrip hebben uitgevonden om met een gerust geweten verder te kunnen doen waar we eigenlijk liever mee zouden stoppen.
Kijk maar eens rond. Nog nooit hebben zoveel mensen zich zo vaak over zoveel dingen verontwaardigd. Sociale media maken daar een ware topsport van . Er hoeft maar iemand een verkeerde opmerking te maken, een plastic rietje te gebruiken of een foto van een barbecue te posten, en ergens verschijnt gegarandeerd iemand die het morele kompas van de mensheid opnieuw probeert af te stellen.
Begrijp me niet verkeerd. Er zijn heel wat zaken waar we terecht bezorgd over mogen zijn. Het klimaat, onze gezondheid, dierenwelzijn, respect voor elkaar… stuk voor stuk onderwerpen die belangrijk zijn. Alleen heb ik soms de indruk dat we vooral heel goed geworden zijn in het kiezen van de principes die ons het minste moeite kosten.
Een kennis van mij is daar een prachtig voorbeeld van. Toen hij zijn elektrische wagen kocht, straalde hij van trots. En terecht. Hij had bewust gekozen voor een auto met minder uitstoot en vertelde vol enthousiasme hoe belangrijk het was dat iedereen zijn verantwoordelijkheid nam. Ik kon hem alleen maar gelijk geven. Een paar weken later ging ik bij hem langs. Het was een aangename zomerdag. Niet bloedheet, gewoon zo’n dag waarop de meeste Belgen eindelijk eens tevreden zijn over het weer. Zodra ik zijn woonkamer binnenstapte, kreeg ik spontaan kippenvel.
“Negentien graden,” zei hij tevreden terwijl hij de afstandsbediening van zijn energievretende airco neerlegde. “Heerlijk, toch?”
Dat was het zeker. Alleen vond ik het grappig dat we ondertussen een ernstig gesprek voerden over energiebesparing, terwijl buiten de ramen de zon uitbundig stond te schijnen en ik binnen bijna zin kreeg om een trui aan te trekken.
Begrijp me niet verkeerd. Van mij mag iedereen een airco hebben. Net zoals iedereen van mij een elektrische wagen mag kopen. Het zijn geen tegenstellingen. Wat mij fascineert, is iets anders. Blijkbaar zijn we bijzonder goed in het verdedigen van dat ene principe waar we ons goed bij voelen, terwijl we de rest van het verhaal met veel liefde aan ons geweten overlaten. Het grappige is dat airco’s tijdens hittegolven enorme hoeveelheden elektriciteit verbruiken. Ze maken het binnen heerlijk koel, maar dragen tegelijk mee bij aan de energievraag en dus, afhankelijk van de stroombron, ook aan de uitstoot die we net proberen te beperken.
Dat zie je overal.
We sorteren ons afval met militaire precisie. Papier bij papier. Glas bij glas. PMD netjes samengebonden. We spoelen yoghurtpotjes uit alsof ons leven ervan afhangt. Vervolgens bestellen we online drie producten die elk afzonderlijk worden geleverd in een kartonnen doos waar een kleinere kartonnen doos in zit, opgevuld met een halve kubieke meter papier. Dat vinden we vreemd genoeg helemaal niet erg, want de verpakking mag achteraf netjes in de juiste container.
Ons geweten sorteert blijkbaar even zorgvuldig als ons afval.
Voeding is misschien wel het mooiste voorbeeld van allemaal. Ik heb oprecht bewondering voor mensen die bewust met eten bezig zijn. Zelf probeer ik dat ook. Ik eet al geruime tijd geen vlees meer. Vis wel. Dat voelt voor mij als een goede keuze en ik heb er geen behoefte aan om iemand anders daarvan te overtuigen. Iedereen moet uiteindelijk vooral eten waar hij zich goed bij voelt.
