In ons door de eega gezellig gemaakt appartement, heb ik twee echt persoonlijke plaatsen. Of zeg maar plaatsjes. Het eerste heeft een oppervlakte van één vierkant meter, het tweede van vijftig centimeter, anderhalve meter in totaal dus. Het grootste, zijnde mijn bureautje, situeert zich helemaal vooraan in de living, achter het raam dat uitzicht geeft op de straat. Het andere staat veel dieper in de flat, in de slaapkamer en naast het bed, zoals dat hoort voor wat een nachtkastje genoemd wordt.
Achter die kleine schrijftafel, waarop net genoeg plaats is voor alles wat ik nodig heb om mijn cursiefjes en mijn boeken te schrijven, breng ik elke voormiddag ongeveer een tweetal uurtjes door. Op het geciteerde nachtkastje ligt gewoon alles wat een mens nodig heeft als hij al wakker wordt. Dat wil zeggen de onmisbare bril, een zakdoek, een glaasje water en nog wat kleine spullen. Zowel op het ene als op het andere meubel prijken een aantal foto’s, die daar ook op een gepaste manier geplaatst werden door de vrouw des huizes. Zo voel ik mij elke ochtend, bij het wakker worden, nog steeds en sterk verbonden met mijn oudste en mijn jongste zus, en vooral met mijn zoon. Alle drie zijn ze al overleden, de twee dames aan een slopende kwaal en de nakomeling aan wat vele mensen nog altijd niet als een ziekte kunnen of willen aanvaarden, zijnde alcoholisme. De fotootjes staan, op het nachtkastje dus, naast mekaar, afgedrukt op de kaartjes die mij steeds weer het gevoel geven dat ze nog steeds bij ons zijn. Zoals ze mij elke avond, bij het uitdoven van het licht, voor even aan doen denken dat ze morgen, samen met hun vader, wakker zullen worden.
Het komt allemaal als vrij triestig over, maar dat is het niet, of niet helemaal, vermits ik er telkens weer het gevoel aan overhoud dat die fijne, lieve mensen nog altijd ergens bestaan, wat natuurlijk alleen maar in mijn verbeelding en met mijn gevoelens kan zijn.
Heel anders is het gesteld op die iets grotere, strikt persoonlijke plaats in huis, mijn bureau(tje) dus. Daarop heeft de handige echtgenote twee foto’s, stevig met mekaar verbonden, neergepoot. Op de ene, de linkse, staan de twee jonge meiden, die ik tot mijn grote fierheid als mijn kleindochters mag beschouwen, hoewel ze dat volgens de natuur niet zijn. Op het beeld daarnaast zie je hun omi glimlachen, niet naar mij of naar iemand anders, wel met de ogen naar beneden gericht, blijkbaar genietend van wat op het moment van ‘de klik’ door haar hoofd ging en waarschijnlijk iets moois was, iets dat onder ons vieren al eens meer gebeurt.
De jongedames, die hun kinderjaren zo goed als bij de grootouders doorgebracht hebben, voelen zich blijkbaar nog altijd sterk verbonden met de ‘omi’ en de ‘opi’, wat het dus niet verrassend maakt als ik zeg dat zij nog altijd een grote stimulans in mijn leven-van-vele-jaren betekenen. Och, ze hebben natuurlijk, ijverige studenten als ze zijn, niet altijd de tijd meer om zich met ‘de oudjes’ bezig te houden, maar als ze dan toch nog eens aanrukken, gebeurt dat met een stralende vrolijkheid en een deugddoend medeleven. Ik heb mezelf verplicht op zijn minst hier te blijven tot de jonge dames in hun leven echt bereikt hebben wat ze willen bereiken, zelfs al gebeurt dat als ik al op tram negen zit. En dat zal ook lukken, omdat de tien jaar jongere eega eveneens een en ander aanbrengt om mij te stimuleren. Met daarbij ook een kritische kijk op ons samenzijn, die mij altijd weer aanzet om beter te doen, wat niet alleen de energie vergt die een mens jong houdt, maar ook de kracht geeft om te strijden tegen dat monster met de sikkel, dat achter elke hoek op elke mens staat te wachten.
















