Wat Julius Caesar ons leert over keuzes die alles veranderen — ook later in het leven
In de loop der geschiedenis kleurden heel wat figuren het menselijk bestaan. Sommigen verdwenen in de mist van de tijd, maar anderen worden tot op vandaag herinnerd. Zij hebben zo’n rol gespeeld in de wereld dat ze voor altijd zullen blijven rondhangen.
Eén van de meest bepalende personen in de westerse wereld is ongetwijfeld Julius Caesar. Deze Romeinse veldheer en dictator was de grondlegger van een aantal zaken die ook nu nog een rol spelen in het dagelijks leven. Maar wie was deze man? Wat was hij buiten veroveraar en Romeins heerser? Hoe kwam hij eigenlijk aan de macht? En wat luidde zijn einde in?
Woelige jeugd
Caesar kwam uit een bevoorrechte familie. Het gros van zijn voorouders waren consuls, de hoogste magistraten uit de Romeinse Republiek. Toch werd hij in 100 voor Christus geboren in een arme wijk omwille van het feit dat de familie in de loop der tijd verpauperd was. Hij werd opgevoed door zijn moeder omdat zijn vader zijn politieke sporen wilde verdienen in de provincie Asia. Hij kreeg lessen Grieks en las onder meer de werken van Homerus. Al snel viel zijn redenaarskunst op, wellicht omdat hij vaak het Forum Romanum bezocht waar bekende redenaars vaak hun redevoeringen hielden. Naast zijn spraakvaardigheid leerde hij ook zwaardvechten, zwemmen en paardrijden.
Tijdens Caesar zijn jonge jaren kwam er een machtsstrijd tussen enerzijds Lucius Cornelius Sulla en anderzijds de Populares, zij die op ingrijpende politieke veranderingen aanstuurden. Caesar schaarde zich achter die laatsten, maar het was Sulla die de strijd won en dictator werd. Die verklaarde al zijn tegenstanders vogelvrij en omdat Caesar gehuwd was met de dochter van één van de leiders van de Populares en van haar weigerde te scheiden, kwam ook hij op de befaamde lijst en moest hij op de vlucht slaan. Hij trok het leger in om te vechten in onder meer Asia. Hij trad ook nog op als gezant van Rome aan het hof van de Romeinsgezinde koning Nicodemes IV van Bythinië, gelegen in het noordwesten van het huidige Turkije. Geruchten dat Caesar en Nicodemes een seksuele relatie hadden, werden steevast door hem ontkend hoewel homoseksualiteit in de Hellenistische wereld destijds werd geaccepteerd. Toch zouden de bijnamen ‘Vrouw van Nicodemes’ en ‘Koningin van Bythinië’ hem nog lang achtervolgen.
Toen Sulla in 78 voor Christus stierf, kwam Caesar terug naar Rome. Hij bezat echter niet veel en ging dan aan het werk als advocaat. In 75 voor Christus was hij op weg naar Rhodos toen hij werd gevangengenomen door piraten. Daaruit kwam een legendarisch verhaal. De piraten eisten twintig talenten, een valuta-eenheid uit de Oudheid gelijk aan zo’n 32 kg, aan zilver. Caesar vond dat veel te weinig en wilde dat ze vijftig talenten vroegen. Intussen groeide er een soort vriendschap tussen hem en zijn ontvoerders. Hij oefende zijn retoriek en zei op een gegeven moment tegen de piraten dat hij na zijn vrijlating hen zou vinden en laten kruisigen. De piraten lachten hier uiteraard om, maar toen Caesar na 38 dagen gevangenschap terug vrijkwam, organiseerde hij meteen een zoektocht naar hen. Hij kreeg de meeste piraten te pakken en liet hen effectief kruisigen. Hij liet ze echter eerst ombrengen omdat ze zijn vrienden waren geweest.
Eerste Triumviraat
Nu Caesar zich had bewezen in de strijd en zijn trouw had getoond aan de Populares, werd hij zeer geliefd bij het volk. Hier zag hij een kans in om zijn politieke ambities om te zetten in werkelijkheid. Financieel had hij het echter nog steeds niet breed en dus vroeg hij steun aan een goede vriend van hem die tevens de rijkste man van Rome was: Marcus Crassus. Die deed dit wel vaker met politici in de hoop dat ze hun ambt te pakken kregen en hem zo konden terugbetalen. Grepen ze ernaast, dan kwamen ze diep in de schulden en dus waren ze des te gemotiveerder om te slagen.
