HomeACTUEELOud genoeg om lastig te zijn

Oud genoeg om lastig te zijn

Een kort verhaal over oude mannen, versleten lichamen, verboden genoegens en de hardnekkige weigering om braaf te sterven.

‘Waar de zon ter kimme rees,’ declameert Wilfried, waarna hij zijn ogen sluit en met een plechtig gebaar zijn hand opheft. Zijn wimpers trillen mee op het ritme van de woorden. Hij heeft die versregel zelf geschreven, beweert hij, al is het gedicht na veertien jaar nog altijd niet af.

‘En de bloemen devoot hun verdorde kelken vouwden,’ vult Ernest aan zonder op te kijken van zijn krant. Hij kent het hele repertoire van zijn vriend, inclusief de stukken die Wilfried nog moet schrijven. Dat krijg je wanneer je elke dag urenlang met dezelfde man doorbrengt en allebei een leeftijd hebt bereikt waarop de toekomst steeds minder te bieden heeft, terwijl het verleden almaar meer plaats opeist.

Ernest houdt de krant wat verder van zich af. De letters worden met het jaar kleiner, een samenzwering van de uitgevers tegen iedereen die ooit zonder bril de kleine lettertjes van een verzekeringscontract kon lezen. Dat is tenminste zijn theorie. Een leesbril kopen vindt hij een vernederende toegeving aan de ouderdom.

Ze zitten op het terras van café De Goede Hoek, waar de koffie slap is, de prijzen behoorlijk stevig zijn en de dienster al drie dagen hetzelfde humeur heeft. Haar vriend heeft haar verlaten, weet Wilfried, die dergelijke informatie verzamelt met de nauwgezetheid van een belastinginspecteur. Hij heeft haar vanochtend nog gevraagd of ze een nieuwe liefhebber zocht, waarop ze hem een extra klontje suiker heeft gegeven. Dat beschouwt hij als een aanmoediging.

‘La cuenta, por favor,’ roept hij wanneer hij wil afrekenen.

Ernest kijkt hem bewonderend aan. ‘Waar haal jij dat allemaal vandaan?’

‘Spaans, mijn jongen. De taal van de liefde. Je moet je hersenen blijven gebruiken, anders worden ze even slap als de koffie hier.’

Hij haalt zijn beduimelde Assimilboekje boven en controleert discreet of hij het wel juist heeft gezegd. Wilfried heeft nooit een voet in Spanje gezet en is dat ook niet van plan. Zijn enige dochter woont in Benidorm, maar die komt hem liever eenmaal per jaar bezoeken dan hem voor twee weken over de vloer te krijgen. Spaans leren doet hij uit principe. Een mens moet toch ergens mee bezig zijn.

Ernest kijkt naar de bomen langs de vaart. Ze staan in bloei, wat hem altijd een merkwaardig gevoel geeft. Hij heeft al twee hartaanvallen achter de rug en is ervan overtuigd dat de derde hem fataal zal worden. Zijn dokter heeft dat nooit letterlijk gezegd, maar dokters zijn tegenwoordig veel te diplomatisch. Ze praten over risicofactoren en levenskwaliteit wanneer ze eigenlijk bedoelen dat de machine versleten is en er nergens nog wisselstukken te vinden zijn.

‘We moeten terug,’ zegt Wilfried. ‘Anders stuurt Moemoe de rijkswacht achter ons aan.’

‘Laat ze maar komen. Ik heb mijn hele leven gewerkt, belastingen betaald en naar mijn vrouw geluisterd. Nu zou ik eindelijk eens mijn eigen goesting willen doen.’

Ze blijven nog tien minuten zitten, louter om te bewijzen dat ze dat kunnen.

Een huis vol weerspannige gevallen

Moemoe is de onbetwiste koningin van het huis. Haar officiële naam is mevrouw Vermeulen, maar niemand gebruikt die, behalve de directeur wanneer er klachten zijn. Ze regeert over de bewoners met een mengeling van moederliefde, achterdocht en militaire discipline. Ze weet wie er ’s nachts naar het toilet gaat, wie er stiekem drinkt en wie zijn vuile ondergoed onder het matras verstopt. Vooral dat laatste levert geregeld onaangename confrontaties op.

