Solden

Jaarlijks moet ik twee keer, na januari en na juli, uit een diep dal klimmen. Die soldenmaanden hebben er diep ingehakt.
Ik ben niet alleen. Vele, voornamelijk leden van het mannelijk geslacht, proberen samen met mij deze gruwelijke periode te overleven. Toch helpt dat solidaire gevoel nauwelijks.
Ik probeer er de weken voordien nog niet aan te denken. Maar je weet dat het komt. Die korte, fatale boodschap: “’t Zijn solden.” De aankondiging van een gruwelijke aanslag op je bankrekening.
Het moment waarop vrouwen nutteloze dingen kopen voor een zogezegd belachelijke prijs.

Als de uiterst gevaarlijke uitspraak “’t zijn solden” wordt gecombineerd met “Ik zou wel eens samen durven gaan met Annick”, is de financiële ondergang van het gezin nabij.


Tussen haakjes: solden zijn het beste geneesmiddel voor de vrouw. Ze mag halfdood op de canapé liggen, spreek het woord “solden” uit en binnen het kwartier staat madame als een fit jong veulen klaar om de stad in te trekken.
Het enige wat je dan nog kunt doen, is bang afwachten tot ze terug thuiskomt.
En dan gebeurt het.
De halve inhoud van een camionette wordt vakkundig op de tafel gedeponeerd. Zakjes. Dozen. Schoenen. Kleren waarvan je niet wist dat ze bestonden. En ergens tussen al die spullen zit waarschijnlijk ook nog iets dat ze echt nodig had.

De modeshow begint met deel één: “Dat heeft niets gekost. Ge zoudt het niet geloven.”
Inderdaad. Ik geloof het niet.
Deel twee: al iets duurder.
“Raad eens wat ik daarvoor maar gegeven heb?”
Zeg gerust het driedubbele van wat je in gedachten hebt. Je zult er nog ruim onder zitten.
“Maar allee, vijftig euro. Ge hebt nog niet gezien wat een schoon stofke dat dat is. En kwaliteit… Voel maar eens.”
Je voelt uiteraard niets bijzonders. Maar wat kun je zeggen?
“A ja. Zacht stofke.”
Je wilt tenslotte de avond halen.
Deel drie: “Dertig procent af.”
Maar over de oorspronkelijke prijs wordt geen woord gerept.
Alarmfase rood.
Deel vier.
Nu is het menens.
Geen woord over de prijs. Zelfs geen vermelding van een korting. Ook de afkorting ontbreekt.
Donkerrood.
Je stelt geen vragen meer. Je weet dat het beter is voor je gezondheid.
En dan komt deel vijf.
Het duurste.
De zakjes worden op tafel gezet met de vanzelfsprekendheid van een begrafenisondernemer die zijn werk kent.
Op de zakjes staat: “Nieuwe collectie.”
Dan weet je genoeg.
Geen solden meer.
Geen korting.
Geen excuus.
Alleen nog de vraag hoeveel maanden je de gevolgen ervan zult mogen afbetalen.

Een ander moeilijk moment voor de normale man is het ogenblik waarop je mening gevraagd wordt over de diverse kledingstukken.
“En? Wat vindt ge ervan?”
Een gevaarlijke vraag. Er bestaat namelijk geen goed antwoord.
Zeg je, om er zo snel mogelijk vanaf te zijn: “Schoon. Schoon”, dan krijg je gegarandeerd:
“Ge hebt niet eens gekeken.”
Waar natuurlijk een zekere kern van waarheid in zit.
Zeg je: “Bah, dat trekt op niet veel”, dan wordt de reactie al iets heviger.
“Wat weet gij nu van mode af?”
Dat is ook een moeilijk argument om tegenin te gaan.
Waag je het vervolgens om een genuanceerde mening te geven, bijvoorbeeld:
“Ja… ik vind toch dat het een beetje aan de nauwe kant is. Spant dat niet wat veel?”
Olala.
Dan barst de hel los.
“Kunt gij nu nooit eens iets positief zeggen? Daarbij, ík ben het die het moet aandoen, hé!”
En daar sta je dan.
Je hebt een mening gegeven omdat ze ernaar vroeg.
En nu blijkt dat ook dát verkeerd was.

