Ik weet niet precies wanneer het gebeurd is, maar plots lijkt de tijd achteruit te lopen. Terwijl ik vroeger mijn platencollectie moest verdedigen (“Serieus, waarom bewaar je nog al die vinylplaten ?”), staan jongeren nu in de rij om er eentje te bemachtigen — voor het tienvoud van wat ik er destijds voor betaalde. En mijn oude cassettes, ooit weggestopt in een doos met de stempel voor het containerpark, blijken tegenwoordig hipster-erfgoed.
Het begon toen ik mijn achterneefje zag poseren met een Polaroidcamera. “Kijk,” zei hij trots, “het is zo cool dat je de foto meteen krijgt, en dat je ze niet kan bewerken!” Ik zweeg. Ik dacht aan de dozen vol vergeelde Polaroids op zolder — wazige foto’s van vakanties in Frankrijk, een paar verjaardagsfeestjes en één waarop niemand in beeld is omdat iemand net te laat op het knopje duwde. Toen waren ze gewoon mislukt. Nu heten ze “authentiek”.

En daar zit de magie: wat wij vroeger vanzelfsprekend vonden, is voor jongeren pure vintage poëzie. Ze kopen platenspelers met Bluetooth, ze luisteren naar Fleetwood Mac alsof ze hen persoonlijk hebben ontdekt, en ze vinden de ruis op een cassettebandje “warm”. Ik heb altijd geweten dat de wereld ooit mijn smaak zou inhalen.
Ik pleit dus officieel voor een revival van alles wat een beetje kraakt, klikt of piept. Laat ons onze oude walkmans opgraven, onze typemachines opnieuw olie geven en onze dia’s eens bovenhalen. Laat ons rommelmarkten veroveren met de trots van archeologen op expeditie. Want ergens tussen de vergeelde stripverhalen, stoffige videorecorders en porseleinen beeldjes van honden ligt een stukje verleden dat verrassend goed bij het heden past. Of een oude fotocamera met filmpjes die je zelf moet ontwikkelen of naar de dorpsfotograaf (bestaan die nog?) brengen om enkele dagen later vast te stellen dat maar drie van de foto’s min of meer gelukt zijn.

Zelf ben ik vorige week nog op jacht gegaan. In de kringloopwinkel stond een rek met LP’s waar ik bijna ontroerd van werd: ABBA, Queen, zelfs The Sound of Music. Een jonge vrouw naast me bladerde aandachtig door de stapel en hield een plaat omhoog: “Ken jij deze?” “Ken ik die?” zei ik. “Ik heb daar nog op gedanst met een chocowafel in de ene hand en een frisdrank in de andere.” Ze glimlachte beleefd — de jongere generatie weet niet altijd wat ze met zulke bekentenissen moet.
Maar ik vind het heerlijk dat de generaties elkaar daar ontmoeten: in het gezoem van een platenspeler, het klikken van een camera, de geur van een oud boek dat naar kelder ruikt. Daar verdwijnt het leeftijdsverschil even volledig. We staan naast elkaar te neuzen in bakken vol herinneringen en zeggen dingen als: “O, die had mijn vader ook!” of “Wacht, dit herken ik van TikTok!”
Rommelmarkten zijn trouwens het nieuwe weekenduitje. Je ziet er gezinnen met buggy’s, studenten met totebags en gepensioneerden met een scherp oog voor koopjes. En ik, gewapend met een thermos koffie en een portie nostalgie, tussen hen in. Ik ben dol op dat moment waarop je iets vindt wat je al dertig jaar vergeten was dat het bestond: een blikje met de afbeelding van Expo ’58, een oude puzzel met ontbrekend stukje, een transistor-radio die zachtjes kraakt maar dat past goed bij de oude liedjes die je erop hoort, met ‘De tijd van toen’ van Jan Theys als absolute hoogtepunt van nostalgie.

Er is ook iets troostends aan dat zoeken. We bladeren niet alleen door spullen, maar door herinneringen. Elke doos, elk vergeeld boek, elk stukje plastic met vergeelde randen roept een tijd op waarin de wereld trager was en we het volstrekt normaal vonden dat de telefoon een draad had. Het is een soort tijdreizen, maar dan zonder de stress van bagage.
En het mooiste van alles: die herontdekking is niet alleen voor ons. De jongeren doen vrolijk mee. Ze dragen broeken die we in de jaren zeventig al belachelijk vonden, drinken koffie uit oude tassen en luisteren naar LP’s van artiesten die wij live zagen toen ze nog geen grijze haren hadden. Ze kopen tweedehands platenspelers, zetten een Polaroid die zelfs niet meer hoeft te werken op hun boekenplank en noemen dat ‘retro esthetiek’. Wij noemden dat gewoon: ‘de woonkamer’.
Misschien is dat wat we vandaag nodig hebben: geen generatiekloof, maar een generatiekringloop. Waar jong en oud samen afdingen op een stoffige radio of debatteren over wie het laatst nog wist hoe je een cassette terugspoelt met een potlood.
Ik stel voor dat we er een nationale hobby van maken: samen op zolder, in de kelder of in de kringwinkel op zoek naar vergeten schatten. Neem de kleinkinderen mee. Laat ze de charme zien van een radio die eerst moet opwarmen voor hij geluid maakt. Laat ze een dia-projector horen zoemen, of een typemachine voelen rammen. Dat zijn geen spullen — dat zijn tijdmachines met karakter.
Dus ja, ik geloof in een revival. Niet alleen van spullen, maar van verhalen. Van die tastbare, krakende, ietwat onhandige voorwerpen die ons eraan herinneren dat niet alles digitaal of perfect hoeft te zijn. De charme zit in het onvoorspelbare, het tastbare, het kleine ‘foutje’ dat karakter geeft.

En wie weet, als we met z’n allen binnenkort weer met cassettes in de auto rijden, Polaroids aan de muur hangen en op rommelmarkten rondsnuffelen alsof het heilige grond is, dan voelen we ons misschien een beetje minder voorbijgestreefd. Want zeg nu eerlijk: we waren onze tijd gewoon vér vooruit. De rest heeft er alleen wat langer over gedaan om dat in te zien.
Boomager-tip van de dag: Vergeet hightech, wifi en pixels. De échte verbinding vind je op zolder, tussen een doos oude foto’s, een stoffige platenspeler en iemand die zegt: “Wacht, dat had ik vroeger ook!” Dat is geen nostalgie. Dat is pure levenskunst.














