In 1962 maakte ik, als bijna debuterend journalist, mijn eerste wereldkampioenschap op de weg in het Italiaanse Salo mee. Ik was door mijn toenmalige krant, de Antwerpse Volksgazet, daarop afgestuurd zonder dat iemand mij ingelicht had hoe dat door de persmensen moest aangepakt worden en aangepakt werd. Ik volgde de wedstrijd vanop de speciaal voor ons, reporters, voorziene tribune, maar zag daar vanzelfsprekend niks anders dan voorbijflitsende wielrenners en noteerde ijverig wat de speaker met dienst daarover te vertellen had, gelukkig ook in het Frans, want van het Italiaans verstond ik geen lettergreep.
Ik was er uiteraard getuige van dat, na een wel boeiende wedstrijd, de Fransman Jean Stablinski de regenboogtrui veroverde, waarna het er voor mij op aankwam een aantal deelnemers op te zoeken en hun oordeel over het gebeuren te vragen. In de gigantische overrompeling van net na de afloop vond ik er geen enkele, zodat ik voor het eerst (en ook voor het laatst) in mijn professioneel leven, interviews ging verzinnen. Ik slaagde er zelfs niet in een en ander te vragen aan collega-journalisten die ik intussen al wel had leren kennen, gezien ik achteraf in mijn hotelkamer moest gaan werken, gewoon omdat ik de perszaal niet vond of niet eens wist dat die bestond.
In een van mijn bijdragen bedacht ik enige commentaar van Jacques Anquetil, de absolute topper van het moment, die nu wel naast de titel gegrepen had (wat in de rest van zijn loopbaan altijd zou gebeuren), maar naar mijn mening blij zou zijn dat een van zijn eerste luitenanten, Jean Stablinski dus, het gehaald had. Het bleek achteraf helemaal anders te zijn, vermits hij oordeelde dat die mooie shirt hem toekwam en niet die maat, die er alleen maar bij reed om de absolute kopman naar de triomf te leiden.
Nu, in 2026 was ik niet ter plaatse, vanzelfsprekend gezien ik al 22 jaar met pensioen ben. In vergelijking met 1962 kon ik nu thuis en vanuit mijn zetel de wedstrijd op de televisie volgen, van kilometer een tot aan de finish en zelfs in de hoogste mate geboeid geraken door het verloop ervan. Ik ging bijna aan het juichen toen, na een uiterst spannende finale, ene Brandon McNulty het haalde, na een indrukwekkende solovlucht van 30 kilometer en ondanks het feit dat de achtervolgers op een bepaald moment nog maar tien seconden moesten goedmaken om hem te pakken te krijgen.
Toen hij juichend en wenend tegelijkertijd over de meet kwam, moest ik onmiddellijk terugdenken aan 1962, toen dus Jean Stablinski, een luitenant van Jacques Anquetil, het haalde, luitenant zijnde dezelfde graad waarin McNulty tot nog toe aantrad, onder de hoede, lees heerschappij van die ongenaakbare Tadej Pogacar. In tegenstelling tot zijn Franse voorganger van zovele decennia geleden, reed de Sloveen niet mee in deze titelstrijd, gezien hij zich zwaar blesseerde in de Ronde van Spanje van enkele weken geleden. Desondanks was hij op een bepaald moment toch zinnens om naar Canada te trekken, zij het dan als supporter van zijn geliefde vriendin, die voor de vrouwenkoers geselecteerd was, maar ook forfait moest verklaren na een zware valpartij. Dus kon de heerser van het moment niet gevraagd worden hoe hij het zal ervaren te strijden met, naast zich, een helper die als de topper van de wereld meerijdt of in elk geval in het shirt dat daarop wijst.
Ik ken uiteraard geen van beide coureurs persoonlijk, maar ik meen dat die ongewone situatie in niks hun functioneren zal afremmen. Als Pogacar zegt of denkt dat hij gaat winnen, dan rijdt hij van al de anderen weg, gelanceerd door het knappe werk dat de ploegmaats in de aanloop naar dat grote moment al afgeleverd hebben. En waaraan McNulty, regenboogtrui of niet, zeker en verder zal deelnemen.
Want op het podium in Montreal zag men wel dat het hier om een geschikte, bescheiden kerel gaat, die vindt dat hij vorige zondag het hoogtepunt van zijn carrière en van zijn leven bereikt heeft en voor de rest gewoon verder zal werken zoals hij dat altijd deed. Witte shirt met gekleurde strepen ten spijt.
