Natuurlijk. Alles is beter. Nog liever twee maandlonen kwijt dan zelf mee te moeten gaan shoppen.
Want de vraag… Eigenlijk is het geen vraag. Het is een opdracht. Een bevel.
“Gaat ge mee naar de stad, naar de solden?”
Gaan shoppen doet pijn. Immens veel pijn.
Ik kan het vergelijken met zo’n stuksje paprikachips dat recht in je gehemelte schiet. Of met op je blote voeten trappen op een minuscuul Legoblokje dat kleinzoonlief argeloos heeft achtergelaten. Of met een nietje dat je uit een boekje probeert te trekken en onder je nagel schiet. Een ananas die je afknaagt en waarvan je glimlach alsmaar breder wordt.
Allemaal pijnlijk. Akkoord.
Maar niets in vergelijking met de innerlijke verwoesting die de banale mededeling “We gaan naar de solden” teweegbrengt.
Daartegen is een bevalling maar een bagatel. Dat zweer ik je.
Als jonge tortelduifjes ging dat nog. Dan liep je pink aan pink door de Veldstraat. Jij verliefd en fier pronkend met je lief. Zij kwijlend kijkend naar al dat schoons dat niet voor onzen bruinen bestemd was.
Nu loop je hand in hand. Zij van contentement omdat het hoogtepunt van het jaar weer is aangebroken. Jij, zogezegd uit liefde, maar in werkelijkheid in een vergeefse poging om haar uit de winkels te houden.
En dan is het zover.
“We zullen eerst eens voor u gaan kijken, want ge hebt nog een paar hemden en een nieuwe broek vandoen.”
Tegenpruttelen in de zin van “Maar bah nee, ik heb nog alles”, heeft geen zin.
Zij is op dat moment de vestimentaire dictator. Geen tegenspraak.
Jaloers kijk je naar de mannen die hun karakter tonen door buiten aan de winkels achteloos tegen een muur te leunen. Of steun zoeken bij een vergeten lantaarnpaal. De weinige bankjes zijn natuurlijk al lang bezet.
Maar jij moet mee naar binnen.
Om te passen.
“Ik ken mijn maat.”
Je moet passen.
Je zult passen.
Tot het schuim en het zweet op je lijf staan.
Je hebt je broek nog maar half naar beneden getrokken of het gordijn wordt alweer opengerukt omdat je vrouw absoluut wil dat je nog een contingent andere kleren past. Die zij ook mooi vindt.
En daar sta je dan voor de halve parochie. Pantalon op je enkels. Rode onderbroek aan. Die je die ochtend in zeven haasten hebt aangetrokken en waarvan je nu beseft dat je ze beter nooit had aangetrokken.
Om de twee minuten verschijnt er opnieuw een arm tussen de gordijnen.
“Past deze eens.”
“En deze.”
“En deze vind ik ook schoon.”
Op den duur ben je bereid om de meest belachelijke outfit aan te schaffen.
Als je er maar vanaf bent.
Vroeger heb ik altijd gelachen met mannen met een roze T-shirt.
Nu heb ik alle begrip voor hen.
Zij hadden geen keuze.
Afgepeigerd verlaat je de eerste zaak.
Maar je weet: de echte marteling moet nog beginnen.
In januari wordt de pijn nog geaccentueerd door de warmtekanonnen. Binnen de twee minuten staat het zweet op je voorhoofd. In de zomer krijg je dan weer door de airco al een verkoudheid door alleen maar naar zo’n magazijn te kijken.
Maar nadat je dus in het nieuw gestoken bent, begint het voor de vrouw pas echt.
In de volgende winkel staat namelijk zo’n grote bak met allerlei kledingstukken erin.
En daar duiken de dames met alle plezier van de wereld in.
