Er zijn van die momenten waarop je plots beseft dat je officieel tot een andere generatie behoort. Niet omdat iemand je leeftijd vraagt, niet omdat je knieën na een lange autorit eerst overleg plegen voor ze weer willen functioneren, maar omdat een jongere je telefoon uit je handen neemt, drie keer tikt en binnen acht seconden een probleem oplost waarmee jij al een kwartier in een gewapend conflict verwikkeld was. Daarna krijg je het toestel terug met een vriendelijk: “Voilà.” Dat woord klinkt op zo’n moment verdacht triomfantelijk.
Ik maak daar geen probleem van. Integendeel, ik vind jongeren meestal bijzonder aangenaam gezelschap en kijk met plezier naar de vanzelfsprekendheid waarmee ze door een wereld bewegen die voor een groot deel digitaal is geworden. Ze bestellen een treinbiljet terwijl ze een bericht beantwoorden, luisteren naar muziek die nergens zichtbaar uit komt, zoeken een route, betalen een koffie en sturen ondertussen een foto naar iemand in Portugal. Ik ben al tevreden wanneer ik na dat alles nog weet waar ik mijn zonnebril heb gelegd, terwijl die niet zelden gewoon thuis ligt.
Toch betrap ik jonge mensen soms op een heel aandoenlijk misverstand: ze denken nu en dan dat zij het warme water hebben uitgevonden. Niet allemaal natuurlijk, en wij deden vroeger precies hetzelfde. Op je twintigste heeft de geschiedenis nu eenmaal de vervelende eigenschap grotendeels vóór je geboorte te hebben plaatsgevonden, waardoor je gemakkelijk denkt dat de interessante ontwikkelingen pas begonnen toen jij er persoonlijk bij was.
Dat merk ik bijvoorbeeld wanneer het over technologie gaat. Een jongere toont mij enthousiast een nieuwe toepassing waarmee je in een paar seconden iets kunt opzoeken, wijzigen of delen en verwacht enige verbazing. Die krijgt hij ook, want ik blijf nieuwsgierig naar nieuwe dingen, maar ergens achter in mijn hoofd zit tegelijk een mannetje een indrukwekkende inventaris te maken van alle technische wonderen die ik inmiddels alweer heb zien verdwijnen. De typemachine, telex, fax, floppy disk, videorecorder, cassettebandje, cd-rom, modem, semafoon en waarschijnlijk nog vijftien dingen waarvan jonge lezers nu denken dat ik ze ter plekke verzin.
Ik heb zelfs nog meegemaakt dat een telefoon gewoon een telefoon was. Hij stond in huis, vaak op een vaste plek, en wanneer je buiten was, kon niemand je bereiken. Dat was geen storing. Dat was het systeem. Mensen maakten een afspraak met de woorden “om zeven uur aan het station” en vervolgens gebeurde er iets wat vandaag grenst aan sciencefiction: iedereen probeerde om zeven uur aan het station te staan.
Geen live locatie. Geen berichtje om 18.57 uur dat je “bijna daar” bent terwijl je op dat ogenblik nog je schoenen zoekt. Geen groepschat met zeventien berichten waarin uiteindelijk niemand meer weet aan welke ingang precies werd afgesproken. Wie er niet was, was er niet, en daar moest de mensheid mee leren leven. Wonder boven wonder zijn complete beschavingen overeind gebleven.
Dat soort verhalen vertel ik graag aan jongeren, maar nooit met de bedoeling hen duidelijk te maken dat vroeger alles beter was. Dat was het namelijk helemaal niet. Wie beweert dat vroeger alles beter was, heeft vermoedelijk selectieve opslag in zijn geheugen. Ik herinner mij ook lange wachtrijen, kaarten die je nooit meer deftig opgeplooid kreeg, foto’s die pas na ontwikkeling bewezen dat je met je duim voor de lens had gestaan, en televisieavonden waarop je de keuze had uit een paar zenders en het programma dat je wilde zien net door voetbal werd vervangen.
Het grappigste vind ik dat elke generatie zichzelf modern vindt en haar voorgangers een beetje achterhaald. Wij deden dat met onze ouders. Hun muziek was oud, hun ideeën behoorden volgens ons in een museum en hun kleren konden onmogelijk ooit hip zijn geweest, terwijl ik vandaag op straat jongeren zie rondlopen in mode waarvan ik foto’s bezit die bewijzen dat wij precies hetzelfde al eens hebben geprobeerd. Alleen heette het toen geen vintage en kostte het vermoedelijk minder.
