een kortverhaal
Zoals ze daar nu zit — jong, dartel, een speels katje dat durft te klauwen — is Circanessa een lieve schat. Haar armbanden klingelen zacht rond haar dunne pols. Maar je mag niet te lang kijken, want dan betovert ze je met haar lach. De mond uitdagend een beetje open — dat weet ze nu al op haar leeftijd — en even flitst het wit van haar tanden. Elke dag twee keer poetsen met fluortandpasta, dat is het geheim.
Met het puntje van haar tong raakt ze net haar neus. Probeer het maar niet na te doen.
Je zou er een miljoen voor overhebben om te weten wat er in dat kleine hoofdje omgaat. Dat hoofdje dat je nu tussen je handen houdt, terwijl je overal fijne zoentjes plant die nog lang blijven nazinderen. Ze giechelt, dom gansje dat ze is, en lijkt alweer ergens anders te zijn. Haar vingers glijden loom door haar lange vlechten — traag, sierlijk, als een oude barones — en ze neemt gedachteloos de haarpunten in haar mond. Het volgende ogenblik is ze weer uitgelaten vrolijk, en de jongens van het blok fluiten naar haar. Zij mogen dat, want ze hoort bij hen. Dat typische buurtgevoel: wij tegen de rest. Ook al ben je uitschot, ook al kan je je handen niet thuishouden — wij horen samen.
Je zou met haar over zoveel willen praten. Maar naarmate haar boezem groeit, vergroot ook de afstand tussen jullie.
Ze draait de thermostaat wat hoger. Ze houdt van behaaglijke warmte. De kat spint zich op tot een bolletje aan haar voeten. Is haar verkoudheid al over? Ze zegt half verwijtend dat je niet zo overbezorgd moet zijn, maar in haar ogen flikkert toch een sprankeltje dankbaarheid. Haar bovenste knoopje is los, en je kijkt steels naar haar bruine huid. Je komt niet dichterbij, je gaat ook niet weg.
Dan stromen haar vriendinnetjes binnen — altijd samen, altijd luid. Altijd klaar om van Circanessa’s kennis te profiteren. Zij ziet verbanden tussen deelverzamelingen, spreekt vlot Frans en kent alle landen van de wereld met hun hoofdsteden uit het hoofd. Jongens hebben voor haar geen geheimen: ze praat gewoon met hen, rechtuit, zoals niemand anders dat durft. Een flapuit, en precies daarom zo geliefd in de klas.
Voor je het goed beseft, ben je druk in de weer met drankjes en hapjes. Je moet er zelf om lachen: niemand zal ooit kunnen zeggen dat je als gastheer tekortschiet. En toegegeven — al die frisse stemmetjes, dat ontluikende leven — het doet deugd nu Hélène er niet meer is.
Ach, Hélène… Je kwijlt bijna als je nog maar aan haar denkt. Zij was zo gek op dit huis. Een gewoon rijtjeshuis, uitkijkend op de vaart, volks en gemoedelijk, niets bijzonders. Ze heeft je moeten overtuigen, want jij had je oog op een boerderijtje laten vallen. Nu ben je haar dankbaar dat ze voet bij stuk hield. Je kent de buren nauwelijks, maar dat hoeft ook niet. Zij hun leven, jij het jouwe. Hier ben je thuis.
Na een Frans dictee grijpen de meisjes naar hun atlas. Tegen morgen moeten ze de economie van Zuid-Amerika uitpluizen — wie, wat, waar en waarom. Ook daar kan je Circanessa niets meer over leren, dat vroegrijpe juffertje. Ze leest voortdurend, zapt intussen door de eindeloze brij televisiekanalen en blijft aan alles een beetje hangen.
Ze lachen met Gabriëlla, het kleine, dikke Italiaanse brutaaltje. Ze raakt na tien passen buiten adem en dan deint haar indrukwekkende voorgevel ritmisch mee. Best aantrekkelijk— maar jij, als alleenstaande oudere man, hoort dat niet te zien.
‘Kan je helpen? Alsjeblieft?’ vraagt Circanessa.
Nu ze in het kader van de emancipatielessen moeten knutselen, moeten de meisjes voor de kerstvakantie een vogelhuisje timmeren.
Je ziet het aan haar gezicht: ze zou die verdomde krengen liever uit de lucht knallen.
