Er zijn van die momenten waarop je beseft dat de toekomst niet met trompetgeschal binnenkomt, maar gewoon in je broekzak zit te trillen.
Bij mij gebeurde dat in de supermarkt, voor het rek met yoghurt. Dat is op zich al een plek waar een mens makkelijk aan zichzelf begint te twijfelen. Vroeger had je yoghurt. Nu heb je natuuryoghurt, Griekse yoghurt, Bulgaarse yoghurt, yoghurt met levende fermenten, yoghurt zonder schuldgevoel, yoghurt met minder suiker, yoghurt met meer karakter, yoghurt voor mensen die duidelijk meer controle over hun leven hebben dan ik.
Ik stond daar dus met een boodschappenlijstje in mijn hoofd dat al bij binnenkomst half was ingestort. Ergens tussen de bananen en de diepvrieserwtjes was ik vergeten waarvoor ik precies gekomen was. Op dat moment trilde mijn smartphone.
“Vergeet de yoghurt niet.” Mijn vrouw, wie anders.
Ik keek naar het scherm. Daarna naar de yoghurt. Daarna opnieuw naar het scherm. En toen besefte ik iets wat mij sindsdien niet meer heeft losgelaten: mijn smartphone wist op dat ogenblik beter wat ik moest doen dan ikzelf.
Dat toestel weet trouwens opvallend veel. Het weet waar ik ben. Het weet waar mijn auto staat, wat op sommige parkings geen luxe is maar een vorm van reddingswerk. Het weet hoeveel stappen ik gezet heb, hoeveel kilometer ik gefietst heb, welke foto’s ik vorige zomer nam en dat ik vorige week drie keer naar “symptomen vermoeidheid na 50” heb gezocht, waarna het mij prompt reclame begon te tonen voor magnesium, wandelschoenen en matrassen die beloven mijn leven te veranderen.
Een mens begint zich dan toch vragen te stellen.
Vroeger had je een telefoon om te bellen. Punt. Dat toestel stond in de gang op een kastje. Je nam op wanneer het rinkelde en iedereen in huis kon meeluisteren. Privacy bestond uit zacht praten en hopen dat niemand toevallig naast je stond. Vandaag hebben we een klein toestel dat onze agenda beheert, onze bankrekening opent, onze gezondheid meet, onze route uitstippelt, ons weerbericht voorspelt, onze herinneringen bewaart en ons tegelijk waarschuwt voor phishing, oplichters, verdachte links, te weinig beweging en te veel schermtijd.
Kortom: mijn smartphone is niet langer een telefoon. Het is een zakformaat schoonmoeder met gps.
Het begon nochtans onschuldig. Eerst was er de gsm. Een baksteen met toetsen. Je kon ermee bellen, en wie heel ambitieus was stuurde een sms waarvoor je drie keer op dezelfde toets moest drukken om de juiste letter te krijgen. Wie toen “tot straks” wilde typen, had al bijna een polsblessure. Toch waren we trots. We liepen rond met dat toestel aan onze broeksriem, wat achteraf bekeken een van de minder elegante periodes uit de modegeschiedenis was.
Daarna kwam de smartphone. Eerst dachten we: handig, daar kun je ook mails op lezen. Vervolgens kwamen WhatsApp, Facebook, online bankieren, itsme, QR-codes, digitale tickets, gezondheidsapps, stappentellers, fotobibliotheken, wachtwoordmanagers, streamingdiensten, navigatieapps en natuurlijk ChatGPT. Vandaag kun je met je smartphone een reis boeken, een restaurant vinden, een route plannen, een boek bestellen, een dokter contacteren, je belastingaangifte bekijken en een ruzie beginnen in een familiechat over wie de kerststronk meebrengt.
Dat laatste blijft voorlopig de gevaarlijkste toepassing.
Voor actieve vijftigplussers is dat allemaal tegelijk fantastisch en vermoeiend. Wij zijn de generatie die nog weet hoe een telefoon met draaischijf werkte, maar nu zonder verpinken een QR-code scant om de menukaart te bekijken. Wij hebben nog cheques geschreven, bankuittreksels in kaften gestoken en naar Teletekst gekeken voor de voetbaluitslagen. Nu betalen we contactloos, sturen we foto’s naar kleinkinderen in drie seconden en vragen we aan Google Maps waarom we alweer langs een industrieterrein worden gestuurd terwijl er volgens ons vroeger gewoon een rechte weg was.
Het merkwaardige is dat men vaak doet alsof — nee, dat woord schrappen we met onmiddellijke ingang uit het Boomager-woordenboek —correctie dus, het merkwaardige is dat men vaak doet uitschijnen dat vijftigplussers technologisch hopeloos achterlopen. Dat klopt niet. Wij hebben ons hele leven niets anders gedaan dan aanpassen. Wij gingen van zwart-wittelevisie via een reeks tussenstappen naar Netflix, van typemachine naar laptop, van telefooncel naar videobellen, van encyclopedie naar Wikipedia, van postkaart naar emoji met zonnebril.
