Mijn dikke jas hangt nu het weer aan het omslaan is alvast in afwachting van nog kouder weer terug aan de kapstok. In de rechterzak zit een verfrommeld kasticket, in de linker een papieren zakdoek waarvan ik de gebruiksgeschiedenis liever niet onderzoek. Er blijkt ook een muntstuk van twee euro in te zitten, zodat de eerste opbrengst van het nieuwe seizoen alvast binnen is. Ik steek mijn hand nog eens dieper in de zak, maar daar houdt het economische herstel voorlopig op.
Met die jas begint ieder jaar dezelfde onderhandeling. Ga ik nog buiten nu het vroeger donker wordt, of blijf ik binnen omdat ik eindelijk eens rustig thuis kan zijn? Dat laatste klinkt bijzonder redelijk voor iemand die gisteren ook al rustig thuis was. Bovendien heb ik boeken genoeg, is er koffie in huis en moet een mens toch niet voortdurend ergens naartoe. Ik kan mijn luiheid behoorlijk overtuigend verdedigen.
Toch ken ik het gevaar van dat comfortabele redeneren. Eerst sla je een wandeling over omdat het regent, vervolgens omdat het mogelijk gaat regenen en tegen november volstaat een weerbericht waarin ergens boven Schotland een wolk wordt gesignaleerd. Intussen wordt het traject tussen schrijftafel, koffiezet en koelkast steeds vertrouwder. Je komt daar interessante dingen tegen, zeker in de koelkast, maar veel nieuwe mensen leer je in je keuken doorgaans niet kennen.
Het vervelende is dat ik best graag buiten ben zodra ik eenmaal de stap gezet heb. De grootste afstand ligt tussen mijn stoel en de voordeur, met onderweg nog die verraderlijke gang waar je kunt besluiten dat je eigenlijk eerst een andere trui nodig hebt.
Daarna zoek je die trui, vind je iets wat dringend opgeruimd moet worden en is het plots tijd om aan het avondeten te beginnen. Een hele namiddag bezig geweest, nergens geraakt: ook dat is een vaardigheid.
Daarom probeer ik mezelf geen grootse wandelvoornemens meer te verkopen. Een tocht van tien kilometer klinkt prachtig op zondagavond, wanneer je hem voor dinsdag plant. Dinsdag blijkt de papiermand echter dringend geleegd te moeten worden. Naar de bakker gaan lukt beter, of een boek terugbrengen naar de bibliotheek (een slecht voorbeeld misschien, wie doet dat nog?). Een bestemming helpt, zeker wanneer er onderweg iets te halen valt. Voor een koffiekoek blijken mijn benen soms over een opmerkelijk betere motivatie te beschikken dan voor mijn algemene welzijn.
Wie weinig buiten komt, zou eens kunnen proberen om één gewone boodschap te voet te doen, voor zover afstand en gezondheid dat toelaten. Kijk vooraf ook naar de terugweg: die zak aardappelen weegt bij de kassa nog hetzelfde als thuis, maar onderweg krijg je daar een uitgesproken eigen mening over. En als wandelen moeilijk gaat, mag de bestemming gerust een bankje vlakbij zijn. Je hoeft bij thuiskomst geen prestatie op een scherm te kunnen tonen.
En waarom zouden we deze herfst niet samen een boom planten? Wel eerst even vragen van wie de grond is, want niet iedere buur wordt gelukkig van een eik tussen zijn wasdraad en zijn tuinhuis. Bij een lokale plantactie kun je meehelpen en advies krijgen over wat waar thuishoort, terwijl er meestal ook iemand weet hoe diep dat gat nu eigenlijk moet. Ik zie mezelf vooral de jonge boom recht houden, een verantwoordelijke functie die gelukkig ruimte laat om op een spade te leunen. En het geeft je meteen een bestemming voor latere wandelingen: eens gaan kijken hoe hij het stelt, die nieuwkomer aan wie wij met zes mensen en behoorlijk wat commentaar een plek hebben gegeven.
