Er was een tijd – houd u allen vast aan de takken van de bomen– dat je gewoon weg kon zijn.
Niet symbolisch. Niet “even offline”.
Maar echt weg.
Geen signaal. Geen bolletje dat groen oplicht. Geen laatst gezien om 22.47 u.
Je was niet bereikbaar, en dat was geen probleem dat opgelost moest worden, maar een toestand. Een staat van zijn – of niet zijn. Zoals regen. Of stilte.
Wij, boomagers, zijn wellicht de laatste generatie die dat nog heeft meegemaakt. En – durf ik het zeggen – die nog weet hoe dat voelt.
Niet dat we het toen zo noemden. Privacy. Anonimiteit. Digitale detox. Dat waren geen woorden, dat waren gewoon omstandigheden. Je ging fietsen en was weg. Je zat op café en was onvindbaar. Je ging met vakantie en mensen wisten twee weken lang niet of je nog leefde. Spannend? Soms. Zalig? Meestal.
Vandaag moet verdwijnen aangekondigd worden.
“Even offline.”
“Sociale media-pauze.”
“Out of office.”
Alsof afwezigheid zich moet verontschuldigen.
Verdwenen. Punt.
Wij kennen nog het verdwijnen zonder plan. Zonder story. Zonder afsluitende post met een foto van een zonsondergang en de tekst even tijd voor mezelf. Je was gewoon… niet daar. Niemand wist waar. En niemand eiste uitleg.
Ik herinner me vakanties waar mijn moeder pas na tien dagen een kaart kreeg. Met postzegel. Met handschrift. Met de mededeling dat alles oké was, behalve de tent en mijn humeur. En dat volstond. Meer informatie had niemand nodig.
Vandaag weet een jongere soms niet eens meer of hij wil verdwijnen, laat staan kan. Want zelfs als je niets post, post je iets. Zelfs stilte wordt geïnterpreteerd.
“Gaat het wel?”
“Je bent al lang niet online geweest.” (Een uur of zo.)
“Alles oké?”
Het moet een vermoeiend bestaan zijn: constant bestaan.
De luxe van onzichtbaar zijn
Verdwijnen is vandaag een luxeproduct geworden. Zoals rust. Of tijd. Of een volle nacht slaap zonder meldingen.
Wij hadden dat vroeger gratis.
Niet omdat we beter waren. Maar omdat het systeem nog niet bestond. Niemand kon ons volgen, behalve misschien de buurvrouw achter het gordijn. En die had geen cloud.
Geen tracking. Geen stappenmeter. Geen app die weet waar je was, hoe snel je liep en of je er blij bij keek. Je was gewoon ergens. Of nergens.
En ja, we waren soms verloren. Maar we wisten het tenminste zelf ook niet altijd.
Knotsgekke situaties (die toen normaal waren)
Je sprak af “aan het station”. Niet welk station. Gewoon: het station.
En als je elkaar niet vond, ging je naar huis. Einde verhaal.
Je belde iemand. Die nam niet op.
Dat betekende niet: hij negeert me.
Dat betekende: hij is er niet.
Revolutionair concept.
Je ging op reis met één adres op een papiertje. Raakte dat kwijt? Dan improviseerde je. Of je bleef waar je was. Of je kwam een week later terug. Niemand startte een zoekactie. Hoogstens wat schouderophalen.
En toch zijn we er nog. Wonderlijk.
Jongeren en hun heimwee naar iets wat ze nooit hadden
Het ironische is: jongeren snakken naar wat wij ooit vanzelfsprekend vonden. Ze noemen het offline gaan, slow living, no phone weekends. Wij noemden het zaterdag.
Ze verlangen naar anonimiteit, terwijl ze opgegroeid zijn in een wereld waar alles gedeeld, gemeten en gemonetariseerd wordt. Hun jeugd zit in de cloud. Hun fouten ook. Hun gênante kapsels, hun dronken uitschuivers, hun slecht gekozen exen: alles gedocumenteerd.
Wij konden onszelf heruitvinden door gewoon te verhuizen. Of van job te veranderen. Of een nieuwe jas te kopen en te doen alsof dat altijd zo geweest was.
Zij moeten hun verleden managen.
Dat lijkt me zwaar. Eerlijk.
Ook wij zijn geen heiligen
Laat ons eerlijk zijn: wij zitten zelf ook mee in het systeem. We checken. We scrollen. We posten foto’s waarvan we zweren dat ze “echt spontaan” zijn. We kijken wie wat geliket heeft. We doen alsof we niet kijken, maar we kijken.
En toch. Die herinnering zit nog in ons lijf. Dat weten hoe het voelt om onbereikbaar te zijn zonder schuldgevoel. Zonder melding. Zonder uitleg.
Misschien is dat onze stille kracht. Dat we weten dat vrijheid soms niet luid is. Dat ze geen wifi nodig heeft. Dat ze zich aandient in het ontbreken van alles.
Verdwijnt u nog een beetje?
Misschien moeten we het opnieuw durven. Niet als statement. Niet als lifestyle. Maar gewoon omdat het kan.
Een dag geen spoor.
Een weekend onvindbaar.
Een wandeling zonder horloge dat meet hoe gelukkig je onderweg was, en hoeveel gelukkiger je nog zal worden wanneer je de beoogde 10.000 stappen bereikt hebt.
Niet om terug te gaan naar vroeger. Maar om iets te bewaren dat waardevol was. En nog altijd is.
Want verdwijnen is geen vlucht.
Het is ruimte maken.
Voor uzelf.
En – wie weet – zelfs een beetje voor de anderen.
Wij zijn misschien de laatste generatie die dat nog echt kan.
Maar we kunnen het wel nog doorgeven.
Zonder handleiding.
Zonder app.
Gewoon door het af en toe te doen.
