Ook taal is een uitstekend terrein voor vreedzame generatieoorlogen. Jongeren gebruiken woorden als cringe, ghosten, random en rizz met een gemak waarbij ik soms eerst uit de context moet afleiden of er sprake is van een compliment, een belediging of een huidziekte. Maar laat ons niet te snel lachen. Wij hebben onze ouders ook bestookt met woorden waarvan zij de noodzaak niet inzagen, en onze grootouders moeten ongetwijfeld geregeld hebben gedacht dat Nederlands stilaan op sterven na dood was.
Een gesprek tussen generaties wordt daarom soms een kleine archeologische opgraving. Ik gebruik een woord dat voor mij volkomen gewoon is en zie aan de andere kant van de tafel een korte vertraging optreden. Daarna volgt voorzichtig: “Wat bedoel je daarmee?” Op zulke momenten besef ik dat taal niet alleen verandert, maar dat woorden verdwijnen terwijl je ze zelf nog gewoon gebruikt, wat ongeveer hetzelfde gevoel geeft als ontdekken dat een café waar je vorige week dacht nog eens binnen te gaan al twaalf jaar gesloten is.
En toen kwam de banaan.
Ik stond enkele tijd geleden in de keuken met een jongere die iets op zijn smartphone wilde regelen. Geen ingewikkelde operatie, dacht ik, maar dat was voorbarig. Eerst bleek het wachtwoord fout. Daarna moest er een tweede wachtwoord worden ingevoerd, vervolgens kwam er een verificatiecode die naar een ander toestel was gestuurd en tenslotte wilde een toepassing weten of hij werkelijk degene was die hij vijf seconden eerder ook al beweerde te zijn.
Terwijl dat hele digitale grensonderzoek bezig was, zag ik een banaan op tafel. Ik nam die banaan, pelde ze en at ze op. Geen pincode, geen account, geen gebruikersnaam, geen vingerafdruk, geen tweestapsverificatie. Op dat ogenblik dacht ik: kijk, hier ligt de laatste technologie die nog zonder wachtwoord werkt. Gewoon een banaan, niet online besteld maar in de winkel gekocht, met cash geld.
Mijn jonge gezelschap keek even op en zei droog: “Tot ze daar ook een abonnement voor uitvinden.”
Daar moest ik hard om lachen, want precies op dat moment waren we geen oudere en jongere meer. We waren twee mensen die allebei een beetje gek werden van drie wachtwoorden en een systeem dat ons voortdurend wilde beschermen tegen onszelf. En daar lag meteen de titel van dit stuk klaar: een banaan, drie wachtwoorden en het einde van de beschaving.
Dat einde van de beschaving zal trouwens wel meevallen. Tien minuten later is het account geopend, de banaan verdwenen uit ons leven en hebben we het alweer over iets totaal anders. Zo gaat dat meestal met grote generatieverschillen: van dichtbij blijken ze vaak kleiner dan vanop afstand.
We maken het onszelf soms ook nodeloos moeilijk door mensen in dozen te stoppen. Boomagers, millennials, Gen Z, generatie Alpha en wie weet welke letter het alfabet binnenkort nog moet afstaan. Het zijn handige termen wanneer je onderzoek doet, maar in het dagelijks leven zeggen ze verrassend weinig over degene die tegenover je zit. Ik ken twintigers die liever een boek lezen dan een filmpje bekijken en zestigers die hun halve dag op sociale media doorbrengen. Ik ken jongeren die graag naar oude soulmuziek luisteren en ouderen die de nieuwste technologische snufjes sneller hebben dan hun kinderen.
Een leeftijd vertelt iets, maar nooit alles. Een mens van twintig kan een ongelofelijke ouwe zeur zijn en iemand van tachtig kan nog steeds met open mond naar de wereld kijken. Nieuwsgierigheid heeft geen geboortedatum en bekrompenheid helaas evenmin.
Wat mij bij jongeren vooral aantrekt, is dat zij veel dingen nog voor zich hebben. Er zijn nog eerste banen, eerste woningen, nieuwe liefdes, reizen, mislukkingen, wilde plannen en wegen waarvan ze nog niet weten waar ze uitkomen. Dat geeft gesprekken een energie die ik graag voel. Tegelijk heb ik geen behoefte om mij jonger voor te doen dan ik ben. Dat zou bovendien lastig worden, want mijn geboortejaar weigert mee te werken.