Alleen merk ik soms dat sommige discussies over voeding een eigenaardige richting uitgaan. Dan wordt er een kwartier lang gepraat over de morele verantwoordelijkheid van een stukje kaas of een biefstuk, waarna dezelfde mensen zonder verpinken een ober, een kassierster of een collega behandelen alsof beleefdheid inmiddels ook uit het menu geschrapt is. Dan vraag ik me weleens af of vriendelijkheid misschien niet even gezond is als broccoli.
Zelf heb ik natuurlijk gemakkelijk praten. Ik fiets bijna elke dag. Ik probeer fit te blijven. Regelmatig ga ik fitnessen en ik voel me daar uitstekend bij. Na een fietstocht van dertig kilometer kom ik thuis met het heerlijke gevoel dat ik weer goed voor mezelf gezorgd heb. Mijn sporthorloge feliciteert me*, mijn conditie vaart er wel bij en ik voel me haast onoverwinnelijk.
Tot ik de keukenkast openmaak. Daar ligt dan een reep pure chocolade. Of een zak paprikachips, of hypocriet als ik ben, eentje uit de biowinkel met ‘gezonde’ groenten. Wat daarna volgt, is een bijzonder boeiende discussie tussen twee stemmen in mijn hoofd. De ene wijst erop dat ik net honderden calorieën heb verbruikt en best iets mag eten. De andere probeert nog voorzichtig op te merken dat chips misschien niet meteen de voedingsdeskundige van dienst zouden overtuigen.
Die tweede stem verliest vrijwel altijd.
Wonderlijk hoe snel een zak chips leeg raakt wanneer je jezelf ervan overtuigd hebt dat je hem eigenlijk verdiend hebt. Op de verpakking staat bij wijze van zelfindekking dat de inhoud goed is voor zes of zeven porties. Ik ben ervan overtuigd dat de fabrikant daarmee een gemiddeld gezin bedoelt, want ik ben die mysterieuze mens die er soms in slaagt om al die porties eigenhandig te consumeren.

We leven maar één keer
En telkens opnieuw volgt hetzelfde geruststellende zinnetje. “Ach, we leven maar één keer.” Misschien is dat wel de meest succesvolle uitvinding van onze generatie. Vijf woorden waarmee we elke uitzondering moeiteloos kunnen goedpraten. We gebruiken ze voor dat extra dessert, voor die impulsieve aankoop, voor die onverwachte citytrip of voor dat glas wijn dat eigenlijk niet meer nodig was.
En weet je? Ik geloof dat ook. We leven inderdaad maar één keer. Alleen valt me op dat die wijsheid opvallend zelden wordt bovengehaald wanneer we de trap moeten nemen in plaats van de lift.
Misschien is dat ook de reden waarom ik zo graag naar mensen kijk. Niet om hen uit te lachen, maar omdat we uiteindelijk allemaal volgens hetzelfde merkwaardige handboek lijken te leven. We willen de wereld graag verbeteren, alleen liefst zonder al te veel aan onszelf te moeten veranderen en als het kan ook met zo weinig mogelijk moeite. Dat klinkt misschien cynisch, maar eigenlijk vind ik het vooral aandoenlijk. Het is een van die typische menselijke trekjes waardoor ik er steeds opnieuw een glimlach van krijg.
Neem nu de smartphone. Ik hoor geregeld verzuchten dat “de jeugd van tegenwoordig” niet meer kan communiceren. Jongeren zouden alleen nog oog hebben voor hun scherm, voortdurend berichten versturen en zelfs tijdens een etentje liever naar een display kijken dan naar de mensen tegenover hen. Die kritiek wordt meestal gebracht met een ernst alsof de beschaving op instorten staat.
En toch gebeurt er iets merkwaardigs wanneer je zo’n gesprek wat langer volgt. Nog voor de koffie op tafel staat, gaat de eerste telefoon al uit een broekzak. Er moet “heel even” iets gecontroleerd worden. Een berichtje beantwoorden. Het weer bekijken. Een foto tonen van de kleinkinderen. Een melding lezen die onmogelijk kan wachten. Vijf minuten later heeft bijna iedereen aan tafel zijn toestel minstens één keer vastgehad, waarna het gesprek zonder enige gêne verdergaat over de dramatische smartphoneverslaving van de jeugd.
