Het moet al van in- of van net na mijn pubertijd zijn dat ik toch zo graag op café kom. Toen gebeurde dat maar zeldzaam en nooit op eigen initiatief maar wel na uitnodiging van de ene of de andere. Eens volwassen en actief in een job (journalist in het wielrennen) waarin je gemakkelijk al eens in een kroeg terecht komt, gebeurde dat meer en meer en mettertijd ook om er almaar forser te drinken. Of lees: zuipen. Op een gegeven moment stelde ik dan toch vast dat ik daarin overdreef (in dat zuipen dan) om meteen te beslissen daar direct mee te stoppen. Ik zou er zelfs in slagen meerdere decennialang geen pint meer aan te raken, om dat bier en eventueel straffere kost door koffie te vervangen. Dat werden dan koppen en nog eens koppen, zonder dat het mij verhinderde prompt in slaap te vallen, ook al dronk ik de laatste slok diep in de nacht.
in de vorderende jaren bleef en blijf ik op café gaan, nu terug voor een witte wijn, waarnaar ik overgeschakeld ben zonder daarin te overdrijven. Als ik er per dag eentje binnenkrijg, mag ik al tevreden zijn.
Als oude man probeer ik vandaag mijn fysieke conditie te onderhouden met dagelijkse wandelingen, als het weer dat tenminste toelaat. Ik heb in mijn buurt, in de stad waar ik woon, een aantal vaste parkoersen uitgetekend, waar op zijn minst een aantrekkelijk cafeetje te vinden is. Het laatste dat ik aan de lange lijst toevoegde was er eentje, waaraan ik herinneringen overhield uit een ver verleden maar dat ik in jaren niet meer bezocht had. Vroeger was dat een mooie brasserie, waar ook lekker gegeten kon worden. Daarna bleef de zaak er langs de buitenkant bijna als voorheen uitzien, maar schrok ik toch behoorlijk wanneer ik er, tijdens een van mijn voettochten, weer eens binnenstapte. De chique onderneming van toen bleek nu een helemaal omgebouwd café te zijn, met, eerlijk gezegd, een behoorlijk verwaarloosd uitzicht. Wat mij niet stoorde, want ik hou van kroegen die nog echte kroegen gebleven zijn.
Ik nam dus zonder aarzelen plaats op een gewone stoel achter een even gewoon cafétafeltje en bestelde prompt mijn klassieke drank, witte wijn dus. Daarmee hield ik de patron even weg van een conversatie, die hij met een ongeveer even oude dame voerde, conversatie waaruit ik onmiddellijk een aantal dingen over hem leerde, waarna ik later zelf zag dat hij bij het stappen behoorlijk mankte. De vrouw in kwestie had intussen geleerd dat de man W… heette, dat hij bij moeilijke operaties zoals het ophalen van bakken bier door studenten geholpen werd en… nog zes tanden in zijn mond had staan.
Tegen mij stelde hij dat hij, een eind in de zeventig aangeland, nu de twintigste kroeg uit zijn loopbaan openhield, wat eega Liliane later, toen ik haar over dat avontuurtje praatte, zeker maakte van haar gelijk, stellend dat ze die man al sinds jaren kent, dat hij in haar buurt van toen gewoond heeft en dat hij in een van zijn kroegen haar jongste zoon gedurende lange tijd als werkstudent onder zijn hoede nam.
Liliane, die minder café-fan is dan haar eega (waarschijnlijk omdat haar moeder er destijds en tot op gezegende leeftijd eentje in de buurt van Oudenaarde openhield en zij daar uren en uren niet voor maar achter de toog had gestaan) was er nu wel en onmiddellijk mee akkoord dat we samen die gewezen buurman en bijna vriend toch eens moesten opzoeken. Maar dat is er tot nog toe niet van gekomen.















