Een paar weken geleden zat ik op een terras op een woensdagmiddag. Dat klinkt misschien niet meteen als een gebeurtenis die later in de geschiedenisboeken zal terechtkomen, maar ik raad iedereen aan het eens te proberen. Niet het terras op zich, wel het tijdstip. Woensdagmiddag. Half drie. Het uur waarop de meeste mensen ergens horen te zijn, iets horen af te werken of zich schuldig voelen omdat ze niet productief genoeg bezig zijn.
Voor mij stond een koffie. Naast mij lag een boek waarvan ik amper drie bladzijden gelezen had, wat niet aan het boek lag maar aan het feit dat ik voortdurend werd afgeleid door de mensen rondom mij. Een terras is immers een van de laatste plaatsen waar je nog ongestraft naar mensen kunt kijken zonder dat iemand de politie belt.
Aan het tafeltje naast mij zaten drie jonge mensen. Jong in de betekenis van: een leeftijd waarop een mens nog kraakt wanneer hij opstaat omdat hij de avond voordien te hard gefeest heeft en niet omdat hij simpelweg rechtkomt uit een stoel. Ze hadden laptops opengeklapt, smartphones naast hun koffiekop gezet en voerden gesprekken die voor buitenstaanders klonken als een kruising tussen een bedrijfsvergadering en een noodoproep.
Een deadline had zich verplaatst, een klant had besloten precies op het verkeerde moment te reageren en een planning die waarschijnlijk ooit logisch was geweest, moest opnieuw worden uitgevonden. Aan het tafeltje hing de gespannen bedrijvigheid van mensen die ervan overtuigd waren dat stilvallen zelfs vijf minuten lang ernstige gevolgen kon hebben. Er hing een sfeer van collectieve paniek die moeilijk te rijmen viel met de zon die boven het plein scheen.
Terwijl ik naar dat tafereel keek, moest ik denken aan iets wat een kennis mij ooit vertelde. Hij was net met pensioen gegaan en had de eerste weken het gevoel gehad dat hij iets verkeerd deed. Wanneer hij op een dinsdagnamiddag een wandeling maakte, kreeg hij bijna de neiging zich te verontschuldigen tegenover voorbijgangers. Het idee dat hij zomaar ergens kon wandelen zonder dat daar een vergadering, rapport of werkrooster achter zat, voelde verdacht aan.
Dat heeft blijkbaar tijd nodig. We worden tientallen jaren getraind om bezig te zijn. Daarna moeten we plots opnieuw leren hoe we kunnen genieten van het feit dat we niet bezig zijn. Dat is ingewikkelder dan het klinkt.
Wie ooit geprobeerd heeft om niets te doen, weet waarover ik spreek. Je gaat in de tuin zitten met het vaste voornemen om een halfuur te ontspannen en nog voor je goed en wel zit, vraag je je af of het gras niet eens gemaaid moet worden, of die struik daar niet wat bijgeknipt kan worden en of het eigenlijk wel verantwoord is om zomaar op een stoel te zitten terwijl er binnen nog een lade bestaat die dringend moet worden opgeruimd.
Mensen zijn vreemde wezens. We dromen jarenlang van vrije tijd en wanneer die eindelijk arriveert, beginnen we ze onmiddellijk te organiseren.
Onlangs zag ik een advertentie voor een cursus vertragen. Dat meen ik. Je kon je inschrijven om te leren hoe je rustiger kon leven. Ik weet niet meer wat de cursus kostte, maar het was voldoende om mij te doen vermoeden dat stress een winstgevender businessmodel geworden is dan ontspanning.
Misschien is dat wel het grootste verschil tussen veel jongeren en veel boomagers.
Jonge mensen zijn voortdurend bezig hun leven op te bouwen. Ze zoeken een job, proberen carrière te maken, sparen voor een woning, onderhouden relaties, plannen reizen, volgen opleidingen en proberen ondertussen ook nog een interessant mens te zijn op sociale media. Het is een indrukwekkende evenwichtsoefening. Alleen lijkt niemand hen verteld te hebben dat die evenwichtsbalk voortdurend beweegt.
Ik heb soms de indruk dat sociale media een gigantische wedstrijd hebben georganiseerd waar niemand zich bewust voor heeft ingeschreven. Iedereen loopt mee. Iedereen kijkt voortdurend naar de andere deelnemers. Iedereen denkt dat de rest beter bezig is.
Je ziet iemand op Instagram die een marathon loopt.
Je ziet iemand anders op LinkedIn die promotie maakt.
Een derde koopt een huis.
Een vierde verhuist naar Portugal.
Een vijfde start een eigen bedrijf.
Een zesde leert Mandarijn.
Na tien minuten scrollen krijg je spontaan het gevoel dat je dringend iets moet ondernemen, ook al was je daarvoor perfect gelukkig.
Dat gevoel verdwijnt gelukkig met de jaren.
Niet volledig, maar voldoende om opnieuw normaal te kunnen ademhalen.