Ik betrap mezelf daar trouwens ook op. Ik vertel graag dat een fietstocht deugd doet omdat je eindelijk eens helemaal loskomt van alle schermen. Dat klopt ook. Tot ik na afloop nieuwsgierig wil weten hoeveel kilometer ik precies gereden heb, hoeveel calorieën ik verbrand heb, hoeveel minuten ik in hartslagzone drie heb gezeten en of mijn smartwatch daar eigenlijk wel tevreden over is.
Blijkbaar heb ik zelfs een elektronisch toestel nodig om mij te vertellen dat ik een aangename fietstocht achter de rug heb. Dat vind ik achteraf bekeken toch een beetje ironisch. **
Hetzelfde merkwaardige mechanisme zie je in de manier waarop we met elkaar omgaan. Nog nooit werd er zoveel gesproken over respect, verdraagzaamheid en vriendelijkheid. Dat is zonder twijfel een goede evolutie. Alleen lijken die mooie woorden soms te verdwijnen zodra iemand een andere mening heeft of gewoon wat trager werkt dan wij zouden willen.
Ik moet daar vaak aan denken wanneer ik in de supermarkt sta. Dan zie ik mensen die zorgvuldig biologische groenten uitkiezen, eerlijke koffie kopen en met zichtbaar engagement lokale producten ondersteunen. Allemaal bewonderenswaardige keuzes. Maar zodra er aan de kassa een klein oponthoud ontstaat omdat een barcode niet meteen wordt ingelezen, lijkt dat engagement plots plaats te maken voor een verbazingwekkend gebrek aan geduld.
De kassierster, die daar zelf niets aan kan veranderen, krijgt de volle lading. Ik vraag me dan soms af of een glimlach niet even duurzaam is als een herbruikbare boodschappentas.
Of neem onze liefde voor dieren.
Daar ben ik eigenlijk alleen maar blij om. Wie goed voor dieren zorgt, verdient daarvoor waardering. Toch moet ik soms lachen wanneer ik zie hoeveel aandacht sommige huisdieren krijgen. De hond heeft een ergonomisch kussen, graanvrije voeding, een winterjas, een regenjas en waarschijnlijk binnenkort ook een abonnement bij de hondenkapper. Daar is op zich niets mis mee.
Alleen zou het mooi zijn als we diezelfde zachtheid af en toe ook reserveerden voor de mensen die ons dagelijks omringen. De buurman die wat moeilijker te been is. De collega die duidelijk geen goede dag heeft. De oudere dame die aan de kassa net iets langer nodig heeft om haar portemonnee terug dicht te krijgen.
Empathie blijkt soms selectiever dan dierenliefde. Ook gezondheid is zo’n heerlijk speelterrein voor menselijke logica.
We lezen etiketten met een air alsof we voedingsdeskundigen zijn. We discussiëren over suiker, gluten, koolhydraten en bewaarmiddelen. We vervangen boter door een alternatief waarvan niemand nog precies weet waaruit het bestaat, drinken smoothies met ingrediënten die klinken als een cursus botanica en installeren apps die nauwkeurig bijhouden hoeveel water we vandaag al gedronken hebben.
Vervolgens kruipen we wekenlang veel te laat in bed, zitten we tien uur per dag stil achter een scherm en verklaren we dat we “geen tijd” hebben om even rustig te wandelen.
Blijkbaar is slaap minder sexy dan chiazaad.
En dan zijn er nog de mensen die met veel overtuiging verklaren dat ze eigenlijk nooit alcohol drinken. Tot de eerste uitnodiging in de bus valt. Een barbecue, een verjaardag, een weekendje weg of een gezellig terras blijken wonderwel in staat om van “ik drink eigenlijk nooit” heel geruisloos “ach, vandaag mag het wel eens” te maken.