Ik hoop dat het omgekeerde ook bestaat: dat jongeren graag met oudere mensen omgaan zonder meteen te denken dat daar noodzakelijk wijze levenslessen uit moeten volgen. Wij zijn tenslotte niet allemaal wandelende encyclopedieën met een pensioenkaart. Soms vertellen we ook gewoon onzin. Ervaring betekent vooral dat je meer tijd hebt gehad om fouten te maken en achteraf een goed verhaal te verzinnen over waarom ze eigenlijk leerzaam waren.
Toch hebben ouderen iets te bieden wat je niet kunt downloaden. Niet de waarheid, want die bezit niemand, maar perspectief. Wij weten dat een crisis die vandaag alles lijkt te bepalen over een paar jaar soms amper nog wordt genoemd. We hebben meegemaakt dat beroepen verdwenen, zekerheden veranderden, relaties begonnen en eindigden, mensen kwamen en gingen. We weten ook dat sommige zorgen die ons ooit wakker hielden uiteindelijk verbazend klein zijn geworden.
Jongeren hebben dan weer iets waar ouderen zich best af en toe door laten besmetten: de overtuiging dat dingen anders kunnen. Wie lang genoeg leeft, raakt gemakkelijk gewend aan wat er nu eenmaal is. Dan komt iemand van vijfentwintig binnen die vraagt waarom iets eigenlijk zo moet, en merk je dat niemand daar nog een behoorlijk antwoord op heeft behalve: “Dat doen we altijd zo.” Dat is zelden een geweldige reden.
Daarom heb ik weinig met de eeuwige strijd tussen jong en oud. We hebben elkaar nodig, al was het maar omdat geen enkele generatie tegelijk verleden, heden en toekomst kan zijn. De ene brengt herinneringen mee, de andere mogelijkheden, en ergens in het midden wordt de koffie koud omdat we te druk aan het praten zijn.
Bovendien verschillen de werkelijk belangrijke dingen veel minder dan we graag denken. Een jongen die wacht op een bericht van iemand op wie hij verliefd is, kent dezelfde onrust die wij ooit voelden terwijl we hoopten dat de telefoon zou rinkelen. Het toestel is veranderd, het wachten niet. Een meisje dat voor het eerst haar hart gebroken ziet, heeft niets aan het feit dat haar generatie sneller internet heeft dan de onze ooit had.
Verdriet heeft geen update gekregen. Vreugde evenmin. De eerste kus blijft de eerste kus, een vader blijft trots wanneer zijn kind iets bereikt, een vriend die je teleurstelt kan pijn doen en iemand die onverwacht aan je denkt kan een hele dag goedmaken. Je kunt daar emoji’s bij zetten, een kaartje sturen of helemaal niets zeggen; onder de verpakking zit nog altijd ongeveer dezelfde mens.
Misschien moeten we elkaar daarom wat minder uitleggen tot welke generatie we behoren en wat vaker vragen wie we eigenlijk zijn. Niet meteen denken dat een jongere oppervlakkig is omdat hij voortdurend naar een scherm kijkt, en evenmin aannemen dat iemand ouder dan zestig ergens in 1987 intellectueel is stilgevallen. Er zit aan beide kanten veel meer verhaal dan een geboortedatum laat vermoeden.
Ik vind het in elk geval heerlijk wanneer zo’n gesprek lukt. Een jongere leert mij iets waarvan ik niet wist dat ik het nodig had, ik vertel een verhaal over een wereld die hij nooit heeft gekend, vervolgens lachen we allebei om iets volkomen onnozels en een uur later weet niemand nog wie hier eigenlijk van wie iets moest leren. Dat zijn voor mij de beste ontmoetingen.
En mocht de beschaving toch ooit ten onder gaan, dan hoop ik dat jong en oud op dat beslissende moment samen aan tafel zitten. De jongeren mogen uitzoeken waarom het wifi-netwerk niet meer werkt, wij zoeken ondertussen in een lade naar een oude kabel die we al twintig jaar bewaren en waarvan iedereen altijd heeft gezegd dat hij weg mocht. Daarna verdelen we de laatste banaan.
Zonder wachtwoord.
















