HomeMuziekTomorrowland? Mijn hoofd wil wel, maar mijn knieën hebben de uitnodiging geweigerd

Tomorrowland? Mijn hoofd wil wel, maar mijn knieën hebben de uitnodiging geweigerd

Ik zal maar beginnen met een bekentenis die mijn geloofwaardigheid als festivalcolumnist meteen tot ongeveer nul herleidt: ik zal nooit naar Tomorrowland gaan.

Nooit is natuurlijk een gevaarlijk woord. Mensen die zeggen dat ze nooit iets zullen doen, worden doorgaans enkele jaren later gefotografeerd terwijl ze er toch mee bezig zijn, gekleed in een fluorescerende broek die hun kinderen hun uitdrukkelijk hadden afgeraden. Maar in dit geval durf ik het risico te nemen. De kans dat je mij binnenkort met glitters op de wangen, een bloemenkrans op het hoofd en een rugzak vol energiedrankjes door De Schorre ziet huppelen, is bijzonder klein.

Niet omdat ik iets tegen Tomorrowland heb. Integendeel. Ik vind het fantastisch dat zo’n festival bestaat, dat mensen van over de hele wereld naar een plek met de toepasselijke naam Boom afzakken om er samen te dansen, te springen, te dromen en gedurende enkele dagen te vergeten dat er ook nog belastingbrieven, cholesterolwaarden en defecte warmtepompen bestaan.

Ik gun iedereen zijn Tomorrowland. Maar zelf ben ik nogal aan de luie kant. De gedachte aan duizenden mensen die tegelijk langs dezelfde ingang naar binnen willen, veroorzaakt bij mij al lichte ademhalingsproblemen.

Aanschuiven voor de controle, aanschuiven voor een drankje, aanschuiven voor eten, aanschuiven voor een toilet en daarna wellicht opnieuw aanschuiven omdat je tijdens het eerste aanschuiven vergeten bent waarvoor je stond aan te schuiven: het is een logistiek concept waarvoor ik duidelijk niet gebouwd ben.

Daar komen de toegangsprijzen bij, het vervoer, de drukte, het stof, de mogelijke regen en modder (wellicht niet dit jaar, maar de gedachte alleen al doet me gruwelen) en de existentiële vraag waar je je jas moet laten wanneer het warm is en waar je hem vandaan moet halen wanneer het koud wordt. Jonge mensen lossen dat op door geen jas mee te nemen. Op mijn leeftijd is zonder jas vertrekken geen teken van vrijheid meer, maar een medisch risico.

Ik ben dan ook absoluut de verkeerde persoon om over Tomorrowland te schrijven. Die taak zou ik beter overlaten aan mijn Boomager-collega Arthur Scherpereel. Zijn dochter DJ MANDY maakt internationaal furore en staat dit jaar zelfs twee keer op het festival. Op vrijdag 17 juli speelde ze samen met NEGITIV op de Atmosphere-stage (zo vermeldt het programma toch, ik ben te lui om te controleren of dat ook echt zo was)*. Op vrijdag 24 juli volgt – alweer volgens het programma – een solo-optreden op The Great Library. Arthur kan dus niet alleen over Tomorrowland schrijven: hij kan er vermoedelijk ook binnen zonder dat iemand vraagt of hij wel weet waar hij aan begint.

Wanneer je dochter op Tomorrowland draait, ben je als vader trouwens automatisch interessanter dan iemand die thuis aan de keukentafel zit en bij het horen van het woord back-to-back in eerste instantie denkt aan twee mensen met rugpijn.

Toch voel ik mij niet helemaal een buitenstaander. Ik zal lichamelijk misschien nooit op Tomorrowland aanwezig zijn, maar in mijn hoofd ben ik er al jaren bij. Daar staat voortdurend muziek op. Soms zelfs verschillende genres tegelijk, wat wellicht verklaart waarom het er af en toe wat chaotisch is.

Muziek was er al toen ik kind was. Via mijn broer, die vier jaar ouder was, kreeg ik als prille tiener veel vroeger dan gepland toegang tot de muziek die toen als gevaarlijk, vernieuwend of onverstaanbaar gold. David Bowie dook op alsof hij van een andere planeet kwam (wat misschien ook wel zo was). The Beatles hadden de popmuziek al grondig binnenstebuiten gekeerd en stonden op splitten. The Rolling Stones bewezen dat je geen brave jongen hoefde te zijn om een gitaar vast te houden.