Zo ook Caesar die allerlei politieke functies bekleedde, van tribuun tot quaestor, curator en praetor. Hij had op een gegeven moment ook het ambt van hoogste priester op het oog waarvoor hij zich andermaal diep in de schulden stak, maar het wel verkreeg. Vanaf dan leefden hij en zijn vrouw in luxe en woonden ze in een huis op het Forum Romanum. Toen er een nieuwe samenzwering tot staatsgreep aan het licht kwam, verzette Caesar zich tegen het terechtstellen van burgers hetgeen hem nog meer populariteit van het volk opleverde. In 61 voor Christus werd hij oud-praetor van de provincie Hispania. In dat ambt was hij min of meer alleenheerser en kon hij belastingen innen en uitgeven naar eigen inzicht. Hij vocht er ook tegen lokale stammen waarbij heel wat plunderingen hoorden, ook van Romeinse dorpen. Het maakte hem ook bij de soldaten immens populair. Hij kreeg er de titel van Imperator, een eretitel die hij voor de rest van zijn leven droeg.
Maar toch was de honger van Caesar nog niet gestild. Hij had immers zijn zinnen gezet op de post van hoogste magistraat van het Romeinse Rijk, met name het consulaat. Langs de ene kant lag het binnen handbereik, langs de andere kant was het nog ver verwijderd. Dat had te maken met de vete tussen de op dat moment twee belangrijkste figuren van Rome: Marcus Crassus en Pompeius. Deze twee rivalen konden mekaar niet luchten. Toen Crassus, met Caesar in zijn rangen, in 71 voor Christus de Derde Slavenoorlog onder leiding van Spartacus de kop indrukte was het Pompeius die met het grootste deel van de pluimen ging lopen. Ook die had zijn aandeel gehad in de overwinning, maar veel minder dan Crassus. Toch kon Pompeius het niet laten om zijn politieke rivaal een hak te zetten en dat bleef Crassus achtervolgen. Als hij consul wilde worden, wist Caesar dat hij beide heren op de één of andere manier aan zich moest binden en hen samen laten werken. Wonderwel lukte hem dat en de drie zetten het zogenaamde Eerste Triumviraat op poten. De koek werd, zo leek het alvast toch, eerlijk verdeeld: Pompeius kreeg het leger, Crassus het geld en Caesar de rol van dienende consul.
Zoals verwacht kreeg Caesar dit huzarenstukje niet zomaar voor mekaar. Er waren beloftes aan verbonden. Zo kreeg Pompeius zijn zin door een wet die zijn veteranen grond schonk na hun actieve carrière in het leger. Crassus wilde dan weer dat er nieuwe pachtbelastingen voor de provincie Asia werden ingevoerd en kreeg die ook. Met Crassus had Caesar zoals eerder gezegd al een band als voormalig krijgstribuun in diens leger en vooral ook als schuldenaar. Dat was nog niet het geval met Pompeius en dus huwde Caesar zijn enige dochter Julia uit aan de generaal.
Dat hij nu de topfunctie bekleedde, wilde niet zeggen dat Caesar zomaar door iedereen werd vertrouwd. Integendeel zelfs. Zijn grootste politieke rivaal, een man genaamd Cato, wilde dat er nog een medeconsul werd aangeduid. Cato was lid van de zogenaamde Optimaten, een stroming die erg conservatief was en de macht bij de Senaat wilde in plaats van het gewone volk. Cato vertrouwde het Triumviraat voor geen meter en eiste dat iemand van zijn eigen partij naast Caesar zou plaatsnemen. Dat werd een man genaamd Bibilus en zijn taak bestond erin om Caesar zoveel mogelijk dwars te liggen en als het kon wetsvoorstellen te saboteren zoals de akkerwet die Pompeius erdoor wilde krijgen voor zijn veteranen. Op een gegeven moment had het Triumviraat er genoeg van en zette Pompeius de stad vol soldaten die enige weerstand moesten breken. Bibilus zelf durfde zijn huis niet meer uit nadat hij door een menigte uit het Forum werd gejaagd.
