Met Luik-Bastenaken-Luik werd op een hoogstaande wijze het klassieke voorseizoen 2026 afgesloten. Met nog maar eens het bewijs van de absolute heerschappij van Sloveen Tadej Pogacar, die in de ‘doyenne’ zijn vijfde wedstrijd van deze campagne reed, en daarbij voor een vierde succes zorgde.
Een zelden geziene heerschappij, die destijds enkele maar door de ongenaakbare Eddy Merckx over het peloton gevoerd werd.
Maar ondanks het feit dat het altijd weer om Pogacar ging, konden uit al die koersen toch nog andere conclusies getrokken worden, andere dan dat hij de absolute heerser van deze tijden is. Je ging, kijkend naar de tv-reportages, almaar meer denken aan het recente verleden, aan het heden en aan de niet al te verre toekomst. Mannen uit die eerste geciteerde periode lieten, ondanks de Tadej-hegemonie, blijken dat hun generatie nog niet helemaal uitgepraat is. Mathieu van der Poel won wel geen grote klassieker, maar toch nog genoeg belangrijke koersen, die waarde gegeven aan zijn erelijst. Wout van Aert van zijn kant leerde dat, na twee seizoenen met net iets te veel miserie, zijn schitterend verleden nog steeds kan nagalmen, wat hij deed met die oh zo grootse zege in Parijs-Roubaix. Daarin klopte hij, al sprintend op de wielerbaan van de Noord-Franse stad, niemand minder dan, juist, Tadej Pogajar. Beide renners waren, met nog wel wat kilometers te rijden, onder hun tweetjes voorop geraakt, wat aan de sterk fietsende Wout de gelegenheid gaf eindelijk nog eens een topkoers te winnen, na al zoveel tweede en derde plaatsen behaald te hebben. Het lukte dus en zowaar dan nog in de klassieker die hem waarschijnlijk het nauwst aan het hart ligt, want ook het best bij hem past: Parijs-Roubaix dus. Het bracht mee dat anders zo evenwichtige Kempenaar in een extreme vreugderoes belandde, samen trouwens met een groot (of het grootste) peloton van wielerliefhebbers, misschien wel uit de hele wereld. En het leert nog maar eens hoe kampioenen ouder worden, tot ze te oud zijn om nog verder te rijden. Waar ze voorheen al eens een mindere dag meemaken in de competitie, kennen ze er met de vorderende seizoenen altijd maar meer en meer om, op de duur, nog maar af en toe hun onbetwistbaar talent te manifesteren. Wat van Aert in de kasseienkoers op een onweerstaanbare manier deed.
De vraag mag, na de pas afgewerkte klassieke periode, gesteld worden of het verleden ook bij Remco Evenepoel begint door te wegen, verleden waarin hij zich en ook weeral bij herhaling als bijna onklopbaar manifesteerde, gedurende een korte tijd dan wel. Nu was hij dat ook een beetje heel in het begin van deze campagne, om finaal maar één echt grote overwinning te behalen, met name in de Amstel Gold Race. Waarbij wel mag aangestipt worden dat de zeldzame tegenstanders die op zijn klasse-niveau met de fiets rondrijden, daarin afwezig bleven. Zodat hij de wedstrijd van het begin tot het einde in de greep kon houden om in de finale feilloos op het succes af te stevenen. Wat schuchter de vraag ontlokt of het met hem gaat verlopen zoals met vele kampioenen, die na een zekere tijd al (te) veel van hun kruit verschoten.
Bij Tadej Pogacar is dat laatste heus nog niet gebeurd, zodat hij voor zeker nog wel wat tijd op het hoogste peil zal resideren, als bepalende figuur van het ‘heden’ in de wielergeschiedenis. Maar of hij dat in de zeer nabije toekomst nog alleen zal doen, zoals dat in de lente 2026 het geval was? Waarschijnlijk, of beter gezegd, zeker niet. In Luik-Bastenaken-Luik kreeg hij af te rekenen met een piepjonge Fransman, met de 19-jarige Fransman Paul Seixas, die vandaag en zo goed als zeker als de grote kampioen van de toekomst mag beschouwd worden. Voor L-B-L werd alsnog de vraag gesteld of die kerel al bekwaam zou zijn ook over de 260 kilometer van de ‘doyenne’ stand te houden?
Maar waarom niet.
Oké, hij had in zijn leven nooit zo lang een in een trek gekoerst, maar hij hield, samenwerkend in de beslissende vlucht met twee, wel stand tot op een van de laatste hellingen. Om dan toch nog schitterend tweede te worden. En achteraf bekeken lijkt dat dan weer niet eens verrassend. Een renner die in zijn eerste echt profseizoen zo’n palmares aflevert, mag bekwaam geacht worden ongeveer elke afstand en elke moeilijkheidsgraad aan te kunnen. Noteer zelf maar even wat die lange, ranke jongeman in de lente 2026 al onder zijn naam heeft laten schrijven: 2de in de Strade Bianche (na Pogacar uiteraard), winnaar van de Waalse Pijl en primus in de Ronde van het Baskenland, erkend als een behoorlijke zware onderneming! En nu, in Luik, alleen maar voorafgegaan door die sakkerse Pogacar. Dan mag gerust gesteld worden dat je vandaag al ongeveer alles aankunt.