Je stroopt je mouwen op — tegen die meiden kan je toch niets beginnen — en na een paar hamerslagen mep je keihard op je duim. Je schreeuwt het uit. De meisjes zijn er meteen bij om je te troosten. De duim wordt schoongeveegd, een pleister erover. Circanessa schenkt je koffie in. Je ziet het aan alles: ze komt uit een volk van dienaars.
Op zulke momenten wist Hélène altijd het juiste grapje te maken. Losjes, terloops, zo’n zinnetje waar je de volgende dag nog om moest lachen. Jij kent er geen. Je zit daar maar wat te grijnzen, je omwonden vinger hoog in de lucht als een relikwie.
Een hupse bossanova op tv is het sein voor een soort krijgersdans. Circanessa laat zich niet pramen. Ze doet de passen voor, tikt hier en daar op een nukkige bips. Gabriëlla houdt zich afzijdig. Ze snoept van het fruit dat jij voor jezelf had voorzien, maar haar glimlach ontwapent.
Je hoopt heimelijk dat de meisjes gauw vertrekken, want je bent moe. Je zit half verscholen te geeuwen, en dat werkt aanstekelijk. Een voor een stoppen ze met dansen en grabbelen nog een hand snoep uit de bokaal. Circanessa ploft op de sofa, haar benen nonchalant over de leuning. Als een wellustige Cleopatra die smachtend op Caesar wacht.
Dat beeld snijdt door je heen. Hélène heeft die sofa nog gekocht: echt leer dat onder je billen kraakt. Een flits in je hoofd — haar kanten beha, de jarretelles, het donkerbruin glanzende leer tegen haar zwetende huid. En hoe ze was als ze een glaasje op had.
De meisjes vertrekken in groep. Eén voor één geven ze Circanessa zo’n vluchtig klapzoentje, onbezorgd zoals alleen jonge meisjes dat kunnen. Je zou kunnen huilen om hun onschuld.
Gabriëlla bedankt je vriendelijk voor de ontvangst. Ze zal ooit wel een geschikte knul vinden — ze kijkt uit haar doppen. Voor nu speelt ze nog met make-up op zolder met haar vriendinnen. Jongens interesseren haar niet, zegt ze. Maar als de ware Jacob komt, zal hij een goede partij aan haar hebben. Ze is het bemoederende type, waarschijnlijk een engel in bed. En met haar royale boezem — als dat je ding is — zit je bij haar gebeiteld.
Circanessa bakt je een eitje. Je ziet hoe ze met een korst brood een stukje eierschaal uit het eiwit vist. Jij wil er ketchup bij en een likje mayonaise. Ze kijkt afkeurend. Al die cholesterol, foei! Maar je eet tenminste met smaak.
Er is nog wat koffie over. Pittig spul — Circanessa heeft temperament. Jullie zitten breeduit voor de buis, wachtend op de film die ze niet wil missen. Ze doet alsof het een leerrijke prent is, maar jij hebt de Humo gelezen: sensueel en broeierig. Ach, denk je, eens moet ze het leven leren kennen. En eerlijk: je bent zelf ook nieuwsgierig.
De vermoeidheid sluipt in je lijf. Televisie doet dat altijd met je. Af en toe gluur je tussen je wimpers naar Circanessa, tot je wegdommelt. Een luidruchtige reclame doet je opschrikken, maar ze tikt geruststellend op je dij. Alles goed.
Echt slapen doe je niet. Je hoofd zit te vol. Wat zou Hélène nu doen? Waarom was je bloed altijd zo heet, dat eeuwige geflirt?
De film valt tegen. Circanessa zapt verveeld, lurkt aan haar chocomelk, tot de laatste druppel. Ze schilt een sinaasappel en spuugt de pitjes achteloos op de grond. Je lacht. Je deed vroeger hetzelfde — Hélène werd er gek van.
Vroeger. Wat haat je dat woord. Alsof je al een oude man bent. Vroeger had je zelden fruit in huis. Hélène was meer van het snoepen. Maar na een handvol chips stond ze al op de weegschaal, en elke gram liep ze er af langs het kanaal.
Circanessa geeft je een vrolijke nachtzoen. Voor het vuur kleedt ze zich ongegeneerd uit en trekt haar warme nachtkleed aan. Je kijkt niet — dat zou te voyeuristisch zijn. Toch steekt het: ze vindt je blijkbaar ongevaarlijk.