Verovering van Gallië
Na zijn jaren als consul werd Caesar proconsul van de provincies Gallia Cisalpina en Ilyria. De eerste lag in het huidige Noord-Italië, de tweede in wat nu Kroatië is. Gallia Cisalpina grensde aan de rest van Gallië en werd bedreigd door Gallische stammen. Die waren sterk verdeeld, maar vormden af en toe wel allianties. Dat was zo het geval in 390 voor Christus toen ze Rome plunderden. Vandaar dat ze zo gevreesd werden door de Romeinen. Sommige stammen waren bondgenoten van de Romeinen en op hen zou Rome kunnen rekenen, ware het niet dat ze door onderlinge oorlog verzwakt waren. Toen op een gegeven moment een bevriend proconsul van twee aangrenzende provincies stierf, kreeg Caesar met goedkeuring van Pompeius ook diens provincies onder zijn hoede. Hij beschikte nu over vier provincies en dus ook vier legioenen. Hierdoor rijpte stilaan een idee bij hem: wat als ik in naam van Rome nu eens gans Gallië zou veroveren?
Om deze gedachte uit te voeren, moest er wel een aanleiding toe zijn. Want zomaar het terrein van de op dat moment grootste vijand van Rome binnendringen, was ondenkbaar. In Rome zaten ze immers niet te wachten op een nieuwe oorlog. Zelfs Crassus en Pompeius zouden dit nooit ofte nimmer goedkeuren hetgeen het einde van het Triumviraat zou betekenen. Het was voor Caesar dus wachten op een gelegenheid en die kwam er ook toen de koning van een bevriende Gallische stam hem om hulp kwam vragen. Die hulpvraag betrof een Keltische stam genaamd de Helvetiërs die op dat moment in het huidige Zwitserland woonden. Daar werden ze echter opgejaagd door de Germanen en vluchtten ze hun gebied uit richting het territorium van de bevriende stam van Rome. Dit was dé kans waarop Caesar had gewacht. Nu kon hij met zijn legioenen Gallië binnengaan. En er was meer, want Caesar had zelf nog een rekening te vereffenen met de Helvetiërs die zo’n vijftig jaar ervoor een Romeins legioen hadden verslagen onder leiding van een familielid van Caesar. Die werd toen prompt onthoofd, terwijl de overgebleven Romeinse soldaten werden vernederd door onder het juk te moeten lopen onder toezicht van triomferende Galliërs.
Zover zou het deze keer niet komen. De Helvetiërs waren geen partij voor het Romeinse leger en de sluwe oorlogstactieken die ze nu gebruikten. Caesar slaagde erin ze te verdrijven van het gebied van de bevriende stam, maar nu lag de weg wel open voor hem. Hij trok verder door Gallië zonder enige toestemming van de Senaat, hetgeen in feite hoogverraad was. Dat risico had Caesar er wel voor over om naam en faam in Rome te maken. Tijdens deze veroveringstocht gebruikte hij veel de verdeel-en-heerstactiek waarbij sommige stammen bondgenoten werden en meer rechten kregen, terwijl anderen werden onderworpen. Zo zouden de Galliërs veel minder de neiging hebben om samen te spannen, want vrienden werden ze hierdoor allerminst. De Belgae zagen in Caesar een dreiging en verenigden zich tegen hem onder leiding van de voor ons legendarische hoofdman Ambiorix. Zij boden weerspannig het hoofd en wisten de Romeinen zelfs een nederlaag toe te dienen, maar ultiem volgde toch de overwinning van Caesar in 57 voor Christus waarna hij de legendarische woorden ‘de Belgae zijn de dappersten der Galliërs’ neerschreef in zijn verslag. Daarna richtte hij zijn pijlen op de stammen die in het huidige Normandië en Bretagne woonden. Toen Germaanse stammen over de Rijn kwamen, keerde hij zich echter meteen tegen hen en richtte een massamoord aan met naar eigen zeggen 430.000 doden bij de vijand. Wellicht was dat overdreven. In de Romeinse Senaat wist men intussen niet wat te doen: moesten deze wapenfeiten nu gevierd worden of niet? Cato, de rivaal van Caesar, maakte van de gebeurtenissen gebruik om de veldheer in het nauw te drijven. Volgens Cato had Caesar een wapenstilstand verbroken en eiste hij dat zijn rivaal aan de uitgemoorde stammen diende overgeleverd te worden. Dat zou niet gebeuren.
Terwijl er in de Senaat stevig werd gedebatteerd, kon Caesar nog wel rekenen op de hulp van zijn vrienden. Een leider van de Populares stuurde een jonge ambitieuze kerel genaamd Marcus Antonius naar Gallië om Caesar bij te staan. Die toonde zich een zeer bekwaam militair leider en werd al snel de rechterhand van de veldheer. Beiden stond een zware taak te wachten, want intussen hadden de overgebleven Gallische stammen zich verenigd onder één leider: Vercingetorix. Deze koning-krijger moest ervoor zorgen dat de Romeinen uit Gallië werden verdreven en/of gewoon onder de voet werden gelopen.