Ergens onderweg ontdek je namelijk een geheim dat verrassend weinig aandacht krijgt. Het leven wordt niet noodzakelijk eenvoudiger na je vijftigste, maar je wordt wel steeds beter in het onderscheiden van belangrijke en onbelangrijke problemen. Dat lijkt een klein verschil, maar het is ongeveer hetzelfde verschil als dat tussen een wandelkaart en een kompas tijdens een mistige tocht.
Wanneer je jong bent, kan een verkeerde opmerking dagenlang in je hoofd blijven hangen. Je vraagt je af wat iemand bedoeld heeft, waarom hij dat gezegd heeft en of je anders had moeten reageren. Twintig jaar later kom je diezelfde persoon opnieuw tegen en blijkt hij zich het hele gesprek niet eens meer te herinneren.
Dat soort ontdekkingen werkt bevrijdend.
Op een bepaald moment besef je dat de meeste mensen veel minder met jou bezig zijn dan je altijd dacht. Ze zijn vooral bezig met hun eigen zorgen, hun eigen plannen, hun eigen onzekerheden en hun eigen dromen. Dat klinkt misschien teleurstellend, maar het is in werkelijkheid uitstekend nieuws. Het betekent dat je eindelijk mag stoppen met proberen iedereen tevreden te houden.
Misschien verklaart dat waarom zoveel boomagers plots nieuwe hobby’s ontdekken. Niet omdat ze vroeger geen interesses hadden, maar omdat er eindelijk ruimte ontstaat om er iets mee te doen. De ene begint te fietsen. De andere trekt de wandelschoenen aan. Sommigen reizen meer dan ooit tevoren. Anderen verdiepen zich in fotografie, geschiedenis, tuinieren of vrijwilligerswerk. En er zijn er ook die boeken beginnen schrijven, wat ik uit eigen ervaring zowel een prachtig als een licht krankzinnig tijdverdrijf kan noemen.
Wat mij daarbij altijd opvalt, is hoe weinig die activiteiten nog te maken hebben met indruk maken op anderen. Niemand begint op zijn zestigste met wandelen om populairder te worden. Niemand koopt een fiets omdat de buurman dan jaloers zal zijn. Niemand zit op een zonnige woensdagnamiddag een ijsje te eten met een kleinkind omdat dat goed staat op een cv.
Dat is misschien de meest onderschatte luxe van ouder worden. Je hoeft niet langer voortdurend te bewijzen dat je iemand bent. Je mag gewoon iemand zijn, bij voorkeur jezelf.
Dat lijkt een detail. Niet is minder waar. Het is een vorm van vrijheid waar veel jongere mensen stiekem van dromen terwijl ze naar hun overvolle agenda kijken.
Toen ik uiteindelijk mijn koffie uit had en mijn boek opnieuw opensloeg, waren de drie jonge mensen naast mij nog altijd bezig met hun planning. Hun laptops stonden nog open. Hun telefoons lagen nog op tafel. Hun gezichten verraadden dat de wereld intussen niet eenvoudiger geworden was.
Ik wenste hen oprecht alle succes toe.
De jeugd heeft de toekomst, wordt vaak gezegd.
Dat klopt waarschijnlijk.
Maar op die woensdagmiddag dacht ik toch even dat de boomagers misschien iets hadden waar de toekomst jaloers op mag zijn.
Tijd.
Niet de tijd die op een horloge staat.
De tijd die je eindelijk leert gebruiken zoals je zelf wilt.
En nu even serieus
Onderzoek naar levensgeluk laat al jaren een opmerkelijk patroon zien. Veel mensen ervaren tussen hun veertigste en vijftigste levensjaar een periode met meer stress, verantwoordelijkheden en tijdsdruk. Daarna stijgt het gevoel van tevredenheid vaak opnieuw. Wetenschappers spreken soms van een U-curve van geluk: jongvolwassenen scoren doorgaans hoog, daarna volgt een dip tijdens de drukste jaren van werk en gezin, om vervolgens opnieuw te stijgen naarmate mensen meer vrijheid, ervaring en zelfkennis opbouwen.
Actieve vijftigplussers besteden hun tijd vandaag vaker aan wandelen, fietsen, reizen, vrijwilligerswerk, cultuur, levenslang leren en sociale contacten. Die activiteiten dragen niet alleen bij tot een betere fysieke gezondheid, maar versterken ook het mentale welzijn. Regelmatig bewegen verlaagt het risico op tal van aandoeningen, terwijl sociale contacten en nieuwe uitdagingen helpen om het brein actief te houden.
Ook het idee dat ouder worden automatisch gelijkstaat aan achteruitgang klopt steeds minder. Mensen leven langer, blijven langer gezond en beschikken vaker over de tijd en middelen om nieuwe hobby’s te ontdekken, verre reizen te maken of lang gekoesterde plannen eindelijk uit te voeren.
De kunst van gelukkig ouder worden ligt niet in het proberen vasthouden van de jeugd, maar in het benutten van de kansen die elke levensfase biedt. Vrijheid, ervaring, relativeringsvermogen en tijd zijn daarbij vaak waardevollere troeven dan veel mensen beseffen.

