De voordeur piept wanneer Ernest en Wilfried terugkeren. Wilfried heeft al driemaal gevraagd om de scharnieren te smeren, maar tegenwoordig vermoedt hij dat Moemoe het gepiep bewust in stand houdt. Een soort primitief alarmsysteem, speciaal ontworpen om oude mannen op heterdaad te betrappen wanneer ze zich nog eens een stukje vrijheid veroorloven.

‘Daar zijn onze twee avonturiers,’ zegt ze vanuit de keuken. ‘Was het gezellig?’

‘We hebben een bank overvallen,’ antwoordt Ernest. ‘Maar de buit viel tegen. Tegenwoordig hebben ze nergens nog contant geld.’

Moemoe schudt het hoofd. Ze heeft al lang geleden besloten dat je met die twee niet moet discussiëren wanneer ze samen op stap zijn geweest.

In de keuken staat Cynthia gehaktballen te draaien. Cynthia is tweeëntachtig, heeft knalblond haar dat in de natuur niet voorkomt en draagt lippenstift in een kleur die zelfs een verkeerslicht jaloers zou maken. Ze is ooit een bijzonder mooie vrouw geweest, vertelt ze geregeld, en wie daaraan twijfelt, krijgt een geschiedenisles die minstens een halfuur duurt.

Wilfried is al jaren verliefd op haar, al noemt Cynthia zijn belangstelling liever een hardnekkige huiduitslag.

‘Dag, schoonheid,’ zegt hij. ‘Nog altijd niet van gedacht veranderd?’

‘Over wat?’

‘Over ons tweeën.’

‘Jawel. Vroeger zou ik je misschien nog vergiftigd hebben. Nu vind ik de moeite niet meer waard.’

Ernest schatert. Wilfried buigt galant, al kost hem dat met zijn beenprothese zoveel moeite dat hij bijna tegen de keukentafel valt. Zijn linkerbeen is hij tientallen jaren geleden kwijtgeraakt. Over de omstandigheden bestaan minstens vijf versies, waarvan er volgens Ernest geen enkele geloofwaardig is.

Cynthia gooit een gehaktbal van de ene hand in de andere en bekijkt hem met professionele aandacht. Ze heeft vroeger in de gezondheidszorg gewerkt, zegt ze zelf. Volgens Maurice was dat als engeltjesmaakster, in de tijd dat vrouwen voor bepaalde problemen nergens terechtkonden en mannen zich nadien van geen kwaad bewust waren. Niemand weet hoeveel waarheid er in dat verhaal zit. Cynthia zwijgt erover, wat in het huis als een bevestiging geldt.

‘Vandaag eten we frieten,’ kondigt ze aan. ‘Met gehaktballen en mayonaise.’

‘De laatste maaltijd,’ mompelt Ernest. ‘Jezus had tenminste nog brood en wijn.’

Opstandig tot in het bad

Victor heeft zich intussen in het bezemhok verstopt. Dat doet hij wel vaker wanneer Moemoe een van haar opruimrondes houdt. Zijn handen beven voortdurend en hij schaamt zich daarvoor, hoewel iedereen het weet. Hij is bang voor de dokter, voor de televisiejournaals en vooral voor de telefoon, omdat zijn zoon ergens ver weg als blauwhelm in een conflictgebied verblijft.

‘Is ze weg?’ vraagt hij wanneer Ernest de deur opent.

‘Voorlopig. Maar je kent haar. Die vrouw heeft ogen in haar achterhoofd en oren in haar schoenen.’

Victor kruipt uit zijn schuilplaats en belooft Ernest drie wafels met slagroom als hij hem helpt om zijn wekelijkse badbeurt te ontlopen.

Baden is een van de vele bezigheden die het huis noodzakelijk acht voor zijn bewoners, of ze daar nu zin in hebben of niet. Er zijn vaste uren om te eten, te rusten, televisie te kijken en bezoek te ontvangen. Het leven is er tot in de kleinste details georganiseerd. Alleen doodgaan mag nog altijd onverwachts gebeuren, en zelfs dat wordt als een bijzonder vervelende verstoring van het programma beschouwd.

‘Ernest, gaan we straks braaf in bad?’ vraagt Moemoe wanneer ze hem opmerkt.

Dat woord, braaf, is een van zijn grootste ergernissen. Hij is achtenzeventig, heeft twee vrouwen overleefd, vier kinderen grootgebracht en jarenlang een eigen zaak geleid. Nu spreekt een vrouw die zijn dochter had kunnen zijn hem toe alsof hij net met zijn vingers in de confituurpot heeft gezeten.

