8 mei wordt sinds vele jaren al bij ons niet meer gevierd en in Rusland gebeurde dat – enkele dagen geleden – op een ongewone manier. Gezien de oorlog die Poetin nog steeds tegen Oekraïne voert, werd het op de feestelijke stoet die dan door Moskou trekt, amper militair materiaal getoond en eigenlijk past dat beter bij wat er dan gevierd wordt, met name het definitieve einde van Wereldoorlog II. Op de dag dat toen de handtekeningen daarvoor gezet werd, was ik op weg naar mijn zesde verjaardag, leeftijd die nog niet al te veel herinneringen nalaat, tenzij over dingen die achteraf en in de familiekring, meermaals en met nadruk besproken worden. En zo in het kopje van de jongeren present blijven.
Voor mij echter flitsen er doorheen dat kopje, nog beelden van die gebeurtenis, zo’n sterk dat je ze nooit of nooit kunt vergeten, ook al spreekt er geen mens meer over.
Ik zie ons, mijn familie en ik (en vele andere mensen) nog steeds op de stoep staan en juichen bij de doortocht van Canadese tanks, die meegestreden hadden om de Duitsers te verslaan.
We hadden allemaal papieren Belgische vlagjes in de hand en wat daarbij bijzonder was: vanop die indrukwekkende tuigen werden ons, door de soldaten, zowaar sinaasappelen toegeworpen, vruchten waarvan we wel wisten dat ze bestonden, maar die we tot dan toe nog niet geproefd hadden. Ook op chocolade trakteerde die breed lachende militairen ons, wat een nog groter feestelijk gevoel aan het gebeuren gaf.
Wat daarnaast als een film in mijn hoofd blijft zitten, gebeurde misschien niet direct op die 8ste mei, maar vast niet lang erna. Op een bepaalde dag zagen we, buren uit de Sergeysselsstraat in Borgerhout, gewapende kerels eerst een vrouw en later ook enkele mannen het huis van de kapper aan de overkant van onze woonst brutaal binnenduwen. Vader en moeder wisten uiteraard wat er aan het gebeuren was. ‘Dat zijn zwarten’, stelden ze, ‘en zwarten zijn smeerlappen die met de moffen meegewerkt-, ja zelfs meegevochten hebben en waar wij nu eens weerwraak gaan op nemen. Bij de kapper gaan ze hen, om te beginnen, kaalscheren en dan, ja dan zul je wel zien wat er nog te zien valt.’
Dat alles werd tegen kinderen gezegd alsof het om de gewoonste zaken ging en toen er toch een jongetje of een meisje het lef opbracht om op de vensterbank van de coiffeur te kruipen en te zien hoe die ‘smeerlappen’ kaalgeschoren werden, stormden wij, mijn oudste zus en ik, ook naar de overkant om het voorbeeld van die twee dappere leeftijdsgenoten te volgen. En te juichen bij het zien van de brutaliteit waarmee ‘die zwarten’ van hun kapsel beroofd werden.
Toen ze weer buitenkwamen zagen ze er heel anders uit, vonden en zegden we ook. Om dan achter hen mee te lopen en zo, als het ware, een stoet te vormen, die door heel de gemeente trok. Hoe verder we geraakten, hoe meer mensen buiten kwamen en finaal een haag toeschouwers vormden, die niet alleen vloeken en scheldwoorden naar de hoofden van ‘de smeerlappen’ slingerden, maar ook allerlei voorwerpen, tot en met stenen, die, raak gegooid, best wat blessures konden veroorzaken. Maar ja, wat betekende dat in vergelijking met wat die Duitsers ons allemaal hadden aangedaan? Ter zake is mij nog een herinnering in mijn hoofd blijven hangen. Het was onze buurvrouw van drie verdiepingen hoger die haar hoofdhaar had ingeleverd en zich, eens dat gedaan, aan de kop van de stoet mocht zetten, met in haar handen het portret van Hitler, dat een uurtje eerder nog in haar salon boven de canapé hing. En telkens weer moest ze dat, onder bedreiging van de wapens, blijven zoenen… om zo nog meer awoert-geroep naar haar kop te krijgen.