Er volgden enkele harde veldslagen tussen Romeinen en Galliërs waar die laatsten bij momenten de bovenhand hadden. Vercingetorix leek zelfs onklopbaar. Totdat hij een kapitale fout maakte en zich verschanste in de ommuurde stad Alesia. Caesar omsingelde de stad en bouwde een tweede muur zodat hij de Gallische hoofdman had omsingeld. Toen hij te horen kreeg dat er Gallische versterking kwam, liet hij nog een muur bouwen. Zo hadden de Romeinen de Galliërs omsingeld, de Galliërs de Romeinen en nog eens omgekeerd. Wat volgde staat bekend als het Beleg van Alesia. Caesar liet de Galliërs uithongeren en toen Vercingetorix vroeg om vrouwen en kinderen te laten gaan, werd dit door zijn vijand pertinent geweigerd. Uiteindelijk vielen de Galliërs de buitenste muur aan waarop Caesar zijn troepen een tangbeweging liet maken en de vijand overdonderd en verslagen werd. Er restte Vercingetorix enkel nog de overgave. Vanaf dat moment was het zeker: Caesar had Gallië ingenomen en dat werd Romeins grondgebied.
Burgeroorlog
Terwijl Caesar zegevierde in Gallië, was Rome drastisch veranderd. Het machtige Triumviraat was tot een einde gekomen. Crassus en Pompeius zagen Caesar steeds meer als een bedreiging. Kwam daarbij dat Julia, de enige dochter en uitgehuwelijkt aan Pompeius, in het kraambed stierf. Zo was er geen band meer tussen Caesar en Pompeius ondanks het aanbod van Caesar om zijn achternicht uit te huwelijken, hetgeen Pompeius weigerde. Crassus van zijn kant wilde zelf glorie op het slagveld en ging met een legermacht van 35.000 man richting de Parthen die leefden in het noordoosten van het huidige Iran. Ook met dat volk had Rome een vredesverdrag getekend, maar Crassus wilde net als zijn rivaal ook triomferen door dat deel toe te voegen aan het Romeinse Rijk. Helaas liep dat faliekant af en sneuvelden zowel Crassus als 20.000 Romeinse soldaten.
Na deze tragische gebeurtenis werd Pompeius consul van Rome. En hij had zich nu tegen Caesar gekeerd. In 50 voor Christus kreeg Caesar van de senaat het bevel om terug te keren naar Rome. Daar was hij inmiddels tot staatsvijand uitgeroepen en werd hij beschuldigd van onder meer machtsmisbruik en corruptie. Bij de bevolking was Caesar echter een held, mede doordat Rome de laatste tijd in verval was geraakt. Straatbendes maakten de stad onveilig, chaos en wanorde vierden hoogtij. Een jaar later keerde de voormalige consul terug naar zijn geliefde stad. Daarbij stond hij op een gegeven moment voor de rivier Rubicon. Ten noorden ervan was hij proconsul en genoot hij onschendbaarheid, ten zuiden ervan niet en hij mocht zijn troepen niet meenemen. Een hele nacht lang zou Caesar hebben lopen piekeren om dan de legendarische woorden ‘Alia iacta est’ uit te spreken: de teerling is geworpen. De volgende dag stak hij met zijn troepen de rivier over om verder naar Rome te marcheren. Onderweg kregen ze de steun van heel wat Italiaanse steden die hun hulp aan de grote Caesar verleenden. Toen Pompeius en zijn medestanders dit hoorden, vluchtten ze Rome uit in de hoop dat Caesar genoegen zou nemen met de stad. Maar dat was niet het geval. Hij volgde Pompeius richting het zuiden in de hoop hem gevangen te nemen, maar de voormalige consul vluchtte verder de Adriatische Zee over. Daarop versloeg Caesar nog enkele bondgenoten van zijn rivaal in Spanje alvorens verder de achtervolging in te zetten. Er moesten immers eerst boten worden gebouwd om de zee over te steken. In de tussentijd hadden nog verschillende Romeinse legers zich bij Pompeius aangesloten en dus zou het een ware clash gaan worden. Er volgden twee grote veldslagen. De eerste werd gewonnen door Pompeius die dan de kapitale fout maakte om Caesar niet volledig te verslaan waardoor die alsnog kon ontsnappen. In het noorden van Griekenland volgde dan een tweede zware veldslag en deze keer won Caesar ondanks een veel minder aantal soldaten: 52.000 man streed voor Pompeius tegenover 23.000 man voor Caesar. De overgebleven soldaten van Pompeius gaven zich over waarna de strijd gestreden was.