‘Nee,’ antwoordt hij.

‘Wat zijn we weer opstandig vandaag.’

‘Ik ben niet opstandig. Ik ben vuil. Dat is iets anders.’

Moemoe zucht en besluit morgen een nieuwe poging te wagen. Ze heeft nog genoeg andere problemen, waaronder Maurice, die zonder toestemming een schaakwedstrijd organiseert waarbij de deelnemers op geld inzetten. De koningin van het schaakspel is zoekgeraakt, zodat ze voorlopig met een omgekeerde bierdop spelen. Niemand heeft daar bezwaar tegen, zolang er maar iets te winnen valt.

Ernest wandelt de binnenplaats op. In het rozenperk zit Wilfried met een stokje in de grond te peuteren. Hij zoekt wormen, beweert hij, omdat hij eens wil onderzoeken of ze eetbaar zijn. Ernest vermoedt dat zijn vriend gewoon graag ziet hoe Moemoe kwaad wordt wanneer hij haar bloemen vernielt.

‘Weet je wat ons probleem is?’ vraagt hij.

‘Dat we te weinig seks krijgen?’

‘Dat ook. Maar vooral dat ze ons hier als kinderen behandelen.’

Wilfried denkt daar even over na. ‘Kinderen krijgen zakgeld. Wij moeten voor alles zelf betalen.’

De dansende lijken

Na het middageten organiseert Maurice een dansnamiddag. Hij heeft een oude pick-up bovengehaald en draait plaatjes uit een tijdperk waarin de meeste mensen in het huis nog gezond waren en de heren meenden dat ze voor eeuwig potentieel hadden bij de vrouwen.

Wilfried vraagt Ernest ten dans.

‘Mag ik deze wals van u, mijn allerliefste?’

‘Alleen als jij de vrouw bent.’

‘Met mijn been? Ben je gek geworden?’

Ze schuifelen over de binnenplaats, struikelen over elkaars voeten en beginnen zo verschrikkelijk te hoesten dat Cynthia haar sigaret uitmaakt om beter te kunnen lachen. Na twee dansen storten ze naast elkaar op een bank neer. Victor brengt fruitbier, en Wilfried kondigt plechtig aan dat ze voortaan als de Dancing Boys zullen optreden.

‘Handtekeningen na de voorstelling,’ hijgt hij. ‘En voor de dames is er gelegenheid tot persoonlijk contact.’

‘Dan mag je eerst wel je tanden poetsen,’ antwoordt Cynthia.

Er wordt veel gelachen in het huis. Vaker dan de buitenwereld vermoedt, en meestal om dingen waar fatsoenlijke mensen hun neus voor ophalen. De bewoners hebben in hun lange levens voldoende ellende gezien om te weten dat fatsoen een bijzonder overschatte deugd is. Bovendien hebben ze niet veel meer te verliezen. Hun reputatie is toch al naar de knoppen, hun kinderen bezoeken hen te weinig en voor de hemel zijn ze waarschijnlijk veel te slecht opgevoed.

Wanneer Maurice een ouderwetse wals opzet, begint de nieuwe bewoner te protesteren. Hij woont er nog maar een week, maar heeft al overal commentaar op.

‘Ik hoor dat liedje niet graag.’

Cynthia kijkt hem aan met de blik van een vrouw die vroeger veel grotere problemen heeft opgelost.

‘Luister eens, jongeman. Wij hebben hier jaren over gedaan om de boel naar onze hand te zetten. Dan moet jij niet binnenkomen en meteen de muziek willen veranderen.’

‘Ik ben ook al vierenzeventig.’

‘Dat bedoel ik. Nog groen achter je oren.’

Wilfried besluit de discussie te beslechten met een wetenschappelijke vraag.

‘Wie schijt er eigenlijk het meest op een dag? Een mens of een schaap?’

Het wordt onmiddellijk stil. Maurice legt zijn kaarten neer en Victor vergeet zelfs even dat zijn zoon misschien op een landmijn kan lopen.

‘Dat hangt van het schaap af,’ zegt Ernest. ‘En van de mens natuurlijk. Neem nu jou. Jij zit elke ochtend drie kwartier op de pot.’

‘Dat heet een goede stoelgang.’

‘Dat heet de krant lezen op kosten van de gemeenschap.’