Dat laatste bewijzen ze overigens nog altijd. Terwijl andere generaties hun idolen rustig in het museum konden onderbrengen, bleven de Stones gewoon optreden. Inmiddels lijken ze minder op een rockgroep dan op een medisch wonder met gitaren. Iedere keer wanneer Mick Jagger over een podium rent, gaat ergens een zestiger die net kreunend uit zijn zetel is opgestaan beschaamd opnieuw zitten.

Paul McCartney brengt eveneens nog altijd muziek uit. Dat doet mij plezier. Niet alleen omdat ik hem hoog inschat, maar ook omdat hij daarmee bewijst dat creativiteit geen vervaldatum heeft. Muziek is geen yoghurtpotje waarop staat dat je er na je zeventigste beter niet meer aan begint.

Thuis klonk ondertussen een heel ander repertoire. Mijn moeder hield van de Vlaamse muziek. Will Tura, Marva en alles wat destijds uit radio’s, platenspelers en televisieprogramma’s stroomde, maakte deel uit van het huiselijke geluidsdecor. Zo groeide ik op tussen rock-’n-roll, chanson, pop, Vlaamse schlagers en melodieën die je aanvankelijk belachelijk vond, maar die vijftig jaar later plots volledig blijken opgeslagen in een verborgen deel van je hersenen.

Je hoeft maar drie noten te horen en daar is het hele lied opnieuw, inclusief een refrein waarvan je niet wist dat je het nog kende. Vraag mij waar ik gisteren mijn zonnebril heb gelegd en ik moet het antwoord schuldig blijven. Zet een Vlaamse hit uit 1974 op en ik zing het tweede couplet mee.

Het geheugen maakt vreemde keuzes. De muziek bleef. In de daaropvolgende halve eeuw luisterde ik naar zowat alles wat voorbijkwam. Als journalist bezocht ik festivals, woonde ik optredens bij en interviewde ik artiesten die samen een merkwaardige maar mooie stoet vormen. Van Charles Aznavour tot De Kreuners, van chansonniers tot rockers, van Vlaamse schlagerzangers tot artiesten die op het podium van Tien om te Zien verschenen terwijl het publiek gewillig met kartonnen bordjes zwaaide.

Ik heb de wereld van de muziek van dichtbij mogen bekijken. Ik zag hoe artiesten vlak voor een optreden gespannen konden zijn en hoe ze enkele minuten later duizenden mensen in beweging brachten. Ik zag backstage de mens achter de vedette, soms charmant, soms vermoeid, soms vooral bezorgd over de vraag waar de broodjes gebleven waren.

Dat is misschien wel het wonderlijke aan muziek: ze kan tegelijk verheven en banaal zijn. Een zanger kan een zaal tot tranen toe bewegen en vijf minuten later woedend worden omdat de roadie niet snel genoeg een flesje water en een handdoek brengt. Genieën kunnen in de omgang ook gewoon eikels zijn.

Op muziek beleven staat geen leeftijd. Dansen heeft geen pensioenregeling. Een ritme controleert je geboortejaar niet voor het je lichaam binnendringt. Natuurlijk beweegt dat lichaam op den duur wat anders. Waar ik vroeger zonder nadenken een hele avond kon rechtstaan, begin ik nu na twintig minuten** strategisch rond te kijken of er ergens een stoel onbeheerd is achtergelaten.

Mijn danspassen zijn waarschijnlijk ook veranderd. Vroeger dacht ik dat ik vrij behoorlijk bewoog. Nu vermoed ik dat ik toen vooral omringd was door mensen die beleefd genoeg waren om niets te zeggen. Vandaag dans ik meestal thuis, waar de verlichting minder onthullend is en waar de afstand tussen dansvloer en koelkast beperkt blijft.

Dat is mijn persoonlijke versie van Tomorrowland: Tomorrowland zonder wachtrijen, zonder polsbandje en met een toilet dat ik niet met duizenden anderen hoef te delen. Mijn festivalterrein strekt zich uit van de woonkamer tot de keuken. De hoofdact begint wanneer ik daar zin in heb. De drankprijzen zijn redelijk. Ik mag mijn eigen snacks meenemen en niemand kijkt vreemd op wanneer ik halverwege een set besluit dat het tijd is voor koffie.