Cleopatra en de Egyptische troon
In tegenstelling tot zijn medestanders, weigerde Pompeius zich gevangen te geven. Caesar had echter een vermoeden dat zijn vijand naar Egypte zou vluchten. Pompeius had in het verleden immers veel geld geleend aan dat land en heeft daar dus schuldenaars die hem wel zouden helpen. Caesar stuurde Marcus Antonius terug naar Rome om daar de zaak recht te houden om dan zelf naar Egypte te gaan. Hij hoopte Pompeius daar te vinden en mee terug te brengen naar Rome, maar een schokkende gebeurtenis zou daar anders over beslissen. Toen Caesar in Alexandrië toekwam, was er een ontmoeting met de heersende farao Ptolemaeus XIII. De jonge koning gaf Caesar hierbij een gift: het hoofd van Pompeius die op zijn bevel was gedood in het bijzijn van diens vrouw. In Egypte had men namelijk ook over de burgeroorlog in Rome gehoord en Ptolemaeus gaf hiermee aan de kant van Caesar te hebben gekozen. In ruil daarvoor hoopte de farao dat Caesar ook zijn kant koos in zijn eigen machtsstrijd met zijn zus Cleopatra VII.
Diezelfde Cleopatra zou inmiddels maar wat graag met Caesar kunnen praten en met een list slaagt ze hier ook in. Er bestaan heel wat verhalen rond, maar de bekendste in die waarin ze zich in een tapijt liet rollen die het paleis, waar de Romeinse veldheer zich bevond, werd binnengebracht. Toen haar dienaars zich vlak voor Caesar bevonden, rolden ze het tapijt uit waarna Cleopatra in al haar glorie tevoorschijn kwam. Zo had ze haar onderhoud met Caesar die nu volop haar kaart trok. Men denkt dat hij vooral voor haar charmes en niet haar schoonheid was bezweken. Hierop volgden twee veldslagen tussen enerzijds Caesar en Cleopatra en anderzijds Ptolemaeus XIII. Het was tijdens dit geweld dat de vermaarde bibliotheek van Alexandrië werd verwoest. Na de tweede veldslag was het duidelijk dat Caesar had gewonnen. De farao moest op de vlucht waarbij hij verdronk in de Nijl. Zo installeerde Caesar Cleopatra op de troon en werd Egypte een vazalstaat van Rome. Cleopatra werd ook zwanger van haar Romeinse beschermheer.
Dictatuur
Nu Pompeius er niet meer was, lag de weg voor Caesar naar alleenheerschappij open. Bij zijn terugkomst in Rome, trof hij de stad echter in totale chaos aan. Marcus Antonius was er niet in geslaagd de rust te doen weerkeren. In 48 voor Christus werd Caesar door de Senaat als dictator voor tien jaar aangesteld met de bedoeling terug orde op zaken te krijgen. Nu kreeg Caesar de lof die hij verdiende door onder meer vier triomftochten waarbij ook zijn vroegere vijand Vercingetorix werd rondgereden door de stad om uitgefloten en daarna publiekelijk geëxecuteerd te worden. Hetzelfde lot onderging de zus van Cleopatra en Ptolemaeus XIII die samen met haar broer tegen Caesar had gevochten in Egypte, maar haar werd de executie bespaard. Caesar schonk haar namelijk genade. Hij kreeg ook de titel van Imperator officieel voorgeschoteld door zijn militairen. Brood en Spelen werden door de nieuwe heerser afgekondigd om het publiek zijn entertainment te gunnen en op het Marsveld, een belangrijke plek in Rome, werd zelfs een zeeslag nagespeeld.
Caesar had grootse plannen. Hij wilde allerlei hervormingen doorvoeren, maar dat bracht hem andermaal in conflict met de Senaat. Zo deelde hij land uit aan veteranen in Gallië, waar hij ook zo’n 18.000 man uit het dichtbevolkte Rome naar liet overplaatsen. Hij liet luxegoederen belasten en om de werkloosheid tegen te gaan liet hij heel wat bouwwerken starten zoals het Forum van Caesar. Eén van de belangrijkste veranderingen was echter de invoer van de juliaanse kalender om zo een vaste kalender in Rome te krijgen, want daarvoor was het ene jaar al wat langer dan het andere en soms werd er ook zomaar wat aangepast. Nu bestond een jaar uit 365 dagen waarvan om de vier jaar een schrikkeldag.