Cynthia vindt dat ze schandalig bezig zijn. Een mens zegt zijn gevoeg doen, beweert ze, waarop Wilfried rechtveert, met de hielen klakt en een Duitse mars begint te zingen. Ernest laat zich niet onbetuigd en verzint een gedicht over schapen, stront en zijn overleden schoonmoeder.

Het gezelschap is nog lang niet uitgelachen wanneer Moemoe verschijnt.

‘Genoeg!’

Ze heeft geen tweede woord nodig. De mannen zwijgen meteen, zoals kleine jongens die bij het roken betrapt worden. Alleen Cynthia blijft uitdagend kijken. Zij heeft nooit veel belangstelling gehad voor gezag, zeker niet wanneer het van een vrouw komt die nog niet eens de helft van haar levensjaren telt.

‘Kan ik mijn gat niet draaien of jullie gedragen je weer als kleine kinderen?’ vraagt Moemoe.

‘Dat is precies wat wij ook vinden,’ zegt Ernest. ‘Maar jij behandelt ons als kleine kinderen.’

Voor een ogenblik weet Moemoe niet wat te antwoorden. Daarna begint ze zelf te lachen, tegen haar zin, en dat beschouwen de bewoners als een historische overwinning.

Frieten, liefde en andere rampen

Het middageten verloopt volgens de gebruikelijke regels, wat betekent dat iedereen die regels zo grondig mogelijk probeert te overtreden. Ernest schiet met zijn lepel een klodder mayonaise op Wilfrieds bril, Victor likt zijn bord schoon en Cynthia eet haar rijstpap met een extra gehaktbal. Maurice probeert ondertussen drie frieten in zijn neus te stoppen, maar moet zijn demonstratie afbreken omdat hij zich verslikt.

Wanneer Wilfried ketchup op het kleed van Moemoe morst, wordt hij naar zijn kamer gestuurd. Hij protesteert luidkeels en eist een advocaat, waarna hij met een waardigheid die niet helemaal bij zijn bemorste hemd past, de eetzaal verlaat.

Tien minuten later laat Moemoe hem terugkomen. De anderen onthalen hem met een staande ovatie, al blijft Victor zitten omdat zijn knieën vandaag niet meewillen.

Na het eten neemt Ernest Cynthia apart.

‘Ben je nu nog altijd verliefd op mij?’

‘Zot,’ antwoordt ze.

Maar ze lacht erbij, en Ernest weet dat hij daarmee meer heeft bereikt dan sommige mannen in hun hele huwelijk.

Ze heeft vroeger geliefden gehad, vertelt Cynthia soms, mannen met sterke armen, goede tanden en voldoende uithoudingsvermogen om een hele nacht op te blijven zonder naar het toilet te moeten. Wanneer ze daarover begint, luistert Wilfried met een aandacht die geen enkele pastoor ooit tijdens zijn preken heeft weten op te wekken.

‘Een mens wordt oud,’ zegt Cynthia, ‘maar vanbinnen verandert er veel minder dan jullie denken.’

Dat begrijpt Ernest maar al te goed. Hij droomt nog geregeld van vrouwen die allang begraven liggen, van avonturen die nooit hebben plaatsgevonden en van liefkozingen waarvan hij overdag beweert dat hij er geen behoefte meer aan heeft. Er zijn dingen die het lichaam niet meer kan, maar die in het hoofd koppig blijven doorgaan.

Hij zou dat graag eens aan zijn kinderen uitleggen. Die denken waarschijnlijk dat hij alleen nog belangstelling heeft voor het weerbericht, zijn bloeddruk en de vraag of de aardappelen goed gekookt zijn.

De kaart van de dood

In de namiddag wordt er gekaart onder de notenboom. Wilfried deelt de kaarten uit en wint meteen drie spelletjes achter elkaar. Hij is een berucht valsspeler, maar niemand heeft hem ooit op heterdaad kunnen betrappen.

‘Niets in de handen, niets in de mouwen,’ grinnikt hij wanneer Ernest hem ervan beschuldigt opnieuw een kaart te hebben achtergehouden.

‘Je hebt zelfs geen mouwen.’

‘Dat bewijst toch mijn onschuld?’