‘Goeienacht,’ zeg je, of denk je dat je zegt. Wat rest je anders dan wat te mijmeren bij een stevig glas cognac? Daar ben je goed in. Gelukkig liggen er genoeg dikke boeken. Metafysica. Inleiding tot de wijsbegeerte. Zulke dingen, zolang ze je maar laten nadenken. Zo hoef je niet te piekeren. De meeste boeken zitten vol kreuken: Circanessa leest alles, zelfs de cornflakesverpakking bij het ontbijt.
In je bureaulade ligt een handboek over het seksueel leven van de mens. Sinds kort met ezelsoren. Waarschijnlijk leent Circanessa het uit aan haar vriendinnen — zo solidair zijn ze. Je hoort haar soms praten over jongens. Bestond er onder mannen ook maar zo’n vanzelfsprekende vertrouwelijkheid. Alles vertellen die meisjes elkaar. Jij weet beter: bij mannen is dat onmogelijk.
Te veel cognac maakt je maag van streek. Ook van Circanessa’s pittige koffie krijg je last.
Op dit uur liep Hélène altijd haar rondjes. Nee — niet weer Hélène. Die eeuwige gedachten moeten stoppen. Je besluit jezelf te straffen. Het duurt even voor je je joggingspak vindt, maar je houdt vol. Daar is het, beduimeld, wat strak geworden.
De koude regen slaat in je gezicht. Je trilt, je voelt de haartjes op je armen verstijven. Het kanaalwater komt van zee — altijd wat kouder. Nu je bezig bent, kun je niet meer terug. De eerste honderd meter spurt je, tot een steek in je zij je dwingt rustiger te doen. Je stapt hijgend verder. Bij de telefooncel geef je op, ploft neer op de bank. Je achterwerk wordt nat, maar dat deert je niet. Je longen piepen als een oude trekzak.
In de verte nadert een fietser. De ketting schuurt tegen de beschermplaat — dat herken je, dat maakt het vertrouwd. Je recht je rug, wil er kwiek uitzien, knikt bij het passeren. Pas voorbij de bocht stort je bijna in, maar dat hoeft niemand te weten.
Een glimlach glijdt over je lippen. Je wandelt langs het speelplein en moet aan Circanessa denken. Hier bracht je uren met haar door. Hélène kwam nooit mee; te veel kinderen. Na haar baarmoederoperatie kon ze de aanblik van andermans kroost niet verdragen. En nu besef je: ze heeft Circanessa nooit echt gewild. Jullie beslisten samen, maar toen je op de vlieghaven dat kleine glimmende wezentje in je armen kreeg, zag je al haar aarzeling.
Gek hoe jij je aan Circanessa bent gaan hechten. Je herinnert je nog hoe je bij de ambtenaar van de burgerlijke stand struikelde over haar naam. Je wilde koste wat kost dat ze Circanessa zou heten. Je had het op haar dekentje gelezen en dacht dat het de naam was die haar moeder haar had gegeven.
Circanessa. Je dacht dat het iets als ‘kind van de goden’ betekende, tot Hélène je fijntjes wees dat het gewoon de merknaam van het dekentje was. Je zonk door de grond van schaamte, maar de ambtenaar schreef het klakkeloos op.
Bij een boom haal je diep adem. Zen, denk je. Alles is licht, alles is lucht. Je mompelt het, steeds luider, tot je schreeuwt. Je longen branden. Alles is licht, alles is lucht — het betekent niets, maar het klinkt als troost. De grens tussen woorden en gedachten vervaagt, tot alles om je heen één onontwarbaar kluwen wordt.
Dan keer je terug. Morgen is er weer een dag. Met opeengeklemde tanden strompel je over de weg, zwaaiend met je armen tegen de kou. Maar wat is dat geluid daar, diep in de tuin, tussen de bomen?
Je klimt over het hek, vervloekt de takken die kraken onder je voeten, verwacht elk moment een inbreker te zien vluchten met je brandkast. Tussen de struiken tast je naar een tak, stevig in je hand.
Maar het is vals alarm. In het zachte ruisen van de regen, onder de scheve berk, danst Circanessa met gesloten ogen. Een trage, warme regendans in het duister van een nieuwe nacht.