Er was bij Caesar ook het besef dat hij sommige politieke tegenstanders terug voor zich moest zien te winnen. Hij had dan in het bijzonder de jonge senator Junius Brutus in het vizier. Deze was de zoon van een minnares van Caesar die hem tot dan nog steeds liefhad. Met Brutus bouwde Caesar een sterke band op en hij zag in de jongeling zelfs zijn opvolger. Brutus van zijn kant voelde dat Caesar oprecht was en beschouwde hem als een soort politieke vader. Dat veranderde echter toen Cleopatra terug op de proppen kwam met een zoon waarvan ze beweerde dat die van Caesar was. Nu voelde Brutus zich terug verraden en er kwam meer. Caesar bleef de Senaat uitdagen door hen voor het blok te zetten op bepaalde momenten. Zo beval hij steeds meer bouwprojecten zoals het project om een grote bibliotheek als die van Alexandrië te bouwen en zelfs de heropbouw van Carthago kwam aan bod. Hij droeg ook purperen mantels en liet zijn gezicht op munten afbeelden. Zaken die de Romeinen deed terugdenken aan hun laatste koning en dat waren geen al te beste herinneringen. Zijn verjaardag werd ook uitgeroepen tot nationale feestdag en hij had nog grootse plannen. In 44 voor Christus kwam het bevel tot een aanval op de Parthen, het volk waartegen Crassus destijds ten oorlog trok, maar verloor. Deze oorlog zou Rome serieus wat geld kosten en dat wilde de Senaat voorkomen. Zij hadden terug Brutus aan hun zijde, die werd aangeduid als opvolger van Caesar. En zo ontstond het plan voor de meest memorabele gebeurtenis uit de Oudheid.
Idus van maart
Op 15 maart in het jaar 44 voor Christus vond de jaarlijkse Idus van maart plaats. In Rome was dat een belangrijke religieuze feestdag en de dag waarop schulden werden vereffend. Omdat er werken bezig waren in het Senaatsgebouw vond de vergadering die dag plaats in de Tempel van Venus vlakbij het Theater van Pompeius.
Caesar had in de eerste weken van maart een waarzegster geconsulteerd en die had hem toen gewaarschuwd voor groot gevaar op de Idus van maart, maar Caesar negeerde dit. Ook de nare dromen die zijn vrouw had omtrent een aanslag legde de dictator naast zich neer. Hij ging die dag gewoon naar de vergadering van de Senaat waar enkele senatoren hem meteen enkele vragen wilden toedienen. Toen Caesar één van hen zei om er even mee te wachten, pakte die de mantel van Caesar vast en trok die ruw weg. Caesar was verbaasd en vroeg luidop waarom zo’n geweld werd gebruikt waarop de andere samenzweerders op hem toesprongen. Ze hadden allen een mes in de hand en staken de dictator waar ze maar konden. Caesar trok zijn mes en raakte één van hen, maar de aanval ging gewoon door. Uiteindelijk werd Caesar 23 keer gestoken vooraleer de aanval ophield. Volgens de overlevering (of was het Shakespeare?) zou Caesar de leider van de aanvallers hebben aangekeken en de legendarische woorden ‘Et tu Brute…’ hebben gezegd. Hij vroeg dus: ‘En jij Brutus? Jij ook mijn zoon?’ Hierover werd echter geen melding gemaakt in enig historisch verslag. Schrijvers uit de latere Romeinse tijd zoals Cassius Dio schreven dat Caesar geen enkel woord had gezegd en gewoon neerzeeg.
De dagen na de moord organiseerde Marcus Antonius een uitvaart voor Caesar op het Forum Romanum. Hij las tijdens de plechtigheid de namen van de samenzweerders luidop en liet ook weten dat Caesar aan iedere burger 300 sestertiën had overgelaten. Dit zorgde voor een enorme verering en een klopjacht op de daders. Gaius Octavius, de enige erfgenaam van Caesar en de latere keizer Augustus, sloeg de handen in mekaar met Marcus Antonius en samen versloegen ze de legers van Brutus. Zo was Caesar gewroken, maar zijn stempel had de legendarische leider allang gedrukt.