Dan hoor je steevast dezelfde uitleg. Vandaag mag het eens. Het is tenslotte een speciale gelegenheid.
Op den duur begin je je af te vragen hoeveel speciale gelegenheden een kalender eigenlijk telt.
Ik geef onmiddellijk toe dat ik geen haar beter ben. Ik vertel graag dat ik gezond leef, maar zodra een restaurant de dessertkaart op tafel legt, verdwijnen heel wat van mijn principes geruisloos naar de achtergrond. Dan begint mijn brein met een indrukwekkend staaltje juridische acrobatiek. Een dame blanche bevat melk, melk is goed voor de botten en donkere chocolade schijnt antioxidanten te bevatten. Tegen zoveel wetenschappelijke argumenten valt natuurlijk moeilijk op te boksen.***
Het is verbazingwekkend hoe intelligent een mens wordt wanneer hij iets graag wil eten.
Misschien zijn we daarom ook zo mild voor onze eigen fouten en zo streng voor die van anderen. Wanneer iemand anders iets doet wat niet strookt met zijn overtuigingen, noemen we dat inconsequent. Wanneer wij hetzelfde doen, spreken we liever over een uitzondering. Dat klinkt vriendelijker, menselijker en vooral een stuk comfortabeler.
Misschien schuilt daarin wel de echte kunst van het selectief verontwaardigd zijn. Niet dat we voortdurend met de vinger wijzen, maar dat we er telkens opnieuw in slagen onze eigen spiegel nét een beetje minder scherp af te stellen dan die van de rest.
En eerlijk? Ik verdenk mezelf ervan dat ik daar behoorlijk goed in geworden ben. Misschien wordt dat selectieve verontwaardigd zijn nog het duidelijkst wanneer we op reis vertrekken.
Het hele jaar door delen we berichten over de klimaatopwarming. We lezen bezorgd over smeltende gletsjers, extreme hittegolven en bosbranden. We knikken instemmend wanneer wetenschappers oproepen om bewuster met onze planeet om te gaan. Tot Ryanair of een andere luchtvaartmaatschappij een promotie lanceert waarbij je voor een paar tientjes naar een zonnige bestemming kunt vliegen.
Plots verandert de toon.
“Voor dat geld konden we toch moeilijk thuisblijven.”
En eerlijk? Ik begrijp dat. Reizen verruimt de blik. Nieuwe culturen ontdekken is verrijkend. Alleen valt me telkens opnieuw op hoe soepel we onze principes weten aan te passen zodra er een aantrekkelijk prijskaartje aan hangt. Blijkbaar heeft ook ons geweten af en toe recht op vakantie.
Privacy is een lachertje
Hetzelfde zie je bij privacy. Nog nooit waren we zo bezorgd over onze persoonlijke gegevens. We willen niet dat technologiebedrijven weten wat we lezen, waar we winkelen of welke muziek we beluisteren. Tegelijk klikken we zonder nadenken op “Akkoord” bij voorwaarden die langer zijn dan de gemiddelde stationsroman. Onze smartphone weet waar we zijn, onze auto onthoudt waar we geweest zijn, onze smartwatch registreert onze hartslag en onze supermarkt weet perfect welke yoghurt we het liefst eten.
Maar zodra we een advertentie krijgen voor loopschoenen, reageren we verbaasd.
“Hoe weten ze dat nu?”
Omdat we het hen al jaren zelf vertellen, tiens. Vrijwillig nog wel.
Ook artificiële intelligentie krijgt tegenwoordig een flinke portie verontwaardiging over zich heen. Sommigen zijn ervan overtuigd dat AI binnenkort alle creativiteit zal vernietigen, alle beroepen zal overnemen en misschien zelfs de mens overbodig zal maken. Het zijn vaak dezelfde mensen die ChatGPT vragen om een sollicitatiebrief te schrijven, een vakantieroute uit te stippelen of een verjaardagswens te bedenken omdat “het toch wel gemakkelijk is”.