Ernest wordt almaar kwader. Hij heeft slecht geslapen, zijn hart doet vervelend en de gehaktballen van Cynthia liggen zwaar op zijn maag. Daarbij heeft hij deze week weer geen brief gekregen. Wilfried heeft een kaartje ontvangen van zijn dochter uit Benidorm, compleet met palmbomen en een zonsondergang. Zijn eigen kinderen beperken zich tegenwoordig tot een telefoontje op zijn verjaardag, en zelfs dan afstandelijk en haastig.

Wilfried legt triomfantelijk zijn kaarten op tafel.

‘Full house, heren. Leer het spel maar eens spelen.’

‘Valsspeler!’

‘Slechte verliezer!’

‘Ga naar de duivel!’

‘Als jij er eerst bent, zal ik eens komen kijken hoe het daar is.’

De anderen lachen. Ernest wil rechtstaan, maar blijft met zijn hand aan de tafel hangen. Zijn gezicht trekt vreemd samen. Hij probeert iets te zeggen, krijgt geen lucht en zakt vervolgens langzaam op de grond.

Aanvankelijk denken ze dat hij toneelspeelt.

‘Doe maar gewoon, Ernest,’ zegt Maurice. ‘Je hebt verloren, meer is het niet.’

Maar Ernest beweegt niet meer. Zijn mond gaat open en dicht, zijn vingers klauwen in het gras en zijn gezicht krijgt een kleur die niemand ooit eerder bij hem heeft gezien.

Wilfried buigt zich over zijn vriend.

‘Ernest? Hé, jongen, het is niet meer om te lachen.’

De anderen staan er hulpeloos bij. Victor roept om Moemoe, die onmiddellijk alarm slaat en medische hulp laat komen. Plotseling is alle rumoer verdwenen. De kaarten liggen verspreid over de tafel, de glazen fruitbier staan onaangeroerd en uit de keuken klinkt nog altijd een operetteliedje.

Ernest wordt naar zijn kamer gebracht terwijl ze op verdere hulp wachten. Zijn ademhaling is moeizaam, maar hij is bij bewustzijn. Wilfried blijft dicht bij hem en probeert in zijn gezicht iets terug te vinden van de man die hem een halfuur geleden nog had uitgescholden voor alles wat lelijk was.

‘Je moet niet overdrijven, hé,’ fluistert hij. ‘Een spelletje kaarten is nu ook weer niet zo belangrijk.’

Ernest probeert te glimlachen. Het lukt niet.

‘Het is met mij gedaan,’ brengt hij moeizaam uit.

Wilfried schudt het hoofd.

‘Zeveraar. Je bent nog veel te lastig om dood te gaan.’

De stilte na het lachen

Tegen de avond is het weer rustig in het huis. De medische hulp is langs geweest en Ernest moet voorlopig in bed blijven, onder toezicht. De dokter heeft weinig geruststellende dingen gezegd, maar ook niets definitiefs. Dat is tegenwoordig de manier waarop dokters slecht nieuws brengen: ze laten een mens zelf uitzoeken hoeveel hoop er nog overblijft.

Victor zit alleen in de tuin en gooit steentjes tegen de regenton. Hij denkt aan zijn zoon, die ergens aan de andere kant van de wereld misschien ook op een dokter zit te wachten. Cynthia heeft haar lippen opnieuw gestift en zit zwijgend naar de rozen te kijken. Maurice verzamelt de speelkaarten, telt ze zorgvuldig na en ontdekt dat er twee ontbreken.

Wilfried trekt zich terug op zijn kamer. Hij poetst zijn oude medailles op, al weet hij zelf nauwelijks nog waarvoor hij ze gekregen heeft. Daarna bekijkt hij zijn gezicht in de spiegel. Zijn snor staat scheef, zijn nek is gerimpeld en zijn prothese doet vandaag bijzonder veel pijn.

Hij zou Ernest graag helpen, maar hij heeft geen idee hoe. Vroeger wist hij voor alles een oplossing. Een kapotte fiets herstellen, een lastige buurman op zijn plaats zetten, een vrouw versieren die eigenlijk niets van hem moest hebben. Nu staat hij met al zijn ervaring en levenswijsheid machteloos tegenover een hart dat niet meer behoorlijk wil meewerken.

Hij gaat naar de kamer van zijn vriend.

Ernest ligt met zijn ogen open in bed. Zijn gezicht is opgezwollen en zijn ademhaling klinkt zwaar. Boven hem hangt een groot kruisbeeld, een overblijfsel uit de tijd waarin men dacht dat een stervende vooral nood had aan godsdienst en niet aan een behoorlijke dokter.