Het is alsof je bij een buitentemperatuur van veertig graden in een koel zwembad mag springen.
Daarna mag geen enkel rek worden overgeslagen.
Bloezekes. Pullekes. Rokske. Broeken. Onderbroeken. Vesten. Palto’s. Schoenen. Pantoffels. Kousen. Sjaals. Mutsen.
Alles moet deskundig gekeurd.
En liefst ook gepast.
Ondertussen word je als man vernederd tot in het diepste van je ziel, want je moet constant op haar sacoche letten terwijl zij aan het passen is.
En naar de solden gaan ze natuurlijk met een roze sacoche.
Of, als je geluk hebt, een lichtblauwe.
Op het moment dat je daar dus met die sacoche staat, komt een collega of een cafékennis de winkel binnen.
De totale vernedering.
In dat café kun je je hoofd het eerste halfjaar niet meer laten zien.
Zeker niet omdat je, na een trappist of vier, altijd beweerd hebt dat je vrouw thuis niets te zeggen heeft en jij de baas bent.
Punt.
Accent circonflexe.
Na de negende winkel durf je dan voorzichtig te suggereren:
“Zouden we niet stillekesaan naar huis gaan?”
Olala.
“Voor één keer dat ik u vraag om mee te gaan, is het al te veel. Gij hebt niets voor mij over. Ge bent bedankt, meneer. Het is al te lastig. Maar vijf uur aan de toog hangen achter de match, dat is niet te lastig. Dan wil meneer niet naar huis.”
Dus doe je voort.
Je sjokt achter je vrouw aan, de schouders naar beneden, de handen vol zakken en pakken.
Eigenlijk zouden mannen hun schouders moeten rechten en een soortement groet moeten ontwikkelen voor lotgenoten die je onderweg tegenkomt.
Zoals motards dat doen naar mekaar.
Alleen heb je je handen vol.
Dus is een lichte hoofdknik aangewezen.
Een stille groet van man tot man.
Ik zie je.
Ik begrijp je.
Hou vol.
En dan, op het einde van de rit, volgt er uiteindelijk toch een mooi moment.
Je weet dat het einde in zicht is.
Met acht plastieken zakken in de handen, de riempjes ongenadig diep in je vingers gesneden, stap je naar buiten.
En dan…
dan zie je hem.
De man aan het pashokje.
Met het zieligste wezen ter wereld naast zich en een blik die alles zegt:
Help mij.
Help mij.
Red mij uit deze nachtmerrie.
En die sukkelaar heeft nog maar één zakje tussen zijn benen staan.
Je kijkt naar hem.
Hij kijkt naar jou.
Je knikt.
Hij knikt.
En je weet: één zakje.
Daar begint zijn miserie pas.

NIEUW! KOERSKLAP

- ONZE EXCLUSIEVE REEKS -spot_img

Abonneer je op ons Gratis Magazine en ontvang elke woensdag de beste info, tips en leuke acties in jouw mailbox

Leestips

Tomorrowland? Mijn hoofd wil wel, maar mijn knieën hebben de uitnodiging...

Stefaan Van Laere zal Tomorrowland wellicht nooit bezoeken: te druk, te duur en te veel gedoe. Toch danst hij er in gedachten volop mee, want muziek loopt al zijn hele leven als een rode draad door zijn bestaan. Terwijl DJ MANDY, de dochter van Boomager-initiatiefnemer Arthur Scherpereel, op het echte festival furore maakt, viert Stefaan zijn eigen Tomorrowland thuis: comfortabel, zonder wachtrijen en met de Mainstage permanent in zijn hoofd.
spot_img
Rechtvaardige-Rechters retabel

11 april 1934 – De Rechtvaardige Rechters, het mysterie ontrafeld

In 1934 pleegde men een van de grootste kunstdiefstallen in de Belgische geschiedenis: de diefstal van "De Rechtvaardige Rechters", een paneel van het wereldberoemde...