Bovendien kan ik op elk moment van podium wisselen. Met één druk op de knop ga ik van Bowie naar Tomorrowland, van Will Tura naar The Rolling Stones, van De Kreuners naar een stevige set van DJ MANDY. Mijn afstandsbediening is mijn festivalapp. Mijn zetel is de vipruimte. Mijn kat, mocht ik er een hebben, zou de security zijn.

Het enige probleem is dat er thuis weinig sfeerbeelden worden gemaakt. Niemand filmt hoe ik met een koffiekop in de hand voorzichtig met mijn heupen beweeg. Dat is waarschijnlijk maar goed ook. Sommige optredens horen exclusief te blijven.

Toch ben ik oprecht blij dat Tomorrowland er is. Het is gemakkelijk om als oudere toeschouwer neerbuigend te doen over luide beats, vreemde kapsels, glitterpakken en jongeren die drie dagen lang met een vlag rondlopen van een land waar ze vermoedelijk nog nooit zijn geweest. Iedere generatie heeft echter recht op haar eigen muziek, haar eigen rituelen en haar eigen plekken waar de gewone wereld even wordt opgeschort.

Wij hadden onze festivals, concertzalen, jeugdhuizen, dancings en massabijeenkomsten. Wij stonden eveneens te dicht op elkaar, dronken te dure drankjes en droegen kleren waarvan we later zouden beweren dat ze toen echt modieus waren. Alleen waren er nog geen smartphones om het bewijsmateriaal voor eeuwig te bewaren.

Misschien verschillen de generaties dus minder dan we graag denken. De versterkers zijn krachtiger geworden, de lichtshows spectaculairder en de toegangsbandjes technologischer, maar de behoefte is dezelfde gebleven: samenkomen, muziek voelen en even geloven dat het leven groter, kleurrijker en intenser kan zijn dan op een doordeweekse dinsdagmiddag.

Zou ik als boomager op Tomorrowland passen? Natuurlijk. Er zullen ongetwijfeld rustige plekken zijn. Er is eten. Er zijn mensen van alle leeftijden. Ik zou gesprekken kunnen voeren, foto’s maken, observeren en mij laten verrassen. Misschien zou ik zelfs ontdekken dat elektronische muziek meer nuances bevat dan het boem-boem-boem waarmee oudere generaties het gemakshalve samenvatten.

Ik zou dus kunnen gaan. Ik ben alleen te lui. Daar komt het uiteindelijk op neer. Al mijn bezwaren over drukte, prijzen, toiletten en regen zijn wellicht verstandige argumenten, maar diep vanbinnen weet ik dat vooral het comfort van mijn eigen huis bijzonder overtuigend is. Tomorrowland vraagt voorbereiding, verplaatsing en uithoudingsvermogen. Mijn huiskamer vraagt alleen dat ik de afstandsbediening terugvind.

Laat de jongeren, de avonturiers en de minder luie boomagers dus maar naar Boom trekken. Laat DJ MANDY de massa in beweging brengen. Laat Arthur met terechte trots kijken naar wat zijn dochter daar presteert. En laat mij thuis genieten, luisteren en in gedachten meedansen.

Want lichamelijk zal ik waarschijnlijk nooit op Tomorrowland staan. Maar in mijn hoofd heb ik al jaren een abonnement. En daar is het nooit uitverkocht.

* Onze AI-redactrice Aurélie meent dat deze twee optredens kloppen. Mocht dat niet het geval zijn kunnen we fout(en) in haar virtuele schoenen schuiven.

** Maak er maar tien, of nee, vijf minuten van.

- ONZE EXCLUSIEVE REEKS -spot_img

Abonneer je op ons Gratis Magazine en ontvang iedere woensdag de beste info, tips en leuke acties in jouw mailbox

Leestips

Ontdek hoe het internet zich ontwikkelde van een revolutionaire innovatie tot een onmisbaar onderdeel van ons dagelijks leven en werk.

Internet: van innovatie tot onmisbaar

Hoe het internet zich ontwikkelde van een baanbrekende uitvinding tot een essentieel onderdeel van ons dagelijks leven Het internet heeft onze wereld fundamenteel veranderd, van...

Coq-au-Vin

spot_img
Rechtvaardige-Rechters retabel

11 april 1934 – De Rechtvaardige Rechters, het mysterie ontrafeld

In 1934 pleegde men een van de grootste kunstdiefstallen in de Belgische geschiedenis: de diefstal van "De Rechtvaardige Rechters", een paneel van het wereldberoemde...