Wat ik aan zo’n klein uitstapje waardeer, is dat de dag weer wat menselijk contact krijgt. Iemand houdt een deur open, aan de kassa ontstaat een gesprek over een prijskaartje en buiten kom je een bekende tegen wiens naam je net te laat terugvindt. Dan ben ik bijzonder blij dat wij in Vlaanderen met “zeg, hoe is het ermee?” een volledige ontmoeting kunnen afwerken zonder één voornaam te gebruiken.
Natuurlijk vervangt zo’n babbel geen vriendschap. Maar het doet wel iets met een dag wanneer je even deelneemt aan wat er buiten je eigen hoofd gebeurt. Thuis kunnen gedachten nogal gemakkelijk rondjes blijven lopen, vooral de minder aangename. Die hebben blijkbaar nooit last van slecht weer.
Voor echte afspraken bestaat dan weer een ander obstakel: het hardnekkige “we moeten nog eens…”. Ik heb mensen met wie ik vermoedelijk al jaren iets moet, zonder dat iemand nog weet wie oorspronkelijk aan zet was. Ondertussen zouden we elkaar kunnen tegenkomen en uitvoerig vaststellen hoe schandalig lang het geleden is, waarna we opnieuw afscheid nemen met dezelfde onbruikbare belofte.
Een concrete uitnodiging is minder elegant, maar werkt beter. “Zullen we volgende week dinsdag om twee uur koffie drinken? Je weet mij wonen.” Daar kan iemand iets mee. En wanneer dinsdag niet past, kun je meteen een andere dag zoeken. Dat kleine verschil bespaart maanden goede bedoelingen. Je hoeft bovendien geen volledige maaltijd aan te bieden; koffie met een koekje is een volwaardige ontvangst. Wie voor ieder bezoek eerst de ramen wil wassen, organiseert vooral weinig bezoek.
Wel zou ik oppassen met de gedachte dat iedereen zomaar een telefoon kan nemen en een afspraak maken. Sommige contacten zijn verwaterd, andere mensen zijn overleden en soms heb je al zo vaak zelf gebeld dat je het beu bent. Dan kan de raad om “gewoon initiatief te nemen” behoorlijk schuren. Een activiteit met een vast uur en een herkenbare bezigheid kan in zo’n geval gemakkelijker zijn dan opnieuw proberen ergens tussen te raken.
En dan zijn er nog de avonden waarop ik helemaal nergens naartoe wil. Daar hoeft weinig aan gerepareerd te worden. Ik kan met veel genoegen een boek lezen, muziek opzetten of eindelijk eens uitzoeken wat er in die map op de computer staat die al maanden “nog bekijken” heet.
Thuis wordt het voor mij vooral een probleem wanneer ik niets kies en de avond toch volloopt. Even op de telefoon kijken, nog een filmpje, vervolgens een bericht over iets waar ik kwaad van word en voor ik het weet heb ik een uur besteed aan mensen die ik niet ken. Dan had ik liever bewust een slechte film bekeken. Daar kun je achteraf tenminste nog behoorlijk over klagen.
Een oude plaat opleggen helpt soms beter dan blijven zoeken naar iets nieuws. Je hoort een intro en weet ineens weer waar je vroeger stond, met wie en mogelijk zelfs in welke afschuwelijke broek. Nodig iemand uit om een paar nummers mee te brengen en je hebt al snel meer gesprek dan muziek. Al moet je kunnen verdragen dat een ander jouw jeugdherinneringen onderbreekt met de mededeling dat hij dat lied altijd al verschrikkelijk vond.
Mijn avonden hoeven dus niet volgeboekt te raken. Ik wil wel voorkomen dat ik ze achteraf alleen herken aan de hogere verwarmingsrekening en de series die ik bekeken heb. Een afspraak die doorgaat, een plek waar ik binnen durf te stappen, een wandeling waarvoor ik op tijd mijn jas aantrek: daar heb ik meer aan dan aan een indrukwekkende lijst voornemens.
Die jas hangt intussen nog altijd klaar. Ik heb het kasticket weggegooid, de zakdoek eveneens en de twee euro opgeborgen voor een volgende uitstap. Nu nog vertrekken voordat ik bedenk dat de kapstok eigenlijk ook eens afgestoft moet worden.
