Ik moet toegeven dat ik daar moeilijk mee kan lachen. Niet met AI, wel met mezelf. Want ook ik maak er gretig gebruik van. Ik laat teksten nalezen, zoek ideeën, speel met formuleringen en ontdek voortdurend nieuwe mogelijkheden. Dat betekent niet dat ik plots minder graag zelf schrijf. Integendeel. Het is een hulpmiddel, geen vervanging. Maar ook hier geldt blijkbaar dezelfde wet: technologie is een probleem… tot ze ons persoonlijk goed van pas komt.
Misschien zijn we daarom uiteindelijk veel minder consequent dan we zelf graag geloven. We zijn geen hypocrieten. Dat woord klinkt veel te hard. We zijn gewoon mensen.
Mensen die elke dag opnieuw proberen de juiste keuzes te maken, maar tegelijk ook graag comfortabel leven. Mensen die weten dat wandelen gezonder is dan de auto nemen, maar toch de wagen starten omdat het regent. Mensen die zich voornemen minder op hun smartphone te kijken en zich daar een kwartier later niet meer van herinneren. Mensen die overtuigd zijn dat een gezonde maaltijd belangrijk is, maar die na een lange dag met een glimlach een zak chips opentrekken omdat ze vinden dat ze die verdiend hebben.
Ik ken dat gevoel.
Sterker nog: ik ben er behoorlijk bedreven in.
Na een stevige fietstocht stap ik tevreden de keuken binnen. Mijn sporthorloge feliciteert me. Mijn conditie is erop vooruitgegaan. Mijn hartslag herstelt voorbeeldig. Ik voel me de levende reclame voor een gezonde levensstijl.
Tot mijn oog op die ene reep chocolade valt.
“Ach,” hoor ik mezelf denken, “die heb ik nu toch wel verdiend.”
Vijf minuten later is de verpakking leeg en ben ik alweer bezig uit te rekenen hoeveel kilometer ik morgen zal moeten fietsen om dat kleine incident weer ongedaan te maken.
Dat is misschien wel de essentie van ons bestaan. We willen allemaal een beetje beter worden. Gezonder leven. Milieubewuster zijn. Vriendelijker omgaan met elkaar. Minder verspillen. Meer bewegen. Minder oordelen. En tegelijk hopen we stiekem dat er af en toe nog ruimte blijft voor een uitzondering. Voor een dessert of een impulsieve aankoop. Een luie zondag. En die zak chips die eigenlijk voor het hele gezin bedoeld was.
Misschien moeten we daar ook niet te dramatisch over doen. Principes zijn waardevol, maar ze hoeven geen keurslijf te worden. Wie nooit eens buiten de lijntjes kleurt, maakt van het leven een examen waarvoor voortdurend punten worden uitgedeeld. En daar zit volgens mij niemand op te wachten.
Waar ik wél voor wil pleiten, is iets anders.
Laten we wat voorzichtiger zijn met onze verontwaardiging. Niet omdat de wereld geen problemen heeft, maar omdat we allemaal wel ergens een blinde vlek hebben. Omdat niemand honderd procent consequent leeft. Omdat we allemaal onze kleine tegenstrijdigheden koesteren en ze met de grootste vanzelfsprekendheid verklaren tot… guilty pleasure.
Sinds ik dat besef, erger ik me eigenlijk veel minder aan de inconsequenties van anderen.
Ik herken er vooral die van mezelf in.
En als je me nu wilt excuseren…
Ik ga nog een stukje chocolade nemen.
Puur uit principe.

*Eerlijk gezegd, ik heb eigenlijk geen sporthorloge, maar ik wilde eens hip doen.
** Ook dit is fictie om mijzelf een cool imago aan te meten.
***Alweer niet waar, ik ben blijkbaar een gepatenteerde leugenaar. Desserts zijn niet zo aan mij besteed.
