‘Hier ben ik,’ zegt Wilfried.

Ernest reageert niet.

‘Je beste vriend. Je kameraad. De enige mens die het nog met je uithoudt.’

Hij schuift een stoel dichterbij en gaat zitten. Zijn beenprothese kraakt vervaarlijk.

‘Volgende week spelen we opnieuw onder de notenboom. Ik zal je eens laten winnen, maar je mag het tegen niemand vertellen.’

Ernest draait langzaam zijn hoofd. Zijn ogen blijven op Wilfried rusten, maar het is moeilijk te zeggen of hij alles begrijpt.

‘En Cynthia heeft beloofd dat ze binnenkort voor ons zal dansen. Zonder schort. Dat wil je toch niet missen?’

Een heel kleine beweging rond Ernests mond. Misschien een glimlach. Misschien verbeeldt Wilfried het zich.

Hij praat verder, over de nieuwe bewoner die geen verstand van muziek heeft, over Moemoe die dringend een vrijer nodig heeft en over de dienster van De Goede Hoek, die volgens hem nog altijd op zijn avances wacht. Hij doet het met een opgewektheid die hem steeds meer moeite kost.

Buiten waait het stevig. De radio heeft onweer voorspeld en mogelijk hoog water in de vaart. Normaal zouden ze samen naar de kade gaan, om te kijken of de golven over de rand slaan. Ernest zou klagen over zijn hart, Wilfried over zijn been, en uiteindelijk zouden ze toch weer aan het café belanden.

‘Weet je,’ zegt Wilfried na een tijdje, ‘ze mogen hier denken wat ze willen. We zijn misschien oud, maar we zijn nog niet klaar met leven.’

Hij houdt even op en bekijkt zijn vriend aandachtig.

‘En jij zeker niet, verdomme. Ik heb nog drie wafels van je te goed.’

Ernest sluit zijn ogen. Wilfried blijft nog even zitten, legt voorzichtig zijn hand op de arm van zijn vriend en staat dan moeizaam op.

‘Tot morgen, kameraad.’

Wanneer de deur achter hem dichtvalt, blijft Ernest roerloos liggen. Hij hoort in de verte het gerinkel van borden, een stem die om koffie vraagt en ergens iemand die een verschrikkelijk vals liedje zingt. De vertrouwde geluiden van een huis vol mensen die allemaal nog een beetje tijd proberen te winnen.

Hij trekt het hoofdkussen over zijn gezicht. Niet omdat hij wil sterven, maar omdat hij even niemand meer wil zien. Zelfs Wilfried niet, hoe graag hij die ouwe zeurpiet ook mag.

Onder het kussen komen eindelijk de tranen die hij de hele dag heeft tegengehouden. Hij huilt om zijn hart dat hem in de steek laat, om zijn kinderen die nooit schrijven en om alle dingen die hij nog had willen doen. Hij huilt ook omdat hij bang is en niet weet hoe hij dat tegen iemand moet zeggen.

Morgen zal hij zich wel weer groot houden. Dan kan hij opnieuw vloeken op Moemoe, valsspelen met de kaarten en Cynthia vragen of ze nog altijd verliefd op hem is.

Als er tenminste een morgen komt.

En mocht dat zo zijn, dan zal hij zich alvast één ding niet laten afpakken.

Het recht om lastig te zijn.

Vorig artikel

NIEUW! KOERSKLAP

- ONZE EXCLUSIEVE REEKS -spot_img

Abonneer je op ons Gratis Magazine en ontvang elke woensdag de beste info, tips en leuke acties in jouw mailbox

Leestips

Reizen naar de Albanese Rivièra

Albanië: een verborgen parel vol natuur en cultuur

Albanië, een onvergetelijke ervaring voor wie houdt van avontuur, cultuur en ongerepte natuur. Dit Balkanland, ingeklemd tussen Montenegro, Griekenland en de Adriatische en Ionische...

De kunst van koffiebranden

Lasagna-au-vent

spot_img
Rechtvaardige-Rechters retabel

11 april 1934 – De Rechtvaardige Rechters, het mysterie ontrafeld

In 1934 pleegde men een van de grootste kunstdiefstallen in de Belgische geschiedenis: de diefstal van "De Rechtvaardige Rechters", een paneel van het wereldberoemde...