Wie dat allemaal heeft overleefd, mag gerust eens vloeken op een printer.
Printers zijn trouwens de enige toestellen die in de evolutie zijn blijven hangen. Je kunt vandaag een kunstmatige intelligentie vragen om in vijf seconden een gedicht te schrijven over een melancholische paling in een Gentse gracht, maar een printer weigert nog altijd dienst omdat er ergens in een geheim compartiment een papiertje dwarsligt. De printer is de ezel van de digitale wereld. Hij kijkt je niet aan, maar je voelt zijn minachting.
En dan zijn er de wachtwoorden.
Ooit had een mens één sleutelbos. Dat was overzichtelijk. Je had een sleutel van de voordeur, de achterdeur, de fiets en misschien nog een schuurtje waarvan niemand meer wist wat erin stond. Vandaag heeft elke website een wachtwoord nodig. Niet zomaar een wachtwoord, maar een sterke combinatie van hoofdletters, kleine letters, cijfers, leestekens, kosmische straling en een symbool dat je alleen vindt wanneer je per ongeluk op drie toetsen tegelijk drukt.
Je maakt dus een wachtwoord aan. Je vergeet het. Je vraagt een nieuw wachtwoord aan. Je mag je oude wachtwoord niet opnieuw gebruiken. Je verzint iets nieuws. Het systeem vindt het te zwak. Je voegt een uitroepteken toe. Nog te zwak. Je voegt de naam van je eerste huisdier toe, maar die is ondertussen ook al gebruikt voor je klantenkaart van de doe-het-zelfzaak. Na twintig minuten heb je eindelijk een wachtwoord dat niemand kan raden, inclusief jijzelf.
Daarom hebben we nu wachtwoordmanagers. Een prachtig idee: één programma onthoudt al je wachtwoorden. Tot je het wachtwoord van je wachtwoordmanager vergeet. Dan sta je voor de digitale hemelpoort zonder sleutel, zonder engelenkoor en met een klantenservice die je vraagt om je identiteit te bewijzen via een e-mailadres waar je niet meer in raakt.
Intussen zegt je kleinkind: “Je moet gewoon Face ID gebruiken.”
Gewoon. Dat woord komt vaak terug bij kinderen en technologie. “Je moet gewoon swipen.” “Je moet gewoon synchroniseren.” “Je moet gewoon je account herstellen.” Ze zeggen dat woord “gewoon” met de rust van mensen die geboren zijn met vingers die automatisch weten waar en wat ze moeten tikken. Wij tikken ook, maar soms gebeurt er dan iets heel anders. Je wil een foto vergroten en plots heb je je nicht in Canada gebeld. Je wil een bericht verwijderen en opeens staat er een hartje onder een rouwbericht van drie jaar geleden. Je wil één video bekijken en een uur later weet je alles over een man in Finland die miniatuurhuisjes bouwt voor eekhoorns.
Het internet is een moeras met goede wifi. Toch geef ik toe: ik zou mijn smartphone niet meer willen missen. Dat is misschien het gekste van alles. We klagen erover, maar we houden hem voortdurend bij ons. We leggen hem naast ons bord, naast ons bed, naast de zetel, soms zelfs in de badkamer, wat beschavingstechnisch gezien toch een stap achteruit is. We zeggen dat we minder schermtijd willen, terwijl we onze schermtijd controleren op een scherm.
En dan is er ChatGPT. Big Brother himself. Ik weet nog dat ik voor het eerst aan ChatGPT vroeg om iets uit te leggen. Binnen enkele seconden kreeg ik een antwoord dat beleefd, gestructureerd en geduldig was. Dat laatste is niet onbelangrijk. Kunstmatige intelligentie zucht niet wanneer je dezelfde vraag opnieuw stelt. Ze rolt niet met de ogen. Ze zegt niet: “Dat heb ik gisteren ook al uitgelegd.” Ze begint gewoon opnieuw. Voor veel boomagers is dat een zegen. Je kunt vragen stellen over online bankieren, smartphoneproblemen, digitale veiligheid, reizen, gezond ouder worden, afvallen na 50, wandelen, fietsen, pensioen, apps, foto’s bewaren, phishing herkennen en de zin van het bestaan op een regenachtige dinsdag.
Alleen moet je blijven opletten. ChatGPT klinkt soms zo overtuigend dat je bijna vergeet dat je zelf nog moet nadenken. Dat is trouwens ook een nuttige les voor menselijke experts, politici, influencers en mensen die op café beginnen met: “Ik heb daar eens iets over gelezen.”
Misschien is dat wel de echte digitale vaardigheid van deze tijd: niet alles weten, maar weten wanneer je moet twijfelen.
Mijn smartphone geeft mij bijvoorbeeld gezondheidsinformatie. Hij telt mijn stappen. Hij meldt dat ik gisteren minder actief was dan gewoonlijk. Dat klopt, maar hij weet niet dat ik gisteren drie uur met administratie bezig was en daarna moreel uitgeput op de zetel belandde met een kop koffie en een stapel koeken waarvan ik mij had voorgenomen er maar één te eten. Een stappenteller registreert beweging, maar geen innerlijke strijd. Hij weet niets over de heldhaftigheid waarmee een mens de tweede koek tien minuten lang weerstaat.
Daar zouden ze eens een app voor moeten maken. Een app die zegt: “Proficiat, je hebt net niet naar de koelkast gewandeld. Dat telt ook.”
Technologie meet veel, maar niet alles. Ze meet hartslag, slaap, calorieën, afstand en schermtijd. Ze meet niet de opluchting wanneer je eindelijk je bril terugvindt. Ze meet niet de tevredenheid van een wandeling waarbij je onderweg drie mensen groet, een hond aait en besluit dat de wereld toch nog niet helemaal verloren is. Ze meet niet het plezier van een boek dat je op tijd dichtklapt omdat je eigenlijk naar bed moest, maar toch nog één hoofdstuk leest. Ze meet niet de vreugde van een kleinkind dat je leert hoe je een foto doorstuurt en daarna zegt: “Goed gedaan.”
Dat zijn geen data. Dat is leven.
En toch kan technologie dat leven gemakkelijker maken. Voor boomagers is de digitale wereld geen vijand. Ze is soms lastig, soms opdringerig, soms belachelijk ingewikkeld, maar ook nuttig, grappig en bevrijdend. Dankzij technologie kun je contact houden met mensen die ver weg wonen. Je kunt nieuwe hobby’s ontdekken. Je kunt leren fotograferen, talen oefenen, wandelroutes zoeken, fietsknooppunten plannen, reizen vergelijken, boeken bestellen, muziek herontdekken, cursussen volgen, recepten vinden en zelfs een oude jeugdliefde opsporen, al is dat laatste niet altijd verstandig en verdient het een apart artikel met juridische bijstand.
Misschien moeten we stoppen met doen alsof — verdorie, daar is het weer, dit woord moet echt onder toezicht — misschien moeten we stoppen met de gedachte dat technologie alleen iets voor jongeren is. Jongeren gebruiken technologie sneller. Dat is waar. Maar wij gebruiken ze vaak met meer achterdocht, en dat is in 2026 geen slechte eigenschap. Wie ooit nog een encyclopedie opensloeg, weet dat informatie niet uit de lucht komt vallen. Wie ooit drie weken op een antwoordbrief wachtte, weet dat communicatie niet altijd onmiddellijk hoeft. Wie ooit een kaart las in de auto, weet dat een route ook een verhaal kan zijn.
De digitale wereld heeft snelheid. Boomagers hebben ervaring. Dat is een interessante combinatie.
Ik heb mij inmiddels verzoend met het feit dat mijn smartphone slimmer is dan ik op bepaalde vlakken. Hij weet sneller de weg, onthoudt meer afspraken, vindt sneller een telefoonnummer en heeft nooit last van het gevoel dat hij naar boven is gegaan zonder nog te weten waarom. Maar ik heb iets wat hij niet heeft: herinneringen met geur, schaamte, twijfel, koppigheid, humor en de vaardigheid om in een supermarkt voor een rek yoghurt een kleine existentiële crisis te beleven.
Daar kan geen algoritme tegenop.
En mocht het algoritme toch winnen, dan hoop ik dat het minstens onthoudt waar ik mijn bril heb gelegd.
En nu even serieus
Digitale vaardigheden zijn vandaag belangrijker dan ooit, ook voor actieve vijftigplussers. Smartphones, online bankieren, WhatsApp, videobellen, QR-codes, gezondheidsapps en artificiële intelligentie maken steeds meer deel uit van het dagelijks leven. Wie digitaal mee blijft, vergroot zijn zelfstandigheid, houdt makkelijker contact met familie en vrienden en vindt sneller informatie over reizen, gezondheid, geldzaken, hobby’s en vrije tijd.
Tegelijk blijft voorzichtigheid nodig. Phishing, valse sms’en, frauduleuze e-mails en online oplichting worden steeds professioneler. Klik daarom nooit zomaar op verdachte links, geef geen bankgegevens door via e-mail of sms, gebruik sterke wachtwoorden en schakel waar mogelijk in. Een wachtwoordmanager kan helpen, op voorwaarde dat je het hoofdwachtwoord veilig bewaart.
ChatGPT en andere vormen van kunstmatige intelligentie kunnen nuttig zijn om informatie samen te vatten, teksten te schrijven, reisideeën te zoeken, technische uitleg te krijgen of inspiratie op te doen. Toch blijft gezond verstand nodig. AI kan fouten maken, bronnen verkeerd inschatten of verouderde informatie geven. Gebruik het dus als hulpmiddel, niet als absolute waarheid.
Voor boomagers ligt hier een mooie kans. Technologie hoeft geen bedreiging te zijn. Ze kan net helpen om actief ouder te worden, nieuwsgierig te blijven, nieuwe dingen te leren en verbonden te blijven met de wereld. De kunst is niet om alles perfect te beheersen, maar om stap voor stap bij te leren.

















